ECLI:NL:RBZWB:2026:6362

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/1993, BRE 25/1994, BRE 25/1995
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWRArt. 30i AWR
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018-2020

Belanghebbende, aandeelhouder en bestuurder van een BV, maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2018, 2019 en 2020. De inspecteur had deze aanslagen opgelegd naar aanleiding van gegevens uit de vennootschapsbelastingaangifte van de BV over 2020, waarbij bleek dat in eerdere IB/PVV-aangiften onjuiste gegevens waren verwerkt.

Belanghebbende voerde aan dat er geen nieuw feit was, omdat de inspecteur al jaren op de hoogte was van de situatie en dat het vertrouwensbeginsel hem bescherming bood. De inspecteur stelde dat de aangiften geen uitworpredenen bevatten en dat het nieuwe feit pas bij de beoordeling van de vennootschapsbelastingaangifte 2020 aan het licht kwam.

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht navorderingsaanslagen oplegde op basis van een nieuw feit, dat niet eerder bekend was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat belanghebbende niet aannemelijk maakte dat het Besluit van 2013 op hem van toepassing was. Ook de revisierente en belastingrente werden bevestigd.

De beroepen werden ongegrond verklaard, de aanslagen en rentebeschikkingen blijven in stand en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De navorderingsaanslagen, belastingrente en revisierente over 2018-2020 zijn terecht opgelegd en de beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/1993, 25/1994 en 25/1995
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. W.J.G. Hagens),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 maart 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.616 (de navorderingsaanslag 2018). Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag 2018 heeft de inspecteur belanghebbende € 2.003 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2018).
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.279 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 264 (de navorderingsaanslag 2019). Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag 2018 heeft de inspecteur belanghebbende € 3.235 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2019).
1.3.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 564.902 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 264 (de navorderingsaanslag 2020). Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag 2020 heeft de inspecteur belanghebbende € 54.568 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2020) en € 109.470 revisierente in rekening gebracht (de revisierentebeschikking 2020).
1.4.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen over 2018, 2019 en 2020 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. De rechtbank beoordeelt ook of de bijbehorende rentebeschikkingen en de revisierentebeschikking over 2020 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen over 2018, 2019 en 2020 terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd
.Ook de bijbehorende rentebeschikkingen en de revisierentebeschikking over 2020 zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende houdt sinds 2 december 2003 (de datum van oprichting) alle aandelen in [BV] (BV). Belanghebbende is tevens bestuurder van deze BV.
3.1.
Belanghebbende heeft in het verleden een lijfrenteaanspraak verzekerd bij de BV. De uitkeringen uit deze lijfrente zijn per 21 april 2016 ingegaan en bedragen € 11.182 per jaar.
3.2.
De BV heeft in het verleden aan belanghebbende een pensioentoezegging gedaan.
3.3.
Belanghebbende heeft deze pensioenaanspraken op 22 december 2017 omgezet in aanspraken ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). De uitkeringen uit hoofde van deze ODV zijn aangevangen op 22 december 2017. De ODV-uitkering bedraagt bij aanvang € 40.095.
3.4.
Belanghebbende heeft een schuld in rekening-courant aan de BV.
3.5.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 een ODV-uitkering in aanmerking genomen van € 17.650.
3.6.
Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV 2019 en 2020 geen lijfrente- en/of ODV-uitkering in aanmerking genomen.
3.7.
Ultimo 2019 bedraagt de vordering van de BV op belanghebbende € 547.354.

Motivering

4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Hiertoe voert belanghebbende aan dat geen sprake is van een nieuw feit, omdat de inspecteur reeds jaren op de hoogte was van de feitelijke situatie bij zowel belanghebbende als de BV en wist dat de BV niet in staat was om de pensioenverplichting en de afdracht van loonbelasting op termijn te voldoen. De inspecteur had al eerder nader onderzoek moeten instellen naar de vraag of sprake was van het feitelijk prijsgeven dan wel afkopen van het pensioen en de lijfrente.
4.1.
De inspecteur betoogt dat er bij geen van de drie aangiften uitworpredenen waren. Alle drie de aangiften maakten een keurige verzorgde indruk. Indien met een normale zorgvuldigheid kennis wordt genomen van de inhoud van deze aangiften, dan zou aan de inhoud daarvan in redelijkheid niet getwijfeld te hoeven worden. Pas bij het beoordelen van de aangifte vennootschapsbelasting 2020 van de BV, is geconstateerd dat een en ander in de aangiften IB/PVV niet juist is verwerkt. Subsidiair betoogt de inspecteur dat sprake was fouten die belanghebbende redelijkerwijs kenbaar waren.
Nieuw feit
4.2.
Indien een feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (een zogenaamd nieuw feit), kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, tenzij de belastingplichtige ten aanzien van dit feit te kwader trouw is. [1]
4.3.
Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. [2] Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. [3]
4.4.
Verder kan de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van een belastingplichtige in het algemeen volstaan met het raadplegen van het dossier bevattende de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige. Voor de inspecteur bestaat niet de verplichting tot het raadplegen van dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn. De inspecteur is slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven. [4]
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat hij pas naar aanleiding van de aangifte vennootschapsbelasting van de BV over het jaar 2020 over informatie beschikte over gegevens die hebben geleid tot het opleggen van de navorderingsaanslagen, namelijk gegevens uit de jaarrekening van de BV omtrent de (verrekening van de) uitkeringen vanuit de BV en gegevens betreffende de ODV-aanspraak en lijfrente-aanspraak. De inspecteur hoefde in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van de aangiften IB/PVV over 2018 tot en met 2020. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voor ieder van de voorliggende jaren beschikte over een nieuw feit op basis waarvan hij bevoegd was een navorderingsaanslag op te leggen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of sprake was een kenbare fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR.
Vertrouwensbeginsel
4.6.
Voor het geval dat de inspecteur bevoegd was tot navordering over te gaan, zoals ook ter zitting bevestigd, is niet in geschil dat de inspecteur de navorderingsaanslagen conform de wettelijke regels heeft opgelegd. Belanghebbende doet dan een beroep op het vertrouwensbeginsel en stelt onder verwijzing naar het Besluit van de Staatssecretaris van 18 maart 2013, BLKB 2013/27M (het Besluit) dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd, omdat sprake was van niet voor verwezenlijking vatbare rechten.
4.7.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende in algemene zin een beroep doet op het Besluit, maar niet duidelijk maakt op welk onderdeel van het Besluit hij een beroep doet. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur inhoudend dat het Besluit alleen ziet op de vermindering van pensioenaanspraken op de pensioeningangsdatum, allerhande voorwaarden kent en bovendien alleen op voorafgaand verzoek wordt toegepast, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het Besluit bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat kort gezegd heffing van inkomstenbelasting conform de wet achterwege zou blijven in belanghebbendes geval.
Tussenconclusie
4.8.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslagen over 2018 tot en met 2020 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.
Revisierente
4.9.
Het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag 2020 wordt geacht mede betrekking te hebben op de revisierentebeschikking 2020. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte revisierente aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat de revisierentebeschikking is opgelegd conform artikel 30i van de AWR. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de revisierentebeschikking.
Belastingrente
4.10.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen, de belastingrentebeschikkingen en de revisierentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Hoge Raad 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9068.
3.Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082.
4.Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515.