ECLI:NL:RBZWB:2026:5646

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/2376
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8 Wet basisregistratie personenArt. 2.58 Wet basisregistratie personenArt. 3:2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing rectificatieverzoek registratie huwelijk en geboorte in Basisregistratie Personen

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Tilburg om zijn huwelijk en de geboorte van zijn kinderen in de Basisregistratie Personen (Brp) te registreren. Hij overhandigde hiervoor documenten uit Guinee, waaronder uittreksels van huwelijks- en geboorteakten. Het college weigerde deze documenten als brondocumenten te erkennen, mede op basis van een onderzoek van het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), dat concludeerde dat de documenten waarschijnlijk niet bevoegd waren opgemaakt en mogelijk frauduleus waren.

Eiser maakte bezwaar en leverde aanvullende documenten aan, maar het college handhaafde het besluit. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het college terecht uitging van het deskundigenonderzoek van Bureau Documenten. De rechtbank vond dat het college aan zijn vergewisplicht had voldaan en dat eiser onvoldoende gemotiveerd had betwist dat de documenten authentiek zijn.

De rechtbank verwierp het beroep en verklaarde het ongegrond, waardoor het besluit tot afwijzing van het rectificatieverzoek in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn rectificatieverzoek in de Basisregistratie Personen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2376

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Faber),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om zijn gegevens in de Basisregistratie personen (hierna: Brp) te wijzigen. Het college heeft zijn verzoek afgewezen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het rectificatieverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het rectificatieverzoek van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de rectificatie van zijn gegevens zoals die zijn opgenomen in de Brp. Eiser heeft verzocht om zijn huwelijk en de geboorte van zijn kinderen in de Brp te registreren. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, onder aanvulling van de motivering.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde en daarnaast een begeleider [persoon] . Namens het college was mr. M. van Gansen aanwezig.
2.4.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Op 10 december 2021 heeft eiser het college verzocht om zijn gegevens in de Brp te wijzigen. Bij de indiening van het rectificatieverzoek heeft eiser de volgende documenten uit de Republiek Guinee (hierna: Guinee) overgelegd:
- een uittreksel van de huwelijksakte (volet 1), [nummer 1] , opgemaakt en afgegeven op 2 november 2014 in [plaats 1] (Guinee);
- een uittreksel van de geboorteakte (volet 1), [nummer 2] , opgemaakt en afgegeven op 31 oktober 2016 in [plaats 1] (Guinee), betrekking hebbende op [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [plaats 2] (Guinee);
- een uittreksel van de geboorteakte (volet 1), [nummer 3] , opgemaakt en afgegeven op 13 november 2018 in [plaats 1] (Guinee), betrekking hebbende op [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [plaats 2] (Guinee);
- gewaarmerkte kopieën van bovengenoemde uittreksels.
3.2.
Bij besluit van 21 juli 2023 heeft het college geweigerd de overgelegde documenten aan te merken als brondocument in de zin van artikel 2.8 van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp). Als gevolg van deze weigering, heeft het college het rectificatieverzoek afgewezen. Het college heeft zich voor dit besluit gebaseerd op het onderzoek van het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 1 mei 2023. Het Bureau Documenten heeft in haar verklaring van onderzoek geconcludeerd dat het uittreksel van de huwelijksakte en het uittreksel van de geboorteakte van [minderjarige 1] hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Ten aanzien van het uittreksel van de geboorteakte van [minderjarige 2] concludeert Bureau Documenten dat dit document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Voorts concludeert het Bureau Documenten dat de gewaarmerkte kopieën van deze documenten hoogstwaarschijnlijk frauduleus zijn verkregen.
3.3.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiser heeft hierbij een aantal aanvullende documenten aangeleverd.
3.4.
Op 17 oktober 2024 heeft een hoorzitting bij de Commissie voor de Bezwaarschriften van de gemeente Tilburg plaatsgevonden.
3.5.
Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft het primaire besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geding
4. Het geschil dat aan de rechtbank is voorgelegd, beperkt zich tot de vraag of het college op goede gronden heeft besloten om het verzoek om gegevens in de Brp te wijzigen, af te wijzen.

Wettelijk kader

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) moet voorop worden gesteld dat de gegevens in de Brp duidelijk en betrouwbaar moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. [1]
5.1.
Op grond van artikel 2.58 van de Wet brp kan een verzoek worden gedaan om de gegevens in de Brp te wijzigen, een rectificatieverzoek. Omdat de Brp in het maatschappelijk verkeer een belangrijke functie vervult, kunnen eenmaal in de Brp geregistreerde gegevens niet zomaar worden gewijzigd. Het bewijs dat in de Brp opgenomen gegevens onjuist zijn, kan door een belanghebbende alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten.
5.2.
Voor de gegevens over de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever in artikel 2.8 van de Wet brp een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. De in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder a tot en met e, van de Wet brp omschreven documenten zijn brondocumenten op grond waarvan bepaalde gegevens over de burgerlijke staat mogen worden opgenomen in de brp. Om als brondocument te kunnen worden aangemerkt, moet het betreffende document voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in het tweede lid van artikel 2.8 van de Wet brp. [2] Dit betekent dat in zaken over een verzoek om wijziging van persoonsgegevens in de Brp eerst de vraag moet worden beantwoord of de verzoeker brondocumenten heeft weten over te leggen die voldoen aan de eisen uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wet Brp.
5.3.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Overwegingen rechtbank
Wat heeft eiser aangevoerd in beroep?
6. Eiser voert in beroep aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van het onderzoek dat is verricht door Bureau Documenten. Volgens eiser bevat de verklaring van onderzoek tegenstrijdigheden, waardoor dat onderzoek geen uitsluitsel geeft over de vraagt of de documenten echt zijn. Eiser meent dat het college de echtheid van de overgelegde documenten had moeten verifiëren bij de bevoegde instanties van Guinee, zoals het consulaat. Eiser betoogt dat hij zelf contact heeft gehad met de consul van Guinee, waaruit is gebleken dat de aangeleverde documenten origineel zijn en dat geen sprake is van falsificaties.
Mocht het college zich baseren op de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten?
7. Eiser heeft bij de indiening van zijn verzoek tot rectificatie van de gegevens in de Brp, inhoudende registratie van zijn huwelijk en de geboorte van zijn kinderen in de Brp, een aantal documenten overgelegd. Het college heeft de overgelegde documenten, die uittreksels van aktes en kopieën van uittreksels betreffen, laten onderzoeken door Bureau Documenten van de IND. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een door het Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies is. Het college mag in daarom in beginsel uitgaan van de juistheid van het onderzoek. Als het college dergelijke verklaring van onderzoek aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij nagaan of het onderzoek op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en of de getrokken conclusies daarop aansluiten. [3] Deze verplichting, de vergewisplicht, volgt uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college aan zijn vergewisplicht voldaan. Uit de verklaring van onderzoek blijkt op welke wijze Bureau Documenten het onderzoek heeft uitgevoerd en op welke bevindingen de conclusies zijn gebaseerd. Daarnaast heeft het college hangende de bezwarenprocedure Bureau Documenten nog verzocht om een aanvullende toelichting over de afwijkingen die zijn gevonden in de opmaak en afgifte van de beoordeelde documenten. Zoals het college in het bestreden besluit op juiste gronden heeft overwogen, heeft het college hiermee aan de vergewisplicht voldaan. In de niet nader onderbouwde stelling van eiser dat de conclusies van Bureau Documenten tegenstrijdigheden bevatten, ziet de rechtbank daarom onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Bureau Documenten.
7.2.
Het ligt op de weg van eiser om de conclusies van Bureau Documenten gemotiveerd te betwisten. Eiser is hierin niet geslaagd. Zijn stelling dat het college de echtheid van de documenten had moeten laten verifiëren bij de bevoegde instanties van Guinee, volgt de rechtbank, gelet op de expertise van Bureau Documenten, niet. Daarnaast worden de conclusies van Bureau Documenten niet op basis van een onafhankelijke en deskundige analyse weerlegd of in twijfel getrokken. De enkele stelling van eiser dat hij contact heeft gehad met de consul van Guinee over de echtheid van de documenten, is onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college om het rectificatieverzoek van eiser af te wijzen in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug.
8.1.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Wet basisregistratie personen
Artikel 2.8
(…)
De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:
a. Een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;
b. Een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
c. Een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebrek daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
d. Een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
e. Een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
(…)

Artikel 2.58

Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van Pro de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.
(…)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld Afdeling 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:127 (r.o. 4).
2.Afdeling 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198 (r.o. 8.2) en Afdeling 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980.
3.Zie bijvoorbeeld Afdeling 5 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:583 (r.o. 3.1).