ECLI:NL:RBZWB:2026:5958

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/4413
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35b SWArt. 35c lid 1 onderdeel c SWArt. 3.2 Wet IB 2001Art. 18 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 4.17c lid 1 onderdeel a Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij schenking aandelen vastgoedvennootschap

Belanghebbende ontving in 2020 van zijn vader alle aandelen in een vennootschap die onroerende zaken bezit. Hij vordert toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voor de schenkbelasting. De inspecteur weigert deze toepassing omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de vennootschap een onderneming drijft zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Wet IB 2001.

De rechtbank beoordeelt of de vennootschap ten tijde van de schenking een onderneming dreef. Belanghebbende stelt dat de activiteiten niet wezenlijk zijn gewijzigd sinds de geruisloze inbreng van de eenmanszaak in 2000 en dat er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer door intensief onderhoud en actief huurdersbeleid. De inspecteur betwist dit en wijst op beperkte verloonde arbeidsuren en het feit dat onderhoud en verhuuractiviteiten gebruikelijk zijn bij vastgoedbeheer.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden meer omvatten dan normaal vermogensbeheer en dat het behaalde rendement niet significant hoger is dan bij normaal vermogensbeheer. Ook het beroep op de interne Praktijkhandreiking van de Belastingdienst faalt omdat niet is onderbouwd dat de activiteiten ongewijzigd zijn gebleven. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag schenkbelasting blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de aanslag schenkbelasting wegens het ontbreken van ondernemingsvermogen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4413

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. E. Reijerse),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 juli 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag schenkbelasting opgelegd ter zake van een schenking in 2020 naar een belaste verkrijging van € 2.011.499.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag schenkbelasting afgewezen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 – gelijktijdig met het beroep van [belanghebbende] , de vader van belanghebbende, met zaaknummer 25/3949 – op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde, belanghebbende, de vader van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag schenkbelasting tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer in het bijzonder beoordeelt de rechtbank of de inspecteur de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van artikel 35b (en verder) van de Successiewet 1956 (SW) terecht heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de toepassing van de BOR terecht geweigerd en is de aanslag schenkbelasting niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. De vader van belanghebbende dreef tot 30 maart 2000 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten van de eenmanszaak bestonden uit het voeren van een kamerverhuurbedrijf. Tot het vermogen van de eenmanszaak behoorde onroerend goed gelegen in [plaats] .
3.1.
Op 20 maart 2000 is [B.V.] opgericht. De vader van belanghebbende hield op dat moment alle aandelen in [B.V.] .
3.2.
De eenmanszaak van de vader van belanghebbende is op 30 maart 2000 met toepassing van artikel 18 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geruisloos ingebracht in [B.V.] . Het onroerend goed aan de [adres 1] te [plaats] , de [adres 2] te [plaats] , de [adres 3] te [plaats] en de [adres 6] te [plaats] is sindsdien in het bezit van [B.V.] .
3.3.
Voorafgaand aan de inbreng van de eenmanszaak in [B.V.] is namens de vader van belanghebbende met dagtekening 13 maart 2000 een brief aan de inspecteur gestuurd. Deze brief is op 27 april 2000 voor akkoord door de inspecteur getekend. In de brief staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Refererend aan uw schrijven van 14 april 1999 en 15 oktober 1999 aan [bedrijf] , waarin u akkoord gaat met de voorgestelde etikettering van het onroerend goed gelegen aan de [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] (inclusief [adres 7] ) te [plaats] , verzoeken wij u aan te geven of u akkoord kunt gaan met de onderstaande splitsing van de op het betreffende onroerend goed
rustende hypothecaire leningen. Voor deze splitsing is uitgegaan van het historische hypotheekverloop.
(…)
Ondernemingsvermogen
[adres 1]
Nihil
[adres 2]
ƒ 145.000,--
[adres 3]
ƒ 103.257,82
[adres 6]
ƒ 270.000,--
3.4.
Per 1 november 2004 is belanghebbende in dienst getreden van [B.V.] .
3.5.
De vader van belanghebbende heeft bij notariële akte van 23 juni 2020 aan belanghebbende alle aandelen in [B.V.] geschonken. In de schenkingsakte staat is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
3.1 Wanneer vervalt de schenking (ontbindende voorwaarde)
De Schenker doet de schenking met de bedoeling dat de bedrijfsopvolgingsregeling voor de schenkbelasting en inkomstenbelasting kan worden toegepast. De schenking vervalt als definitief vaststaat dat de Belastingdienst het verzoek van de Begiftigde tot toepassing van een of beide van deze regelingen afwijst. Dit is dus een ontbindende voorwaarde in verband met de fiscaliteit.
Als de schenking vervalt, wordt de Schenker automatisch weer houder van de Aandelen. Alle belastingen en kosten die door het vervallen van de schenking ontstaan worden door de Schenker betaald.
De schenking vervalt niet als op een later moment niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor een bedrijfsopvolgingsregeling. Bijvoorbeeld doordat de Begiftigde na vandaag niet minstens vijf jaar de onderneming van de Vennootschap voortzet.”
3.6.
Op het moment van de schenking was alleen nog het onroerend goed aan de [adres 2] te [plaats] , de [adres 3] te [plaats] en de [adres 6] [plaats] in het bezit van [B.V.] .
3.7.
In 2018, 2019 en 2020 ontving de vader van belanghebbende geen loon van [B.V.] . Aan belanghebbende is door [B.V.] over 2018 € 19.229, over 2019 € 19.229 en over 2020 € 20.517 verloond.
3.8.
Belanghebbende heeft van de verkrijging aangifte schenkbelasting gedaan. In de aangifte is de waarde van de verkregen aandelen berekend op € 2.017.014 en is verzocht om toepassing van de BOR.
3.9.
De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag schenkbelasting (zie 1.1) de toepassing van de BOR geweigerd.

Motivering

Vooraf: bevoegdheid rechtbank
4. Kort voor de zitting is gebleken dat belanghebbende zijn woonplaats heeft binnen het rechtsgebied van Rechtbank Gelderland. Ter zitting is dit aan partijen voorgehouden. Partijen hebben verzocht om de zaak niet langer te laten duren en hebben verklaard akkoord te zijn met behandeling van de zaak door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank merkt op dat deze rechtbank wel bevoegd is om de met deze zaak sterk samenhangende zaak van de vader van belanghebbende te behandelen. Gelet op het stadium waarin de behandeling van de zaak zich bevond toen de fout werd ontdekt, de verklaring van partijen ter zitting en het belang om beide zaken tegelijk te kunnen behandelen, is er geen redelijk belang mee gediend indien de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren en de zaak zou doorzenden naar rechtbank Gelderland. De rechtbank ziet hiervan dan ook af.
Ontbindende voorwaarde in schenkingsakte
5. De rechtbank constateert dat naar de letterlijke lezing van onderdeel 3.1 van de schenkingsakte (zie 3.5) zou kunnen worden aangenomen dat de ontbindende voorwaarde inmiddels is vervuld, aangezien de inspecteur bij uitspraak op bezwaar de toepassing van beide regelingen [1] heeft afgewezen. In dat geval zou de vader van belanghebbende in het onderhavige jaar nog steeds houder zijn van de aandelen [B.V.] en bestaat er in deze procedure (mogelijk) materieel geen geschil meer waarop de rechtbank dient te beslissen.
5.1.
De rechtbank heeft dit ter zitting aan partijen voorgehouden en daarop hebben belanghebbende en zijn vader verklaard dat zij met de ontbindende voorwaarde hebben beoogd aan te sluiten bij het moment waarop na volledige uitputting van fiscale rechtsmiddelen onherroepelijk vaststaat dat de BOR en de doorschuifregeling niet kunnen worden toegepast. De inspecteur heeft deze uitleg niet weersproken. De rechtbank volgt deze uitleg en gaat er daarom van uit dat de ontbindende voorwaarde uit de schenkingsakte (nog) niet in werking is getreden. De rechtbank komt aldus toe aan een inhoudelijke beoordeling van het materiële geschilpunt.
BOR
6. Op grond van artikel 35b van de SW geldt een voorwaardelijke vrijstelling van het schenkingsrecht bij – kort gezegd en voor zover van belang – schenking van ondernemingsvermogen door een kwalificerende schenker.
6.1.
Partijen hebben het geschil beperkt, in die zin dat de vraag voorligt of sprake is van een verkrijging van ondernemingsvermogen [2] . Meer in het bijzonder dient de rechtbank te beoordelen of [B.V.] ten tijde van de schenking een onderneming dreef als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet IB 2001. Indien het antwoord van de rechtbank op deze vraag bevestigend luidt, dan is tussen partijen niet in geschil dat de BOR kan worden toegepast.
6.2.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat van het drijven van een onderneming sprake is bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om winst te behalen. ‘Arbeid’ in de terminologie ‘organisatie van kapitaal en arbeid’ betekent niet hetzelfde als de arbeid die is gemoeid met het (enkele) beheren van vermogen. Zou dat anders zijn, dan zou elk vermogensbeheer van duurzame aard een materiële onderneming vormen en dat is niet het geval. Bij de exploitatie van onroerende zaken geldt immers dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien de arbeid naar aard en omvang meer omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer en deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. [3] Indien op enig moment sprake is van een onderneming waarbinnen een vermogensbestanddeel tot stand is gebracht, brengt dit nog niet mee dat sprake is van ondernemingsvermogen op het moment dat het object daarna alleen voor de verhuur wordt aangehouden. [4]
6.3.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die zich op toepassing van de BOR beroept, de feiten dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken die het standpunt kunnen dragen dat de werkzaamheden van [B.V.] meer omvatten dan normaal vermogensbeheer. Belanghebbende draagt dus de bewijslast dat de aard en de omvang van de werkzaamheden meer omvatten dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is (hierna samengevat als ‘arbeid-plus’) en de aard en omvang van de werkzaamheden onmiskenbaar ten doel hebben het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan (hierna samengevat als ‘rendement-plus’).
6.4.
De rechtbank merkt op dat bij de beoordeling van de vraag of aan de hiervoor vermelde ‘arbeid-plus’ en ‘rendement-plus’ toets is voldaan, beslissend is het tijdstip van de schenking. Verder overweegt de rechtbank dat het bij de beantwoording van voornoemde vraag zowel acht zal slaan op de omvang en de aard van de werkzaamheden als op het behaalde rendement. Het streven naar een meer dan gemiddeld rendement dan wel het behaalde rendement kan immers licht werpen op de aard en omvang van de werkzaamheden. [5]
Het standpunt van belanghebbende
6.5.
Belanghebbende stelt dat [B.V.] met (de exploitatie van) de onroerende zaken een onderneming drijft. Belanghebbende wijst er in de eerste plaats op dat de betreffende panden in het kader van de inbreng van de eenmanszaak, met goedkeuring van de inspecteur, zijn aangemerkt als ondernemingsvermogen en vervolgens geruisloos zijn ingebracht in [B.V.] (zie 3.2 en 3.3). Volgens belanghebbende impliceert de toepassing van deze faciliteit dat de inspecteur destijds uitging van het bestaan van een onderneming. Nu de aard van de activiteiten sindsdien niet wezenlijk is gewijzigd, moet volgens belanghebbende ook ten tijde van de schenking ervan worden uitgegaan dat sprake is van een onderneming. Ten bewijze van de arbeid-plus wijst belanghebbende op de vele werkzaamheden die hijzelf en zijn vader – al dan niet met inschakeling van derden – verrichten. Belanghebbende benadrukt dat sprake is van meer dan een dagtaak. Daarbij speelt een rol dat het gaat om historische en monumentale panden die veel onderhoud en verbetering vergen, dat sprake is van een groot verloop van huurders en dat veranderende wet- en regelgeving regelmatig aanpassingen noodzakelijk maakt. In dat verband wijst belanghebbende er nog op dat in de loop der jaren de kamers uit het oorspronkelijke kamerverhuurbedrijf zijn aangepast en omgevormd tot appartementen met eigen sanitaire voorzieningen en keukens. Belanghebbende stelt dat hij met de activiteiten meer rendement behaalt dan een ‘doorsnee belegger’. Daartoe voert hij onder meer aan dat de werkzaamheden in eigen beheer worden verricht. Het rendement-plus komt volgens belanghebbende niet alleen tot uitdrukking in hogere huurinkomsten op langere termijn, maar ook, als indirect rendement, in de waardestijging van de panden.
Het standpunt van de inspecteur
6.6.
De inspecteur betwist dat [B.V.] ten tijde van de schenking een onderneming dreef. Daartoe voert de inspecteur aan dat de werkzaamheden naar aard en omvang niet uitstijgen boven hetgeen gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer. Uit de salarisadministratie van [B.V.] volgt volgens de inspecteur dat maar een beperkt aantal arbeidsuren verloond zijn en dat de vader van belanghebbende niet gewerkt heeft voor [B.V.] vanaf 2018. Daarbij wijst de inspecteur erop dat onderhouds- en rennovatiewerkzaamheden, ook indien deze omvangrijk zijn, als uitgangspunt behoren tot de werkzaamheden die een vastgoedbelegger pleegt te verrichten. Ook de overige door belanghebbende genoemde werkzaamheden, waaronder het voeren van een actief huurdersbeleid, zijn volgens de inspecteur gebruikelijk voor beheerders van vastgoedbeleggingsportefeuille en daarom onvoldoende om te kunnen concluderen dat aan de arbeids-plus toets is voldaan. Verder betwist de inspecteur dat sprake is van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaat. In dat verband heeft hij ter zitting een op de aangiften vennootschapsbelasting gebaseerd overzicht overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat het rendement in 2017 ten opzichte van het jaar 2000 slechts met 42% is gestegen en bovendien regelmatig negatief is geweest.
Het oordeel van de rechtbank
6.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat met (de exploitatie van) de onroerende zaken ten tijde van de schenking een onderneming werd gedreven.
6.8.
Beslissend voor de beoordeling is het tijdstip van de schenking in 2020. De omstandigheid dat de inspecteur in 2000 akkoord was met het voorstel om de betreffende panden als ondernemingsvermogen aan te merken en fiscaal geruisloos in te brengen in [B.V.] , betekent nog niet dat in 2020 sprake is van een onderneming. Enerzijds is er namelijk onvoldoende inzicht verkregen in wat er toen op basis van welke feiten heeft plaatsgevonden en anderzijds zit er ongeveer 20 jaar tussen dat moment en het moment van de schenking.
6.9.
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst beoordelen of voldaan is aan de voorwaarde van rendement-plus. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat aan deze voorwaarde is voldaan.
6.10.
De rechtbank neemt in aanmerking dat sprake is van een vastgoedportefeuille bestaande uit enkele panden die sinds lange tijd nagenoeg ongewijzigd is gebleven. De door belanghebbende genoemde activiteiten bestaan grotendeels uit onderhouds-, renovatie- en verhuuractiviteiten die samenhangen met het behoud van de verhuurbaarheid en de inkomstenstroom uit de panden. De rechtbank onderkent dat de historische panden meer onderhoud zullen vergen dan recentere bouw en ook dat in de loop der jaren verbouwingen aan de onderhavige panden hebben plaatsgevonden. Echter, uit de stukken volgt dat deze verbouwingen in belangrijke mate voortvloeien uit de aard van de panden, veranderende regelgeving en de eisen van de verhuurmarkt. De verbouwingen zijn daarmee naar het oordeel van de rechtbank gericht op het in stand houden van de bestaande verhuurexploitatie op de lange termijn. Voor regulier onderhoud geldt dat ook. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de omvang van de activiteiten onmiskenbaar ten doel hebben het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomend rendement te boven gaan. Uit de door belanghebbende overgelegde cijfers volgt ook niet dat belanghebbende meer rendement heeft behaald dan een vastgoedbelegger.
6.11.
Gelet op het oordeel van de rechtbank dat niet is voldaan aan de voorwaarde van rendement-plus, behoeft de vraag of voldaan is aan de voorwaarde van arbeid-plus geen behandeling meer.
6.12.
Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat voldaan is aan de voorwaarde [6] dat [B.V.] een onderneming drijft als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet IB 2001. Dat betekent dat de BOR als uitgangspunt niet kan worden toegepast.
Vertrouwensbeginsel
7. Belanghebbende beroept zich voor het geval niet aan alle voorwaarden voor toepassing van de BOR is voldaan op onderdeel 5 van de interne Praktijkhandreiking bedrijfsopvolging vastgoedexploitanten van 1 juni 2016 van de Belastingdienst (Praktijkhandreiking). De Praktijkhandreiking is op 9 december 2016 naar aanleiding van een WOB-verzoek openbaar gemaakt. Partijen zijn het erover eens dat de inspecteur is gebonden om het beleid neergelegd in de Praktijkhandreiking te volgen. De rechtbank sluit daarbij aan.
7.1.
In onderdeel 5 van de Praktijkhandreiking staat – voor zover hier van belang – vermeld:
5. Tegengestelde belangen
In de praktijk kunnen op diverse terreinen tegengestelde belangen spelen, zowel bij exploitanten als inspecteurs. De inspecteur moet het recht onbevooroordeeld toepassen op de feiten en omstandigheden. Het is raadzaam om of te stemmen met de inspecteur van de andere middelen. Bijvoorbeeld vinden enerzijds vastgoedexploitanten het gunstig om goed renderend vastgoed in box 3 te houden, anderzijds wil men wellicht ondernemer zijn voor de BOR. IB-inspecteurs willen bijvoorbeeld winstgevende vastgoedactiviteiten onderbrengen in box 1, terwijl successie- en overdrachtsbelastinginspecteurs dezelfde vastgoedactiviteiten mogelijk zien als belegging en daarom geen bedrijfsopvolgingsfaciliteiten of overdrachtsbelastingvrijstellingen verlenen.
Een belangrijk attentiepunt in dit kader is de situatie dat er een verzoek om geruisloze inbreng plaatsvindt betreffende een vastgoed-IB-"onderneming" of vastgoed-VOF/CV. Dat impliceert namelijk een oordeel dat er op dat moment sprake is van een actieve onderneming. Indien later een beroep wordt gedaan op de BOR en de activiteiten zijn niet gewijzigd, dan kan belastingplichtige zich met succes op het standpunt stellen dat er (nog steeds) sprake is van een vastgoedonderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001.”
7.2.
Belanghebbende stelt dat aan de in de Praktijkhandreiking genoemde voorwaarden is voldaan. Daartoe voert hij aan dat de onroerende zaken in het jaar 2000 met toepassing van artikel 18 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geruisloos zijn ingebracht en dat de activiteiten sindsdien niet wezenlijk zijn gewijzigd. De inspecteur heeft dit gemotiveerd bestreden.
7.3.
De rechtbank stelt voorop dat uit de Praktijkhandreiking volgt dat een geruisloze inbreng van een vastgoedonderneming impliceert dat op dat moment sprake werd geacht te zijn van een actieve onderneming. Vaststaat dat de eenmanszaak destijds met toepassing van artikel 18 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geruisloos is ingebracht in [B.V.] . De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat in 2000 sprake was van een actieve onderneming. Er zijn geen aanwijzingen dat deze standpuntbepaling destijds is gebaseerd op een onjuiste of onvolledige weergave van de feiten. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de Praktijkhandreiking voorbij te gaan vanwege nadien gewijzigde wetgeving of jurisprudentie, zoals de inspecteur voorstaat. De Praktijkhandreiking bevat daarvoor geen voorbehouden.
7.4.
De Praktijkhandreiking vereist echter wel dat de activiteiten na de geruisloze inbreng niet zijn gewijzigd. De rechtbank kan op basis van het dossier niet beoordelen wat de activiteiten ten tijde van de geruisloze inbreng waren en of deze sindsdien ongewijzigd zijn gebleven. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om in het kader van een beroep op het vertrouwensbeginsel, dit te onderbouwen. De enkele stelling van belanghebbende dat de activiteiten niet wezenlijk zijn gewijzigd, acht de rechtbank – in het licht van de betwisting daarvan door de inspecteur – onvoldoende. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag schenkbelasting in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, leden, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 3 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [7]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.De BOR voor de schenkbelasting en de doorschuifregeling voor de inkomstenbelasting.
2.Als bedoeld in artikel 35b in samenhang met artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de SW.
3.Vgl. onder meer Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:633 en Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:952.
4.Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1054.
5.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1168 en Gerechtshof Amsterdam 11 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1284.
6.Als bedoeld in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.
7.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.