ECLI:NL:RBZWB:2026:5958
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij schenking aandelen vastgoedvennootschap
Belanghebbende ontving in 2020 van zijn vader alle aandelen in een vennootschap die onroerende zaken bezit. Hij vordert toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voor de schenkbelasting. De inspecteur weigert deze toepassing omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de vennootschap een onderneming drijft zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Wet IB 2001.
De rechtbank beoordeelt of de vennootschap ten tijde van de schenking een onderneming dreef. Belanghebbende stelt dat de activiteiten niet wezenlijk zijn gewijzigd sinds de geruisloze inbreng van de eenmanszaak in 2000 en dat er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer door intensief onderhoud en actief huurdersbeleid. De inspecteur betwist dit en wijst op beperkte verloonde arbeidsuren en het feit dat onderhoud en verhuuractiviteiten gebruikelijk zijn bij vastgoedbeheer.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden meer omvatten dan normaal vermogensbeheer en dat het behaalde rendement niet significant hoger is dan bij normaal vermogensbeheer. Ook het beroep op de interne Praktijkhandreiking van de Belastingdienst faalt omdat niet is onderbouwd dat de activiteiten ongewijzigd zijn gebleven. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag schenkbelasting blijft in stand.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de aanslag schenkbelasting wegens het ontbreken van ondernemingsvermogen.