ECLI:NL:RVS:2020:291
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig nemen van verkeersbesluiten over sluipverkeer in woonwijk
Appellant heeft het college van burgemeester en wethouders van De Bilt verzocht om verkeersmaatregelen te nemen tegen sluipverkeer en verkeersdrukte in zijn woonwijk als gevolg van een tijdelijk verkeerscirculatieplan. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd voor het deel van het beroep gericht tegen feitelijke handelingen en niet-ontvankelijk voor het deel gericht tegen het niet tijdig nemen van verkeersbesluiten, omdat appellant volgens de rechtbank geen belanghebbende was.
In hoger beroep betoogt appellant dat hij wel belanghebbende is omdat de verkeersbesluiten directe gevolgen voor zijn woonomgeving hebben. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat appellant inderdaad belanghebbende is bij de verzoeken om verkeersbesluiten die sluipverkeer moeten tegengaan. De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
Echter, de Afdeling stelt ook vast dat het college niet tijdig heeft beslist op de verzoeken en dat appellant geen geldige ingebrekestelling heeft gedaan, wat een vereiste is voor ontvankelijkheid van het beroep tegen niet tijdig beslissen. Daarom verklaart de Afdeling het beroep alsnog niet-ontvankelijk. Tot slot veroordeelt de Afdeling het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige ingebrekestelling.