ECLI:NL:RBZWB:2026:5638

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/3753
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 5.18 OwArt. 16.15a OwArt. 16.15b OwArt. 16.16 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning voor bouwen van twee woningen wegens onvoldoende motivering en beperking bedrijfsuitbreiding

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand heeft verleend voor het splitsen van percelen en het bouwen van twee woningen in afwijking van het omgevingsplan. Eisers voerden onder meer aan dat het participatietraject onvoldoende was, dat de woningen de planologische mogelijkheden van hun bedrijf zouden beperken en dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat de woningen inpasbaar zijn binnen de milieuzonering en het woon- en leefklimaat.

De rechtbank oordeelde dat het college geen bindend advies van de gemeenteraad hoefde te vragen en dat het participatietraject redelijkerwijs voldoende was verlopen. Wel stelde de rechtbank vast dat het college onvoldoende had gemotiveerd voor welke specifieke planregels toestemming was verleend en dat niet was aangetoond dat de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van eisers niet onevenredig worden beperkt. Ook ontbrak een volledige motivering over de toetsing aan alle relevante planregels.

De rechtbank concludeerde dat het college onvoldoende had onderbouwd dat het bouwplan in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, met name vanwege de mogelijke beperking van de bedrijfsuitbreiding. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op een nieuw besluit te nemen binnen de wettelijke termijn. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en onvoldoende onderbouwing van de gevolgen voor bedrijfsuitbreiding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: 25/3753

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand, het college.
Als vergunninghouders nemen aan de zaak deel:
1.
[vergunninghouders 1], uit [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),
2.
[vergunninghoudster 2] ,uit [woonplaats] .

Inleiding

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 26 juni 2025, over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het in afwijking van het omgevingsplan splitsen van twee percelen aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] en het bouwen van twee woningen op die afgesplitste percelen aan de [straat] .
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Namens eisers waren hun gemachtigde en hun dochter aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] . Vergunninghouders 1 waren samen met hun gemachtigde aanwezig. Vergunninghoudster 2 was ook aanwezig.
De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

1. De feiten
1.1
Eisers wonen aan de [adres 3] in [woonplaats] en zijn eigenaar van het bedrijfspand aan de [adres 4] en [adres 5] in [woonplaats] . Zij exploiteren daar een meubelstoffeerderij. Vergunninghouders wonen aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] .
1.2
Vergunninghouders hebben een deel van hun percelen (kadastrale nummers [nummer 1] en [nummer 2] ) afgesplitst en zijn voornemens om twee woningen te bouwen op de afgesplitste delen (nieuwe kadastrale nummers [nummer 3] en [nummer 4] ) aan de [straat] in [woonplaats] . Dit zijn bungalows met een plat dak en een oppervlakte van ongeveer 120 – 130 m2.
1.3
Vergunninghouders hebben daar op 11 maart 2024 een omgevingsvergunning voor aangevraagd.
1.4
Het college heeft die omgevingsvergunning op 20 december 2024 verleend, voor een omgevingsplanactiviteit (primair besluit).
1.5
Eisers hebben daar bezwaar tegen gemaakt op 7 januari 2025.
1.6
Bij bestreden besluit heeft het college dat bezwaar gegrond verklaard. Het college heeft het primair besluit herroepen en heeft een nieuwe omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend.
1.7
Eisers hebben daar op 30 juli 2025 beroep tegen ingesteld.
2. Wettelijk kader
2.1
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2.2
De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. [1] Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige (‘zonder onevenredige gevolgen voor de fysieke leefomgeving’) toedeling van functies aan locaties. [2]
2.3
In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit is een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. [3] Een omgevingsvergunning voor een dergelijke buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. [4]
2.4
Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Loon op Zand onder andere uit ‘een tijdelijk deel’. [5] Dat tijdelijk deel wordt gevormd door de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op de percelen van toepassing was. [6] Dit was in ieder geval de ‘Beheersverordening Woongebieden [woonplaats] ’. Daaruit blijkt dat aan de percelen de functie ‘Wonen’ is toegekend. Dat tijdelijk deel wordt daarnaast gevormd door de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat). [7]
3. De omgevingsvergunning
3.1
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het college heeft toestemming verleend voor het – in afwijking van het omgevingsplan – bouwen (en daarmee toevoegen) van twee woningen op het achtererf van de percelen aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] , met een ontsluiting aan de [straat] .
3.2
Uit het bestreden besluit blijkt dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend voor het afwijken van het omgevingsplan. Volgens het college is die afwijking in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. Gronden
4.1
Eisers hebben aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit ten onrechte heeft verleend. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben zij de volgende argumenten aangevoerd.
4.2
Volgens eisers is het participatietraject niet correct verlopen. Zij konden niet aanwezig zijn op de informatiebijeenkomst en hebben per e-mail en brief een reactie op de bouwplannen gestuurd naar het college en naar vergunninghouders. Er is geen inhoudelijke reactie gevolgd en de zorgen en bezwaren van eisers zijn volledig genegeerd.
4.3
Eisers vrezen dat zij in de toekomst als gevolg van de aanwezigheid van de woningen zullen worden beperkt in hun planologische mogelijkheden ten aanzien van het bedrijf aan de [adres 4] . Als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning zal niet worden voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-Brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Daarin staat dat voor bedrijven in milieucategorie 3.1 een richtafstand geldt van 50 meter ten opzichte van omliggende woningen. De afstand tussen de woningen en het bedrijf van eisers is slechts achttien meter. Het college heeft volgens eisers onvoldoende gemotiveerd dat de woningen wat betreft de milieuzonering inpasbaar zijn. De richtafstanden zijn van belang voor de aspecten geluid, geur, stof en gevaar. In het bestreden besluit ontbreekt elke onderbouwing over de vraag of ten aanzien van de aspecten geur, stof en gevaar wordt voldaan aan een goede milieuzonering. Het college heeft ten aanzien van het aspect geluid niet heeft kunnen verwijzen naar een memo van de Omgevingsdienst Midden en West-Brabant (OMWB) en een onderzoek van [adviesbureau 1] van 28 mei 2025. De memo van de OMWB is niet navolgbaar. Uit de uitgangspunten blijkt dat de OMWB gebruik heeft gemaakt van het akoestisch model van het onderzoek van [adviesbureau 2] , zonder dat daarin wijzigingen zijn aangebracht. Uit de memo blijkt echter ook dat in het rekenmodel kavelbronnen en nieuwe rekenpunten zijn ingevoegd. Er zijn dus wel degelijk aanpassingen, wat in tegenspraak is met de aangegeven uitgangspunten. In de memo wordt ook ten onrechte gesteld dat sprake is van een gemengd gebied, omdat sprake is van een rustige woonwijk. Behalve de bedrijfslocatie van eisers bevinden zich in de omgeving geen andere bedrijfslocaties. Het is ook niet duidelijk in hoeverre in de onderzoeken rekening wordt gehouden met de intensieve bedrijfsvoering die volgens het omgevingsplan mogelijk is aan de [adres 4] . De bedrijfsvoering kan extra worden beperkt. In de bestaande situatie zijn aan de noordzijde van de bedrijfslocatie geen woningen of andere gevoelige functies aanwezig. Dit betekent dat het mogelijk is om eventuele bedrijfshinder veroorzakende activiteiten richting de achtertuinen van de [adres 1] en [adres 2] te verplaatsen. Dit wordt beperkt door de bouw van de woningen. [8] Met het onderzoek van [adviesbureau 1] heeft het college verder geen rekening kunnen houden, omdat dit onderzoek in opdracht van vergunninghouders is uitgevoerd en niet is goedgekeurd door de OMWB.
4.4
Volgens eisers is ter zake van de woningen ook geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, omdat op basis van het omgevingsplan bebouwing van negen meter hoog is toegestaan aan de [adres 4] . Als van deze planologische mogelijkheden gebruik wordt gemaakt, leidt dat tot schaduwwerking en privacy problemen bij de woningen.
5. Bindend advies
5.1
In artikel 16.16 van de Ow is bepaald dat het college in een aantal gevallen slechts tot vergunningverlening mag overgaan als andere bestuursorganen een instemmend advies hebben gegeven. Artikel 16.15a, onder b, onder 1, van de Ow bepaalt dat de gemeenteraad – bij een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning – als adviseur geraadpleegd moet worden in de door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 16.15b van de Ow staat dat het advies van de gemeenteraadraad door het college in acht moet worden genomen. Dit artikel laat geen ruimte voor het college om anders te beslissen dan conform het advies van de gemeenteraad.
5.2
Als een college ten onrechte de raad niet om advies vraagt, ontbreekt de bevoegdheid van het college om op de vergunningaanvraag te beslissen. Gelet daarop dient de rechtbank steeds ambtshalve te beoordelen of het in artikel 16.15a, onder b, onder 1 bedoelde aanwijzingsbesluit voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in een concreet geval noopt tot een adviesrecht van de gemeenteraad. [9]
5.3
De rechtbank stelt ambtshalve vast dat voor het verlenen van deze omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit geen bindend advies was vereist van de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft de gevallen waarvoor een bindend advies is vereist vastgesteld in de ‘Lijst voor verzwaard adviesrecht, uitgebreide procedure en verplichte participatie’. Het college heeft redelijkerwijs kunnen besluiten dat voor het bouwplan van vergunninghouders op grond van die lijst geen bindend advies is vereist. De rechtbank is niet gebleken dat het bouwplan van vergunninghouders onder één van de daarin genoemde categorieën valt. Uit de lijst blijkt meer specifiek dat de gemeenteraad een bindend advies bij woningbouwprojecten binnen stedelijk gebied pas nodig acht, wanneer het gaat om de bouw van meer dan twintig woningen. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu het in dit geval gaat om twee woningen.
6. Afwijkingen van het omgevingsplan
6.1
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende met welke bepalingen uit het omgevingsplan het initiatief in strijd is en voor welke afwijkingen van het omgevingsplan toestemming is verleend. De rechtbank heeft dit ambtshalve getoetst, omdat dit de bevoegdheid van het college raakt.
6.2
In het bestreden besluit staat dat het bouwplan afwijkt van het omgevingsplan, omdat niet wordt voldaan aan de daarvan onderdeel uitmakende bouwregels uit de beheersverordening Woongebieden [woonplaats] . Het bouwplan wijkt volgens het bestreden besluit af van die bouwregels, omdat de woningen worden uitgevoerd met een plat dak en omdat ze vrijstaand zijn, zonder drie meter afstand te houden van de naastgelegen perceelsgrenzen. Uit het bestreden besluit blijkt niet van welke specifieke bouwregels wordt afgeweken. De rechtbank gaat ervanuit dat het college heeft bedoeld om toestemming te verlenen voor het afwijken van artikel 18.2.1, onder b, artikel 18.2.2, onder c en artikel 18.2.2. onder d van de planregels. Uit artikel 18.2.1, onder b, van de planregels volgt dat een vrijstaande woning uitsluitend is toegestaan, wanneer aan het perceel de aanduiding ‘vrijstaand’ is toegekend. Die aanduiding is niet aan de delen van de percelen toegekend, waarop de woningen gerealiseerd zullen gaan worden. In artikel 18.2.2, onder c, van de planregels staat dat hoofdgebouwen dienen te zijn voorzien van een kap, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan 65°. In artikel 18.2.2, onder d, van de planregels staat dat de afstand van een vrijstaande woning of een blok met aaneengebouwde woningen tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder mag bedragen dan drie meter.
6.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat door middel van de omgevingsvergunning toestemming is verleend voor alle planregels waarmee het bouwplan in strijd is. Uit artikel 5.7, eerste lid, van de Ow volgt dat een aanvraag om een omgevingsvergunning in ieder geval moet zien op één activiteit. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever niet bedoeld kan hebben dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt verleend voor slechts een deel van de planregels waarmee het project in strijd is. Als een omgevingsvergunning wordt verleend voor een omgevingsplanactiviteit impliceert dat dat toestemming wordt verleend voor alle punten waarmee een project in strijd is met het omgevingsplan. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat voor de hiernavolgende strijdigheden met het omgevingsplan toestemming is verleend en dat het college dus ten aanzien van die afwijkingen heeft getoetst aan de relevante beoordelingsregels:
  • in artikel 18.2.2, onder a, van de planregels staat dat gebouwen binnen het bouwvlak zijn toegestaan. Op de delen van het perceel waarop de woningen gebouwd zullen worden, is geen bouwvlak ingetekend;
  • het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt op dit moment ook gevormd door de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat).
- verder voorziet het bouwplan ook in het realiseren van een uitweg van de beoogde woningen naar de [straat] . Uit artikel 2:12 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en artikel 22.8 van de Ow volgt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Dat betekent dat ook dat verbod nu wordt gezien als een omgevingsplanactiviteit. In het bestreden besluit heeft het college niet gemotiveerd dat is getoetst of wordt voldaan aan de daarvoor gestelde beoordelingsregels in de APV.
6.4
De rechtbank is van oordeel dat het college op zitting voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Loon op Zand 2019, wonen’ dat ook als onderdeel van het omgevingsplan op de percelen van toepassing is. Uit de toelichting op het parapluplan en de toelichting van het college op zitting blijkt dat het de bedoeling van de planwetgever is geweest om in het parapluplan regels te stellen met als doel het voorkomen dat arbeidsmigranten worden gehuisvest op plaatsen waar het college en de raad dat ruimtelijk niet wenselijk vinden. Gelet daarop acht de rechtbank de regels uit het parapluplan voor deze zaak niet relevant, nu het in deze zaak niet gaat om huisvesting van arbeidsmigranten.
7. Participatie
7.1
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. Als dat het geval is, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. [11] Het is primair de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om hier een adequate vorm voor te kiezen, afhankelijk van de aard van het project en de daarbij betrokken maatschappelijke belangen en belangen van derden. Hierover zal in de aanvraag van de omgevingsvergunning vervolgens een verantwoording moeten plaatsvinden, zodat het voor de betrokken vergunning bevoegde gezag inzicht heeft in het participatieproces dat aan de aanvraag is voorafgegaan. [12] De aanvrager is niet verplicht om dergelijke derde-belanghebbenden en overige geïnteresseerden bij de voorbereiding van de aanvraag te betrekken, maar is wel verplicht om aan te geven of zij al dan niet betrokken zijn. Het enkele feit dat bij de aanvraag is aangegeven dat er geen participatie heeft plaatsgevonden, kan niet resulteren in het besluit om de aanvraag niet te behandelen en kan evenmin een reden zijn voor het weigeren van de vergunning. [13]
7.2
Het uitgangspunt onder de Ow is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar dat de gemeenteraad gevallen kan aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is. [14] Criteria hiervoor zijn niet in de Ow opgenomen. Uit dezelfde lijst als genoemd in overweging 5.3 van deze uitspraak blijkt dat dit project niet is aangewezen.
7.3
De rechtbank is van oordeel dat het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten dat vergunninghouders – door het overleggen van een omgevingsdialoog – voldoende inzichtelijk hebben gemaakt wie bij de voorbereiding van de aanvraag is betrokken, hoe die personen zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Uit de omgevingsdialoog blijkt dat een informatiebijeenkomst is georganiseerd en dat eisers daar ook voor zijn uitgenodigd. Daar zijn verschillende omwonenden verschenen. Dat eisers daar niet bij aanwezig konden zijn, kan niet leiden tot de vaststelling dat er geen participatie heeft plaatsgevonden. Dat de inbreng van eisers niet van beslissende betekenis is geweest, maakt die conclusie ook niet anders. Met participatie wordt niet beoogd om unanieme steun of draagvlak onder alle omwonenden te verkrijgen. Het doel van participatie is om burgers in een vroegtijdig stadium te betrekken bij de besluitvorming, maar participatie gaat dus niet zó ver dat de inbreng van omwonenden vervolgens ook van beslissende betekenis is. Participatie kan het draagvlak bij de burger zeker vergroten, maar heeft dus niet automatisch tot gevolg dat dit ook leidt tot een voor alle omwonenden wenselijke beslissing. Daarbij komt ook dat er geen wettelijke regel is die bepaalt dat een ontwikkeling alleen doorgang kan vinden als daarvoor voldoende draagvlak bij omwonenden bestaat. Dat het college na de door eisers naar voren gebrachte bezwaren geen aanleiding heeft gezien zijn standpunt over de voorgenomen ontwikkeling te wijzigen, maakt niet dat gezegd kan worden dat de participatie onvoldoende was. [15]
8. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
8.1
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. [16]
8.2
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
8.3
Tussen partijen is in geschil of het initiatief in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Meer specifiek is in geschil of het bedrijfsklimaat van eisers (de mogelijkheden om het bedrijf te exploiteren en uitbreidingsmogelijkheden) wordt aangetast als gevolg van de aanwezigheid van de woningen.
8.4
Het relativiteitsvereiste staat naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan de door eisers aangevoerde beroepsgronden, omdat zij geconfronteerd kunnen worden met klachten dan wel handhavingsverzoeken als de toekomstige bewoners overlast ervaren van de exploitatie van het bedrijf van eisers.
8.5
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat aangesloten kan worden bij de Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (hierna: Handreiking) om te beoordelen of ter plaatse van de toekomstige woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of een bedrijf de bedrijfsactiviteiten kan uitvoeren binnen aanvaardbare voorwaarden. Gelet daarop heeft het college redelijkerwijs kunnen aansluiten bij die Handreiking bij het beoordelen of sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. [17] Deze Handreiking geeft richtafstanden aan die moeten worden gehanteerd tussen aan de ene kant de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en aan de andere kant de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het omgevingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. [18]
8.6
Tussen partijen is niet in geschil dat de woningen binnen de relevante richtafstanden uit de Handreiking worden gerealiseerd ten opzichte van het bedrijf van eisers. Het standpunt van het college is dat – ondanks dat de richtafstanden uit de Handreiking niet worden gehaald – geen sprake is van een onaanvaardbare beperking van de uitoefening of uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van eisers of een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen.
8.7
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van eisers niet onevenredig worden beperkt als gevolg van het bestreden besluit. Daarvoor is van belang dat aan de [adres 4] en [adres 5] de functie ‘bedrijf’ is toegekend in het omgevingsplan. De gevel van de woning aan de [adres 3] ligt op kortere afstand van het perceel aan de [adres 4] , dan dat de woningen zullen worden gerealiseerd. De gevel van de woning aan de [adres 3] ligt echter niet op kortere afstand van het perceel aan de [adres 5] , dan de woningen zullen worden gerealiseerd. De afstand tussen dat deel van de bedrijfsfunctie en de woning aan de [adres 3] is ongeveer 26 meter. De afstand tussen dat deel van de bedrijfsfunctie en de te realiseren woningen is ongeveer tien meter. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met woningen die volgens het omgevingsplan vergunningvrij kunnen worden gerealiseerd. In het verweerschrift schrijft het college ten onrechte dat tussen het bedrijf van eisers aan de [adres 5] en de te realiseren woningen vergunningvrij mantelzorgwoningen gebouwd kunnen worden, waardoor de uitbreidingsmogelijkheden van eisers volgens het college in het huidige planologische regime al worden beperkt.
Uit artikel 18.3.1 en 18.5.2 van de planregels blijkt dat voor het realiseren van een mantelzorgwoning een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist voor het afwijken van de bouwregels uit het omgevingsplan. Onder die omstandigheden heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat de uitbreidingsmogelijkheden van eisers al worden beperkt door het huidige planologische regime en dat het bestreden besluit daar geen wijziging in brengt.
8.8
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het college wel voldoende heeft gemotiveerd dat de toekomstige bewoners van de twee beoogde woningen geen onevenredige overlast zullen ervaren van de huidige exploitatie van het bedrijf van eisers. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
8.9
In het bestreden besluit heeft het college voldoende gemotiveerd dat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geuroverlast, omdat uit een geurkaart van de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant blijkt dat ter plekke van het plangebied sprake is van een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving met betrekking tot geur. Eisers hebben ook niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat hun bedrijfsactiviteiten leiden tot waarneembare geur ter plaatse van de beoogde woningen.
8.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ook voldoende gemotiveerd dat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare stofoverlast. Uit bijlage 2 bij de omgevingsvergunning blijkt dat de ruimtelijke onderbouwing onderdeel is van dat besluit. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat ter plaatse van de beoogde woningen wordt voldaan aan de grenswaarden voor fijnstof. Artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat voor de bescherming van de gezondheid van de mens voor zwevende deeltjes (PM10) als grenswaarde geldt: ‘40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie’ en ‘50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden’. Uit de kaarten ‘actuele concentratie fijnstof (PM10) en ‘Fijnstof 2024 (PM10)’ uit de Atlas leefomgeving [19] blijkt dat daar ter plaatse van de woningen aan wordt voldaan. De exploitatie van het bedrijf van eisers is daarin verdisconteerd. Artikel 2.5, tweede lid, onder a, van het Bkl bepaalt daarnaast dat voor de bescherming van de gezondheid van de mens voor zwevende deeltjes (PM2,5) als richtwaarde geldt: 25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Uit de kaarten ‘actuele concentratie fijnstof (PM 2,5)’ en ‘Fijnstof 2024 (PM2,5) ‘blijkt dat ter plaatse van de woningen ook wordt voldaan aan die bepaling. De exploitatie van het bedrijf van eisers is ook daarin verdisconteerd. Gelet daarop acht de rechtbank niet aannemelijk dat de toekomstige bewoners onaanvaardbare gevolgen van stof of fijnstof zullen ondervinden als gevolg van het bedrijf van eisers.
8.11
Het college heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat de ontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid verantwoord wordt geacht. Uit bijlage 2 bij de omgevingsvergunning blijkt dat de ruimtelijke onderbouwing en het rapport ‘Onderzoek externe veiligheid, [adres 1] - [adres 2] te [woonplaats] ’ van [adviesbureau 2] van 22 oktober 2021 onderdeel zijn van het besluit. Uit die stukken blijkt welke bronnen een risico kunnen vormen voor de omgevingsveiligheid. Uit het onderzoek blijkt dat er gelet op de afstand tussen de beoogde woningen en die bronnen – meer dan vijftien meter – geen belemmeringen bestaan en dat de ontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid verantwoord wordt geacht. Het huidige bedrijf van eisers is niet als dergelijke risicobron is aangemerkt. Eisers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat dit onjuist zou zijn.
8.12
De rechtbank is verder van oordeel dat het college ook voldoende heeft gemotiveerd dat de toekomstige bewoners geen onaanvaardbare geluidsoverlast zullen ervaren als gevolg van de huidige exploitatie van het bedrijf van eisers. In het ‘Onderzoek industrielawaai’ van [adviesbureau 2] van 29 juli 2024 is geconcludeerd dat het geluidsniveau als gevolg van die exploitatie voldoet aan de geluidswaarden uit de Handreiking. In de bezwaarprocedure is nader onderzocht of de maximale planologische mogelijkheden op de percelen aan de [adres 4] en [adres 5] zouden leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de toekomstige woningen. In de ‘Notitie geluid’ van de OMWB van 8 mei 2025 en in het rapport ‘Maximale planologische invulling categorie 3.1 bedrijfsbestemming vanwege woningontwikkeling op de kavels [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats] ’ van [adviesbureau 1] van 28 mei 2025’ wordt geconcludeerd dat de gemeten waarden voldoen aan de geluidrichtwaarden uit de Handreiking en de geluidswaarden uit de bruidsschat. De argumenten die eisers hebben aangevoerd maken dat oordeel niet anders. De rechtbank is niet gebleken dat de Notitie geluid van de OMWB niet navolgbaar zou zijn. Uit die notitie blijkt dat is gerekend met een model uit het akoestisch onderzoek van 29 juli 2024. Uit de notitie blijkt niet dat daar kavel- of puntbronnen aan zijn toegevoegd. De OMWB heeft ook redelijkerwijs uit kunnen gaan van een gemengd gebied, omdat sprake is van een functiemenging van bedrijven en wonen. Eisers stellen ten onrechte dat in de omgeving geen andere bedrijfslocaties aanwezig zijn.
9. Conclusie
9.1
Zoals is overwogen onder 6.3 heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat door middel van de omgevingsvergunning toestemming is verleend voor alle planregels waarmee het bouwplan in strijd is. Daarnaast heeft de rechtbank onder 8.7 overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van eisers niet onevenredig worden beperkt door het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Er is geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan college is om opnieuw te beslissen op het bezwaar van eisers, met inachtneming van deze uitspraak en binnen de wettelijke daarvoor geldende termijn. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar verwachting geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.
9.2
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
9.3
Het college zal daarnaast worden veroordeeld in de door eisers gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

De beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak en binnen de daarvoor geldende wettelijke beslistermijn;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eisers van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader
Omgevingswet (Ow)
Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.18, eerste lid, van de Ow
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
Artikel 22.1 van de Ow
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet,
de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet,
de regels waarvoor op grond van artikel 22.2, eerste lid, is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan.
Artikel 22.2 van de Ow
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat regels die voor de inwerkingtreding van deze wet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels al dan niet tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan.
Artikel 22.8 van de Ow
Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Artikel 8.0a van het Bkl
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Invoeringsbesluit Omgevingswet (Invoeringsbesluit Ow)
In artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Ow staat de bruidsschat opgenomen. Een bouwactiviteit wordt in artikel 1.1 van die regels gedefinieerd als een activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk.
Artikel 22.26 van artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Ow
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Loon op Zand (APV)
Artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de APV
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:
een uitweg te maken naar de weg;
van de weg gebruikt e maken voor het hebben van een uitweg;
veranderingen te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:
de bruikbaarheid van de weg;
het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
de bescherming van het uiterlijk van de omgeving;
e bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
Omgevingsplan
Artikel 18.1, onder a, van de Beheersverordening Woongebieden [woonplaats]
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen.
Artikel 18.2.1, onder b, van de Beheersverordening Woongebieden [woonplaats]
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende algemene regels: hoofdgebouwen dienen gebouwd te worden overeenkomstig de bouwwijze zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding. Voor de aanduiding ‘Vrijstaand’ geldt de bouwwijze ‘vrijstaande gebouwen’.
Artikel 18.2.2, onder a, van de Beheersverordening Woongebieden [woonplaats]
Binnen het bouwvlak zijn gebouwen en daarbij behorende bouwwerken toegestaan.
Artikel 18.2.2, onder c, van de Beheersverordening Woongebieden [woonplaats]
Hoofdgebouwen dienen voorzien te zijn van een kap, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan 65°, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'plat dak', waar hoofdgebouwen met een plat dak dienen te worden afgedekt.
Artikel 18.2.2, onder d, van de Beheersverordening Woongebieden [woonplaats]
De afstand van een vrijstaande woning of een blok met aaneengebouwde woningen tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m. Indien de bestaande afstand van vrijstaande woningen tot de zijdelingse perceelsgrens minder bedraagt dan 3 m, dan geldt deze bestaande afstand als minimale afstand.
Artikel 18.3.1 van de beheersverordening Woongebieden [woonplaats]
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 18.2 voor het in het kader van mantelzorg realiseren van een afhankelijke woonruimte, bestaande uit een slaapkamer met natte cel op de begane grond (levensloopbestendig bouwen), mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
aangetoond is, dat de toepassing van de onder 18.2 genoemde bouwmogelijkheden onvoldoende ruimte biedt om een extra slaapkamer en een natte cel op de begane grond te realiseren;
het perceel wordt door maximaal één gezin bewoond;
het oppervlak van deze voorziening mag niet meer bedragen dan 30 m²;
het totaal van de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen, voor zover gelegen binnen het deel van het bouwperceel ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’, mag niet meer bedragen dan 85 m²;
de bouw van de afhankelijke woonruimte mag niet tot gevolg hebben dat het deel van het bouwperceel ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ voor meer dan 50% wordt bebouwd;
de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan 3 m respectievelijk 4 m;
de bouwhoogte van plat afgedekte bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3,2 m;
er vindt geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundige straatbeeld plaats;
er ontstaat stedenbouwkundig en architectonisch een evenwichtig geheel met het op het perceel aanwezige hoofdgebouw en er wordt ook een evenwichtige afstemming gevonden ten opzichte van de zich op het perceel bevindende vrijstaande gebouwen;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen niet onevenredig worden aangetast, met dien verstande dat met name de bezonning van belendende percelen niet onevenredig wordt geschaad.
Artikel 18.5.2 van de beheersverordening Woongebieden [woonplaats]
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 18.4 voor het bewonen van een vrijstaand bijgebouw, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
een dergelijke bewoning is noodzakelijk vanuit een mantelzorg;
de zorgbehoefte dient te worden aangetoond middels een CIZ of GGD-verklaring of een verklaring van de behandelend arts;
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en bedrijven;
e afhankelijke woonruimte wordt ingepast binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen;
de bewoning vindt plaats op een vloeroppervlakte van maximaal 85 m²;
de omgevingsvergunning wordt verleend voor het verlenen van mantelzorg door (mantelzorgverlener) ten behoeve van (mantelzorgontvanger);
binnen één maand na beëindiging van de zorgvraag dient het gebruik van het bijgebouw als afhankelijke woonruimte ten behoeve van de mantelzorg te worden beëindigd en dit dient schriftelijk gemeld te worden aan het bevoegd gezag;
binnen drie maanden na het beëindigen van het gebruik van het bijgebouw als afhankelijke woonruimte ten behoeve van de mantelzorg dient dit bijgebouw door het verwijderen van de essentiële woonvoorzieningen ongeschikt te worden gemaakt voor bewoning;
binnen drie maanden na het beëindigen van het gebruik van de afhankelijke woonruimte ten behoeve van de mantelzorg dient het bijgebouw weer overeenkomstig de bestemming te (kunnen) worden gebruikt.
Artikel 4, onder b van het bestemmingsplan Parapluherziening Loon op Zand 2019, wonen.
Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen.

Voetnoten

1.Artikel 2.4 van de Omgevingswet (Ow).
2.Artikel 4.2, eerste lid, van de Ow.
3.Artikel 1.1, eerste lid, van de Ow in samenhang met de bijlage bij de Ow.
4.Artikel 5.18, eerste lid, van de Ow in samenhang met artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.
5.Artikel 22.1 van de Ow.
6.Artikel 22.1, onder a en b, van de Ow.
7.Artikel 22.1, onder c, in samenhang met artikel 22.2, eerste lid, van de Ow.
8.ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3706.
9.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9135.
10.Artikel 22.1, onder c, in samenhang met artikel 22.2, eerste lid, van de Ow.
11.Artikel 7.4, van de Omgevingsregeling en artikel 16.55, tweede en zesde lid, van de Ow.
13.Tekst en commentaar op artikel 16.55, zesde lid, van de Ow.
14.Artikel 16.55, zevende lid, van de Ow.
15.Zie ook: Rechtbank Gelderland 11 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2126, r.o. 21.5 en Rechtbank Noord-Holland 5 maart 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3117, r.o. 5.2.
16.Artikel 5.18, eerste lid, van de Ow en artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.
17.ABRvS 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4056, r.o. 4.6.
18.ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2082, r.o. 14.1.