ECLI:NL:RBZWB:2026:5799

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
25/242
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 ParticipatiewetArt. 54 lid 1 ParticipatiewetArt. 54 lid 2 ParticipatiewetArt. 54 lid 4 ParticipatiewetArt. 3:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende medewerking inzake online gokactiviteiten

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de intrekking van de bijstandsuitkering van eiser door Orionis Walcheren. De intrekking volgde op het niet volledig verstrekken van gevraagde informatie over online gokactiviteiten en cryptovaluta, noodzakelijk voor het heronderzoek van het recht op bijstand.

Eiser voerde aan dat hij zo goed mogelijk had meegewerkt, dat de intrekking disproportioneel was vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, en dat Orionis het recht op bijstand had moeten vaststellen ondanks de schending van de inlichtingenplicht. Ook stelde hij dat hij later alsnog juiste informatie kon overleggen en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.

De rechtbank oordeelde dat eiser in verzuim was omdat hij niet alle gevraagde gegevens tijdig had verstrekt en dat hem dit te verwijten viel. De inschrijving bij het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (CRUKS) maakte het onmogelijk om achteraf alsnog de gevraagde informatie te leveren. De belangenafweging van Orionis was weliswaar summier, maar het motiveringsgebrek werd ter zitting hersteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de situatie niet vergelijkbaar was met eerdere toekenningen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de intrekking van de bijstand en veroordeelde Orionis tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens onvoldoende medewerking en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/242 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),
en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, Orionis.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de bijstandsuitkering van eiser in verband met zijn online gokactiviteiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de bijstandsuitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Orionis terecht de bijstandsuitkering van eiser heeft ingetrokken. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en onder 4 staat het standpunt van eiser. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het besluit van 1 augustus 2024 (primair besluit) heeft Orionis de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 10 juli 2024 ingetrokken.
2.1.
Met het bestreden besluit van 13 december 2024 op het bezwaar van eiser is Orionis bij de intrekking van de bijstandsuitkering gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Orionis heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en namens Orionis mr. N.M. Feijtel en [gemachtigde] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Orionis heeft met het besluit van 18 juli 2024 de bijstandsuitkering van eiser opgeschort per 13 juli 2024 en eiser in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. De gevraagde gegevens diende uiterlijk 29 juli 2024 bij Orionis binnen te zijn. Met het besluit van 1 augustus 2024 heeft Orionis de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 10 juli 2024, omdat eiser niet alle gegevens heeft gestuurd die nodig waren voor het heronderzoek. De bewijsstukken omtrent alle (online) kansspelaccounts en alle cryptovaluta en cryptoaccounts die eiser heeft, waarop de actuele waarde en de transacties van de afgelopen 3 maanden zichtbaar zijn, ontbraken nog. In afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, laat Orionis met het bestreden besluit van 13 december 2024 het besluit van 1 augustus 2024 in stand. Met dien verstande dat de intrekking per 13 juli 2024 is, de datum vanaf wanneer eiser in verzuim was. Eiser heeft namelijk, ook in bezwaar, geen volledige inzage gegeven in zijn online gokinkomsten, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Het standpunt van eiser
4. Eiser stelt primair dat niet aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat deze beroepsgrond ziet op het vraagstuk verwijtbaarheid. Eiser heeft zo goed als mogelijk de door Orionis vereiste inlichtingen verstrekt. Dit blijkt ook uit het overzicht dat eiser heeft opgesteld van de met Orionis in de bezwaarfase onderhouden contacten. Eiser heeft tevergeefs een aantal keer aangeboden om de gevraagde informatie op zijn laptop te tonen. Pas in de aanvraagfase voor een nieuwe aanvraag werd eiser uitgenodigd voor een gesprek op 9 december 2024 met de intaker en een medewerkster van de sociale recherche.
5. Subsidiair wordt aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het intrekken van bijstand is een discretionaire bevoegdheid. Orionis dient bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel rekening te houden met de omstandigheden van het geval en de omstandigheden en de (on)mogelijkheden van eiser. Orionis was bekend met het feit dat eiser gokverslaafd was. Na toekenning van de uitkering is eiser doende geweest zijn gokaccounts op te zeggen. Eiser beschikte ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ruim vijf maanden niet over inkomen. Daarnaast kan eiser niet toetreden tot de schuldhulpverlening doordat hij geen inkomen geniet. Door handhaving van het bestreden besluit komt eiser in een uitzichtloze situatie.
6. Meer subsidiair stelt eiser dat Orionis heeft verzuimd te onderzoeken hoe hoog de aanspraak op bijstand zou zijn indien de inkomsten uit gokken verrekend zouden worden met de uitkering. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] dient het bestuursorgaan, ondanks schending van de inlichtingenplicht, het recht op bijstand toch vast te stellen indien mogelijk. Eiser heeft hiertoe alle bankafschriften overgelegd zoals verzocht.
7. Tot slot stelt eiser dat hij in december 2025 kan aantonen dat hij juiste informatie heeft verstrekt aan Orionis, omdat de inschrijving bij het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (CRUKS) voor een jaar geldt. Eiser voert aan dat het inkomen in de periode van 13 juli 2024 tot 1 augustus 2024 € 107,49 bedroeg. De bijschrijving van 15 juli 2024 op het bankrekeningnummer van eiser wordt overgelegd. Na het intrekken van de uitkering werd op 19 augustus 2024 € 6,85 bijgeschreven op de bankrekening, op 22 augustus 2024 € 2,85 en bij het opheffen van zijn account van de [bedrijf] op 25 oktober 2024 € 150,86.
Waar gaat het in deze zaak (niet) over?
8. Niet in geschil is dat eiser online gokactiviteiten heeft verricht in de te beoordelen periode, die loopt van 13 juli 2024 tot 1 augustus 2024. Tevens is de rechtmatigheid van het opschortingsbesluit niet in geschil. Tussen partijen staat ter discussie of eiser in verzuim is, of hem dit kan worden verweten en of het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Ook heeft eiser een beroep gedaan op het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel.
Intrekking na opschorting
9. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet (PW) is de betrokkene verplicht gevolg te geven aan een verzoek tot medewerking aan het bestuursorgaan, tenzij de medewerking redelijkerwijs niet nodig is voor de vaststelling van het recht op bijstand of redelijkerwijs niet van de betrokkene gevergd kan worden.
10. Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW kan het bestuursorgaan, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft.
Op grond van artikel 54, tweede lid, van de PW doet het bestuursorgaan mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het bestuursorgaan na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
11. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [2] staat bij de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan – na opschorting – op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan betrokkene verleende bijstand, ter beoordeling of betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde informatie te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.
Heeft eiser de gevraagde gegevens binnen de daartoe gestelde termijn verstrekt?
12. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser in verzuim, aangezien eiser ter zitting heeft erkend dat hij niet alle opgevraagde stukken (tijdig) heeft verstrekt.
Heeft Orionis terecht geconcludeerd dat het niet verstrekken van de gegevens verwijtbaar is?
13. Het bestuursorgaan kan geen toepassing aan artikel 54, vierde lid, van de PW geven als het de belanghebbende niet is aan te rekenen dat hij geen gebruikmaakt van de mogelijkheid om zijn verzuim te herstellen. De verwijtbaarheid ontbreekt in ieder geval als het bij het herstellen van het verzuim binnen de daartoe gestelde termijn gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet (meer) van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. [3]
14. Tussen partijen is niet in geschil dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor bijstandverlening.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet over de gegevens heeft kunnen beschikken. Eiser voert weliswaar aan dat het niet mogelijk is om de gevraagde gegevens te verstrekken omdat hij niet meer kan inloggen op de verschillende goksites, maar eiser heeft er zelf voor gekozen om zich in te schrijven bij het CRUKS waardoor zijn gokaccountants en wallets niet meer in te zien zijn. Bovendien heeft deze inschrijving eerst plaatsgevonden na afloop van de gestelde hersteltermijn. Daarnaast had eiser voorafgaand aan de inschrijving een transactiehistorie van zijn accounts kunnen opvragen. Het ligt daarom in de risicosfeer van eiser dat hij geen verifieerbare administratie heeft kunnen overleggen waaruit de aard en omvang van zijn online gokactiviteiten blijken. Verder heeft eiser in het beroepschrift aangegeven dat de inschrijving bij het CRUKS voor een jaar geldt en dat hij na dit jaar, in december 2025, kan aantonen dat hij juiste informatie aan Orionis heeft verstrekt. Eiser heeft dit, ook ter zitting, niet meer aangetoond. Van een situatie waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt is dan ook geen sprake.
Evenredigheidsbeginsel
16. Subsidiair beroept eiser zich op het evenredigheidsbeginsel. De intrekking op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW is geen verplichting. Uit de tekst van die bepaling (‘kan’) volgt dat Orionis een bevoegdheid heeft om de bijstandsuitkering in te trekken. Orionis heeft een zekere beslissingsruimte. Dit brengt mee dat Orionis bij de uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking een belangenafweging moet maken. Die belangenafweging moet de toets aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen doorstaan.
16.1.
In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij een huurachterstand heeft van € 3.900,- en onder meer een schuld bij [woningcorporatie] . Het standpunt van eiser dat hij niet kan toetreden tot de schuldhulpverlening aangezien hij geen inkomen geniet, was in bezwaar nog niet opgeworpen. De rechtbank stelt vast dat Orionis een zeer summiere belangenafweging heeft gemaakt in de beslissing op bezwaar. Ter zitting heeft Orionis gesteld dat eiser zijn huurschuld niet heeft onderbouwd en niet heeft aangetoond dat hij bijstandsbehoeftig is. Het stopzetten van de bijstandsuitkering heeft niet tot grote gevolgen geleid. Dit afgewogen tegen het feit dat Orionis het gemeenschapsgeld op een rechtvaardige wijze moet besteden, maakt dat de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt. Echter, de belangenafweging had wel kenbaar in de beslissing op bezwaar moeten zijn opgenomen. Doordat Orionis eisers persoonlijke belangen, waaronder de gestelde huurachterstand, niet kenbaar heeft betrokken in de belangenafweging zoals die is opgenomen in het bestreden besluit, is sprake van een motiveringsgebrek. Ter zitting heeft Orionis nader toegelicht dat eiser ter zitting heeft bevestigd dat er geen incasso- of invorderingstraject loopt en hoewel eiser stelt dat hij overige schulden heeft, deze niet zijn geconcretiseerd en niet zijn onderbouwd. Hierin kan de rechtbank Orionis volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Orionis dan ook meer gewicht mogen toekennen aan het algemeen belang zoals in het bestreden besluit al was verwoord. Orionis heeft gezien het voorgaande het motiveringsgebrek ter zitting hersteld. Voor zover eiser zich eerst in beroep op het standpunt heeft gesteld dat de schuldhulpverlening doorkruist wordt, is dit gemotiveerd weersproken door Orionis. Ter zitting heeft eiser zelf ook bevestigd dat hij inkomsten uit arbeid heeft en € 50,- per maand aflost bij [woningcorporatie] . Bovendien heeft Orionis ter zitting hulp aangeboden, waar eiser eventueel gebruik van kan maken.
Heeft Orionis terecht besloten dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld?
17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Orionis terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De inkomsten uit gokken zijn niet duidelijk nu eiser geen volledig inzicht heeft gegeven in zijn gokaccounts en er meer bankrekeningen blijken te zijn dan hij opgeeft. Eiser heeft dit ter zitting ook niet kunnen verduidelijken. Bovendien heeft eiser, ook na opheffing van de inschrijving bij het CRUKS, de gevraagde informatie niet meer aangeleverd. Hierdoor zijn onvoldoende gegevens voorhanden om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.
Heeft Orionis het vertrouwensbeginsel geschonden?
18. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is volgens vaste rechtspraak van de CRvB [4] vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat door een bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Eiser stelt dat hij uit de eerdere toekenning van bijstand ondanks zijn online gokactiviteiten, mag afleiden dat hij ook nu recht heeft op een bijstandsuitkering.
19. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Eiser heeft niet nader gemotiveerd dan wel onderbouwd dat het gaat om een vergelijkbare situatie waardoor hij in deze situatie erop mocht vertrouwen dat hij nog steeds recht zou hebben op een bijstandsuitkering. Uit het dossier en uit de door Orionis ter zitting gegeven toelichting blijkt dat eisers inkomsten uit zijn online gokactiviteiten toentertijd zijn verrekend met zijn bijstandsuitkering. Dit wil zeggen dat, in tegenstelling tot nu, het inkomen dan wel het recht op bijstand toen wel vastgesteld kon worden. Ter zitting heeft Orionis bovendien gesteld dat eerst sprake was van lage inkomsten. Later blijkt dat het gaat om substantiële inkomsten, waardoor Orionis toch een heronderzoek is gestart. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat van een toezegging of gedraging die kan leiden tot gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake is.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Orionis moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Orionis moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat Orionis het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt Orionis tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 20 september 2007, ECLI:NL:2007:BB6243 (de rechtbank leest: ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:809.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1399.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1321.