ECLI:NL:RBZWB:2026:5565

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
25/2803
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Eiser, werkzaam als heftruckchauffeur, ontving vanaf 6 november 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering vanwege mentale en lichamelijke klachten. Het UWV wijzigde deze uitkering in een loonaanvullingsuitkering en beëindigde deze per 5 juni 2025, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiser betwistte dit en voerde meerdere beroepsgronden aan.

De rechtbank beoordeelde het medisch dossier, inclusief rapporten van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige, en concludeerde dat het UWV voldoende en zorgvuldig onderzoek had verricht. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 september 2024 werd als juist en passend beoordeeld, waarbij rekening werd gehouden met eisers aandoeningen zoals een doorgemaakte TIA, hartritmestoornis, rugklachten en anale fistel.

Eiser stelde dat er preventief een urenbeperking moest worden aangenomen en dat nadere informatie ontbrak, maar de rechtbank vond dat de verzekeringsarts b&b voldoende gemotiveerd had waarom dit niet nodig was. Ook de door het UWV geselecteerde functies voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid werden als passend beoordeeld. Omdat eiser geen gronden aanvoerde tegen de berekening, werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%, waardoor het recht op WIA-uitkering verviel.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd per 5 juni 2025 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2803 WIA

uitspraak van 24 juni 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de WIA-uitkering van eiser heeft beëindigd per 5 juni 2025. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser werkte als heftruckchauffeur bij [bedrijf] (via werkgever [werkgever] ). Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege mentale en lichamelijke klachten.
Vanaf 6 november 2023 is aan eiser een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend.
Met het besluit van 4 juni 2024 (primair besluit) heeft het UWV aan eiser medegedeeld dat zijn uitkering veranderd in een loonaanvullingsuitkering. [werkgever] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. [werkgever] stelt zich op het standpunt dat aan het primaire besluit geen sociaal medisch onderzoek ten grondslag ligt en verzoekt dit alsnog uit te voeren.
Naar aanleiding van het bezwaar is een onderzoek uitgevoerd naar eisers arbeidsongeschiktheid. Met het voornemen van 3 februari 2025 heeft het UWV naar aanleiding van dit onderzoek overwogen dat eiser per 5 augustus 2024 17,44% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft hiertegen een zienswijze ingediend.

Procesverloop

3. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 heeft het UWV het bezwaar van [werkgever] gegrond verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde. [persoon] heeft als tolk voor eiser opgetreden. Namens het UWV was mr. H.J.J. Verhoeven aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Als gevolg van het gegronde bezwaar van [werkgever] is de datum in geding gewijzigd van 5 augustus 2024 naar 5 juni 2025. Daarom heeft eiser vanaf die datum geen recht (meer) op een WIA-uitkering en wordt deze met ingang vanaf die datum beëindigd, aldus het UWV.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arts (getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts) en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1.
De verzekeringsarts b&b heeft de dossiergegevens bestudeerd en stelt dat er voldoende medische informatie is om op de stukken te heroverwegen. Eiser is eerder door verzekeringsartsen gezien en heeft zelf in bezwaar ook medische informatie aangeleverd. Een onderzoek is bezwaar heeft geen meerwaarde vanwege de uitgebreide primaire rapportage, waarbij de datum in geding voor de spreekuurdatum in primair ligt
.Uit die rapportage blijkt dat de ervaren klachten en belemmeringen voldoende aan de orde zijn gesteld. Er heeft een voldoende uitgebreid en voldoende op de klachten gericht medisch onderzoek, inclusief een lichamelijk onderzoek, plaatsgevonden. De conclusie is gebaseerd op de in het dossier aanwezige gegevens, de anamnese en het eigen medisch onderzoek.
De primaire arts heeft terecht aangenomen dat eiser belastbaar is. Getoetst aan het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten bestaat er geen aanleiding om te stellen dat er op medische gronden geen benutbare mogelijkheden zijn. Eiser is op de datum in geding niet opgenomen op medische indicatie. Er is geen sprake van chronische bedlegerigheid en hij is niet ADL-afhankelijk. Ook is geen sprake van onvermogen in persoonlijk en sociaal functioneren en ook niet van een aandoening met een slechte prognose op korte termijn.
De aangenomen beperkingen zijn passend en houden rekening met het feit dat eiser is aangewezen op fysiek lichte arbeid. De aanwezige problematiek is bekend en wordt bevestigd in de ontvangen medische informatie. Er zijn geen aandoeningen gemist die aanleiding geven voor aanvullende beperkingen. De aangenomen beperkingen zijn passend bij de onderzoeksbevindingen van de primaire arts. Dat eiser ervaart dat zijn gezondheidsproblemen elke dag erger worden, is geen aanleiding om aanvullende beperkingen aan te nemen. Het is begrijpelijk dat eiser uitgaat van de beleving van zijn klachten en deze worden ook niet gebagatelliseerd. Bij het vaststellen van de belastbaarheid wordt echter niet alleen afgegaan op de door eiser aangegeven klachten en belemmeringen, maar ook op de geobjectiveerde medische afwijkingen die de klachten kunnen verklaren. Ook wordt rekening gehouden met eisers verminderde stressbestendigheid vanwege de doorgemaakte TIA en de ervaren duizeligheid, waardoor beperkingen gelden voor werkzaamheden met verhoogd persoonlijk risico en beroepsmatig chauffeuren. De primaire rapportage vermeldt dat eiser autorijdt en dat er sociale contacten zijn.
De belastbaarheid van eiser op de datum in geding, te weten 5 augustus 2024, is juist weergeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 september 2024.
7.2.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat het onderzoek in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser heeft meerdere malen aangegeven dat vanwege zijn klachten operaties in het vooruitzicht zijn en dat hij niet in staat is om arbeid te verrichten.
Eiser meent dat op preventieve gronden een urenbeperking moet worden aangenomen en dat nadere informatie ingewonnen moest worden voordat een oordeel geveld kon worden over de juistheid van de FML. Volgens eiser miskent de verzekeringsarts b&b ten onrechte dat de FML een momentopname is en dat niet de operaties in de nabije toekomst meegenomen hoefde te worden. De klachten van eiser zijn terugkerend en als sprake zou zijn van beperkingen die in de loop der jaren terugkeren moet dat verder aangemerkt worden als medisch objectiveerbaar en moeten in dat kader nadere beperkingen aangenomen worden.
Ter nadere onderbouwing is medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat eiser, zoals al aangegeven in bezwaar, twee operaties gepland had en deze inmiddels heeft ondergaan.
Op zitting heeft eiser aangevoerd dat het UWV had moeten overleggen met [chirurg] , die eiser heeft geopereerd vanwege de anale fistel klachten.
7.3.
In reactie op de beroepsgronden heeft het UWV in het verweerschrift aangegeven dat de verzekeringsarts b&b zonder nader onderzoek niet heeft kunnen vaststellen wat de medische situatie van eiser is op de nieuwe datum in geding (5 juni 2025). De aangeleverde stukken waren daarvoor onvoldoende. Om die reden is op 27 januari 2026 een spreekuur gehouden. De verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat de FML van 10 september 2024 nog steeds geldig is op de nieuwe datum in geding.
Volgens de verzekeringsarts b&b is er geen aanleiding voor het aannemen van aanvullende beperkingen. Uit het medische spreekuur in beroep blijkt dat de klachten rondom de datum in geding overeenkomen met die uit het spreekuur van de primaire arts op 3 september 2024. Eiser heeft klachten vanwege de anale fistel, een doorgemaakte TIA (maart 2023), hartritmestoornis (waarvoor medicatie wordt gebruikt), rugklachten met slapende, gevoelloze en onrustige benen, en klachten vanwege een vermeend carpaal tunnelsyndroom (beknelling van de handzenuw) waarbij onderzoek van de zenuwen geen bijzonderheden uitwees (geen sprake van beknelling). Ondanks dat eiser een verergering na 2024 aangeeft, komen de klachten overeen met de beoordeling van september 2024. Er is niet gebleken dat sprake is van een bijkomende aandoening. Eiser is niet meer onder controle bij de neuroloog en de cardioloog. De klachten vanwege de anale fistel is het grootste probleem. Eiser is al beperkt ten aanzien van zitten en zitten tijdens werk, en kan daarnaast gebruik maken van een zitring donut kussen, zodat er geen druk op het anusgebied is. Hij heeft hiervoor diverse operaties gehad. Het betreft dag opnames met een operatie van 15 tot 30 minuten. Na de operaties kan nog sprake zijn van pijnklachten en moet het operatiegebied goed gereinigd worden. Na de operatie zijn er leefregels waaronder dagelijks voldoende bewegen. Soms is er langere tijd nodig voor herstel, maar na enkele dagen tot twee weken kunnen normale werkzaamheden weer worden hervat. In geval van eiser betreft het passende arbeid, immers is hij aangewezen op fysiek lichte en stress beperkte arbeid.
In de FML van 10 september 2024 is al rekening gehouden met de genoemde aandoeningen, en in de bezwaarrapportage is gemotiveerd dat deze FML passend is. Op 5 juni 2025 had eiser benutbare mogelijkheden. Hij had mogelijk klachten vanwege een ontstoken peri-anale fistel waarvoor hij op 25 juni 2025 is geopereerd. Er is geen sprake van een langdurige opname van tenminste drie maanden. Getoetst aan het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is hierdoor geen sprake van geen benutbare mogelijkheden. Daarnaast is geen sprake van chronische bedlegerigheid of ADL-afhankelijkheid, van onvermogen in persoonlijk en sociaal functioneren, of van een aandoening met een slechte prognose op korte termijn.
Het opvragen van aanvullende informatie is niet nodig, omdat er voldoende informatie beschikbaar is. Zowel tijdens bezwaar als in beroep is medische informatie aangeleverd en eiser is primair en tijdens de beroepsprocedure gezien.
Gezien de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid is er geen medische reden om op preventieve gronden een urenbeperking toe te kennen. Er is immers geen sprake van een aandoening waarbij een patroon tot grensoverschrijding, zelfoverschatting of beperkt ziektebesef bestaat waarmee preventief een urenbeperking zou moeten worden aangenomen. Daarnaast is geen sprake van een verminderde beschikbaarheid voor arbeid in verband met opname of deeltijdtherapie, en is er geen stoornis in de energiehuishouding door een energietekort, te groot energieverbruik, dan wel verminderde recuperatiemogelijkheden. Wanneer rekening gehouden wordt met de vastgestelde beperkingen en voorwaarden in arbeid, wordt voorzien in voldoende lage energetische belasting. Er is geen zekerheid dat er in de toekomst nog operaties zullen plaatsvinden. Als het gaat om operaties vanwege de peri-anale fistel, dan zullen dit geen langdurige opnames van tenminste drie maanden zijn.
7.4.
De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat het onderzoek een zorgvuldigheidsgebrek kent. Eiser is door de primaire arts op het spreekuur gezien waarbij er psychisch en lichamelijk onderzoek is verricht. De verzekeringsarts b&b heeft in bezwaar de dossiergegevens bestudeerd en heeft in beroep de nieuwe medische informatie bestudeerd (medicatieoverzicht, operatieverslagen en afsprakenoverzicht). Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b eiser gezien op het spreekuur waarbij een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat zij op de hoogte was van de door eiser gestelde klachten, waaronder de anale fistel klachten. De onderzoeksbevindingen zijn uitgebreid onderbouwd en voldoende gemotiveerd.
Dat nadere informatie ingewonnen had moeten worden (waaronder overleg met [chirurg] ) voordat de verzekeringsarts b&b kon oordelen over de juistheid van de FML, kan de rechtbank niet volgen. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een verzekeringsarts b&b op haar/zijn eigen oordeel kan afgaan bij het vaststellen van beperkingen. [1] Daarnaast heeft eiser in bezwaar en in beroep medische informatie overgelegd, waaronder informatie van [chirurg] . Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts b&b deze informatie onvoldoende in de beoordeling heeft meegenomen.
7.5.
Voor het aannemen van meer beperkingen, zoals eiser bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding. In dit verband wijst de rechtbank erop dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB de subjectieve beleving niet beslissend is bij beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen, maar dat alleen de medisch te objectiveren beperkingen van belang zijn. [2] De rechtbank oordeelt dat er geen informatie is overgelegd waaruit blijkt dat er op de datum in geding zwaardere beperkingen ten aanzien van zitten moeten gelden, dan door de verzekeringsarts b&b zijn aangenomen. De rechtbank kan de toelichting van de verzekeringsarts b&b hierover volgen en sluit zich daarbij aan. Niet is gebleken dat in de FML de beperkingen van eiser zijn onderschat.
7.6.
Volgens de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid kan de verzekeringsarts de duurbelastbaarheid beperken op grond van de volgende indicatiegebieden:
  • stoornis in de energiehuishouding: als er wegens een aandoening extra recuperatieperiodes nodig zijn;
  • preventief: bij een aandoening waarvan bekend is dat ziekteverschijnselen optreden of verergeren;
  • verminderde beschikbaarheid: als de betrokkene wegens een noodzakelijke behandeling niet in staat is arbeid te verrichten.
Door eiser is aangevoerd dat er in ieder geval op preventieve gronden een urenbeperking moet worden aangenomen. Op zitting is door eiser bevestigd dat dit ziet op de fistel klachten. Door de verzekeringsarts b&b is in de rapportage uitvoerig ingegaan op de fistel klachten en heeft zij toegelicht waarom er geen urenbeperking is aangenomen. De rechtbank kan deze motivering volgen. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
7.7.
Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank uit van de belastbaarheid zoals die is neergelegd in de FML van 10 september 2024.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041), samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180). Als reservefunctie zijn geduid: textielproductenmaker (excl. Vervaardigen textiel) (SBC-code 111160) en wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053).
Op zitting is door eiser aangegeven dat hij zich vier keer per dag moet verschonen en dat dit gelet op de hygiëne niet kan in de geduide functies. De rechtbank overweegt dat uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat het operatiegebied goed gereinigd moet worden en dat na een operatie leefregels gelden. De verzekeringsarts b&b heeft echter geen aanleiding gezien om hiervoor aanvullende beperkingen aan te nemen en er is door eiser ook geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat dit wel zou moeten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8.1.
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. De hiervoor genoemde functies mochten dus worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
9.1.
Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht beëindigd per 5 juni 2025.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd. Omdat het beroep ongegrond is verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier, op 24 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1524.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van CRvB van 24 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1510.