ECLI:NL:RBZWB:2026:6379

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
12097483/AZ VERZ 26-15 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Tilman-Knoester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 sub e BWArt. 7:671b lid 2 jo. lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding arbeidsovereenkomst in zaak geweldsincident jeugdige gedetineerde

De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door DJI, verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een inrichtingsbeveiliger wegens vermeend verwijtbaar handelen en een verstoorde arbeidsverhouding. Dit betrof een incident waarbij de werknemer betrokken was bij het gebruik van geweld tegen een jeugdige gedetineerde, waarbij letsel werd toegebracht.

Na uitgebreid onderzoek door Bureau Integriteit, waarbij camerabeelden, getuigenverklaringen en een forensisch arts werden betrokken, kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat de werknemer ongepast geweld had gebruikt. De verklaringen waren inconsistent en het Openbaar Ministerie besloot tot sepot wegens gebrek aan bewijs.

De kantonrechter oordeelde dat er geen redelijke grond was voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verwijt van niet gepast geweld, escalerend gedrag en het niet naar waarheid verklaren werd niet bewezen. Wel was sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, maar niet zodanig dat ontbinding gerechtvaardigd was.

Het verzoek tot wedertewerkstelling werd toegewezen met een termijn van een week, en DJI werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het verzoek tot een integrale proceskostenvergoeding werd afgewezen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen en het tegenverzoek tot wedertewerkstelling wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer / rekestnummer: 12097483 \ AZ VERZ 26-15
Beschikking van 9 juli 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Namens deze de Minister van Justitie, vertegenwoordigd door de algemeen directeur van de Dienst Justitiële Inrichtingen, Rijks Justitiële Jeugdinrichting [locatie 1] ,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: DJI ,
gemachtigde: mr. M.E.L.U. Janssen,
tegen
[werknemer],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. E.L. Eijkelenboom.
1.1. De zaak in het kort
1.2. DJI verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] . DJI voert aan dat er sprake is van verwijtbaar handelen van [werknemer] of van een verstoorde arbeidsverhouding, die maken dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. [werknemer] heeft volgens DJI niet gepast geweld gebruikt tegen een jeugdige gedetineerde, escalerend gehandeld en niet de waarheid gesproken over zijn handelen. [werknemer] voert verweer en stelt tegenverzoeken in.
1.3. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek af nu er geen redelijke grond voor ontbinding is. Het tegenverzoek tot wedertewerkstelling wordt toegewezen.

2 De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het verzoekschrift met producties 1 tot en met 19,
 het verweerschrift met producties 1 tot en met 18, met tegenverzoeken,
 de op 12 juni 2026 door DJI nagezonden foto’s en ‘handreiking bij onderbezetting’,
 de op 12 juni 2026 door DJI nagezonden contactmomenten tussen de inrichting en [werknemer] ,
 de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 de spreekaantekeningen van mr. Janssen, die zij tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is ook het ontbindingsverzoek van DJI in de zaak tegen een collega van [werknemer] behandeld, de heer [collega 1] (zaaknummer 12098596 \ AZ VERZ 26-16).
2.3.
De kantonrechter heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat er een beschikking zal worden gegeven.

3.De feiten

3.1.
DJI voert namens de minister van Justitie en Veiligheid straffen en vrijheidsbenemende maatregelen uit die door de rechter zijn opgelegd. De Rijks Justitiële Jeugdinrichting (‘RJJI’) draagt zorg voor een veilige orthopedagogische tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen. In de RJJI verblijven jongeren die om strafrechtelijke redenen zijn opgenomen in het kader van preventieve hechtenis, nachtdetentie, jeugddetentie of een PIJ- maatregel. De leeftijd van de jongeren ligt tussen de 12 en 23 jaar. De RJJI heeft drie locaties, waaronder [locatie 1] in [plaats 1] .
3.2.
[werknemer] , geboren op [datum] 1968, is sinds 1 september 2007 in dienst bij DJI . De functie van [werknemer] is Inrichtingsbeveiliger met een loon van € 3.333,81 bruto per maand [1] exclusief emolumenten op basis van een 36-urige werkweek. [werknemer] is werkzaam bij [locatie 1] .
3.3.
Op de arbeidsovereenkomst van [werknemer] is de cao Rijk van toepassing. Daarnaast zijn de Ambtenarenwet, de Gedragscode Integriteit Rijk, het Personeelsreglement Justitie en Veiligheid, het Personeelsreglement DJI en de Gedragscode DJI van toepassing.
3.4.
In het Personeelsreglement Justitie en Veiligheid is op pagina 98 beschreven wat plichtsverzuim inhoudt: [2]
“In het algemeen is zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen aan te merken als (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten. Het kan bestaan uit een handeling of nalaten, waarbij in strijd is gehandeld met wet- en regelgeving, beleidsinstructies, gedragscodes of met de verplichtingen en verantwoordelijkheden van het goed ambtenaarschap, dan wel een gedraging die een strafbaar feit oplevert.”
3.5.
De Gedragscode DJI beschrijft vier kernwaarden die gelden binnen DJI : respect, betrouwbaarheid, openheid en professionaliteit. [3] Onder de kernwaarde respect wordt beschreven:
Geweldsincidenten met justitiabelen
Als vakman of -vrouw heeft u geleerd conflicten te voorkomen en ze professioneel op te lossen. Dat betekent onder meer: de situatie onder controle krijgen en houden, tot op zekere hoogte begrip tonen en vooral met argumenten proberen te overtuigen. Pas als er echt geen andere – lees verbale - mogelijkheden zijn, kunt u volgens de geldende instructies gebruik maken van geweld(smiddelen). Stem gedrag af op de omvang van het conflict. Zo voorkomt u dat een functionele ingreep ontaardt in een strafbaar geweldsdelict. Overigens: bedreiging en intimidatie, zoals seksuele toespelingen maken, of stelselmatig negeren, zijn ook vormen van geweld. DJI staat niet toe dat medewerkers geweld gebruiken. Niet onderling, niet tegenover justitiabelen en ook niet in uw privé-tijd. Uitzondering op deze regel is het geweld volgens de geweldsinstructie van de inrichting of de dienst om uzelf te verdedigen of om een situatie onder controle te krijgen.”
3.6.
De binnen DJI geldende Dienstinstructie geweld definieert geweld als ‘elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken.’ [4] De Dienstinstructie geweld vermeldt over het toepassen van geweld:
“Het toepassen van geweld is alleen toegestaan indien de veiligheid van de medewerkers, andere jeugdigen, bezoekers en/of de jeugdige zelf in het geding is. Bij de toepassing van geweld gelden de volgende uitgangspunten:
  • Aan het gebruik van geweld gaat, indien de situatie dat toelaat, een waarschuwing vooraf;
  • Geweld is een uiterst middel: alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. In situaties waar kan worden gewacht, wordt door de betrokken medewerker overlegd met een gedragswetenschapper en vervolgens toestemming gevraagd aan de directeur of diens plaatsvervanger alvorens over te gaan tot de inzet van geweld. Bij IBT-inzet wordt altijd toestemming van de directeur of diens plaatsvervanger vooraf gevraagd;
  • De geweldstoepassing is proportioneel: het gebruik van geweld staat in verhouding tot de ernst van het af te wenden gevaar.”
3.7.
Als Inrichtingsbeveiliger voert [werknemer] twee soorten diensten uit, de zogenaamde ambulante dienst en de dienst van monitorportier. [werknemer] is bijna altijd werkzaam in de ambulante dienst. Daarbij is hij verantwoordelijk voor alle lopende zaken, zoals het begeleiden van bezoekers, het bijwonen van bezoek, het controleren van gedetineerden na bezoek, maar ook het reageren op alarmmeldingen van collega’s en het begeleiden van jongeren naar hun cel.
3.8.
Tijdens de ambulante dienst van 7 april 2025 kreeg [werknemer] een telefoontje in de portiersloge jongeren uit het klaslokaal gehaald moest worden vanwege de slechte sfeer in de klas die zij veroorzaakten. [werknemer] is samen met drie andere collega’s naar het klaslokaal gegaan. Bij aankomst in het klaslokaal gingen de jeugdige gedetineerden flink tekeer. Eén van hen was [de jongere] . Hij vertoonde haantjesgedrag en was brutaal richting de docent, [werknemer] en zijn collega’s. [werknemer] en zijn collega’s werden uitgelachen door de jongeren. [werknemer] heeft de jongere aangesproken en aangegeven dat toen hij binnenkwam bij Binnenkomst Afdeling Delinquenten niet zo grote mond had en hij nu doet alsof hij de baas is hier. De andere jongeren moesten hierom lachen. Omdat de jongeren weigerden om de orders van het personeel op te volgen, namelijk het meegaan naar de groep, heeft [werknemer] in overleg met zijn collega ( [collega 1] ) [collega 1] besloten om alarm te drukken. Pas nadat het alarm was geslagen en er meerdere collega’s bij het klaslokaal waren aangekomen, zijn de jongeren meegelopen met [werknemer] en zijn collega’s en door hen ingesloten in hun kamer.
3.9.
Tijdens de ambulante dienst van [werknemer] van 9 april 2025 is hij opnieuw samen met drie collega’s opgeroepen om drie jongeren vanuit het klaslokaal terug te brengen naar hun cel omdat de sfeer in de klas niet goed was. De drie collega’s waren de heren [collega 1] , [collega 2] en [collega 3] . Eén van de jongeren was wederom jongere [de jongere] .
3.10.
Voor de deur van de slaapkamer en in de slaapkamer van de jongere heeft zich een incident voorgedaan waarbij de jongere letsel heeft opgelopen. Het begin van het incident is te zien op camerabeelden afkomstig van de camera in de gang waar de slaapkamers aan gelegen zijn. In de slaapkamer van de jongere bevindt zich geen camera. De camerabeelden bevatten geen geluid. De camerabeelden zijn op een usb-stick als productie 17 bij het verzoekschrift in het geding gebracht. De camerabeelden zijn tijdens de mondelinge behandeling meerdere malen bekeken. Het rapport van het Bureau Integriteit (waarover hierna meer) bevat ook een beschrijving van wat er op de beelden te zien is.
3.11.
Op de camerabeelden is te zien dat eerst [collega 2] de gang in komt lopen. Hij loopt alleen richting het einde van de gang. Vervolgens komt een andere jongere in beeld, die voor kamerdeur 2 gaat staan. Deze jongere verdwijnt weer uit beeld. Vervolgens loopt de jongere de gang in, gevolgd door [collega 1] . Na [collega 1] lopen twee andere jongeren de gang in, gevolgd door [collega 3] . De jongere die wordt begeleid door [collega 1] gaat nadat [collega 1] de deur van zijn slaapkamer heeft geopend niet naar binnen. De vuisten van de jongere zijn gebald naast zijn lichaam. [werknemer] komt aangelopen en gaat ook bij de jongere staan, naast [collega 1] . Ondertussen sluit [collega 3] een andere jongere in zijn slaapkamer in. De jongere staat voor de drempel van zijn slaapkamer, met zijn rug naar zijn slaapkamer en zijn gezicht naar de gang gericht en met [collega 1] en [werknemer] tegenover zich. [collega 3] komt schuin achter [collega 1] staan, met zijn handen in zijn zij, kijkend naar [collega 1] , [werknemer] en de jongere. De jongere beweegt zijn gebalde linkervuist richting zijn borst. [collega 1] beweegt zijn rechterarm van langs zijn lichaam in een opwaartse strekkende beweging richting de jongere. De jongere verdwijnt in zijn slaapkamer, direct gevolgd door [collega 1] , [werknemer] en [collega 3] . Ook [collega 2] komt aangerend en gaat de slaapkamer van de jongere binnen. Vervolgens valt de slaapkamerdeur dicht. Drie seconden later komt collega mevrouw [collega 4] vanuit de deuropening van de gang aanrennen, waarna zij met een sleutel de slaapkamerdeur van de jongere opent.
3.12.
De jongere is vervolgens geboeid vanuit zijn slaapkamer getransporteerd naar de isolatiecel.
3.13.
[werknemer] heeft op de dag van het incident een rapportage opgesteld en ingeleverd. Zijn collega’s hebben hetzelfde gedaan. [werknemer] heeft in zijn rapportage vermeld: [5]
“Op woensdag 9 april 2025, was ik belast met de ambulantedienst. Omstreeks 09.10 kregen wij het verzoek om vier jeugdigen uit leslokaal C06 te halen. Eenmaal ter plaatse waren er inderdaad 4 jeugdigen die terug geplaatst moesten worden naar de groep. Jongeman (…) was hierbij erg verbaal aanwezig, en was naar mijn idee erg op zoek naar een naar een confrontatie, door continu een grote mond te geven en de boel op proberen te houden. Met name naar mijn persoon waar hij zijn pijlen blijkbaar op had gericht. Dit kan komen doordat ik deze zelfde jongeman een paar dagen daarvoor ook uit leslokaal heb moeten verwijderen, (…) Op die dag kreeg ik tijdens die aktie een discussie met bovengenoemde jongen. Op dat moment weigerde al de acht jongeren om mee te werken, waarop er voor is gekozen om alarm te drukken. Op het moment dat deze jongeman mij zag (Woensdag 09-04-25) om hem wederom uit het leslokaal te halen, toonde hij eigenlijk gelijk verbaal agressief gedrag richting mijn persoon. Dit ging eigenlijk door vanaf het moment van het verplaatsen van het leslokaal naar de groep kontinu door. Eenmaal aangekomen op de slaapgang stond hij voor zijn celdeur, ik stond op dat moment ook op de slaapgang, hij bleef mij verbaal bedreigen, en riep doe je pieper weg dan dan doe je niet zo stoer. Doe je pieper weg dan riep hij nogmaals waarop hij ook op dat moment dreigde mijn richting op te lopen. Op dat moment greep mijn collega [collega 1] in, en werkte wij hem samen naar de grond. Tijdens de worstelling die daarop volgde, ging bovengenoemde jongeren heel erg in verzet. Toen de jongeman eenmaal gefixeert lag zagen wij dat er bloed uit zijn neus kwam. Er is op dat moment gelijk medische hulp aan geboden die hij in eerste instantie weigerde.”
3.14.
Ook de jongere heeft een verklaring over het incident afgelegd. In zijn ongedateerde, handgeschreven verklaring staat te lezen: [6]
“(…) Eenmaal aangekomen op de groep loop ik meteen naar mijn kamer
Voor mijn deur zeg ik tegen de begeleider dat hij me niet meer moet beschouwen
vervolgens loopt hij naar mijn deur en zegt dat ik iets moet doen als ik dat wil (geweld gebruiken)
ik zei tegen hem dat ik niks hoefde te doen
toen zei ik dat hij niks was zonder pieper en vroeg hem of hij weer alarm voor mij ging drukken
ze stonden met zijn 4’en in mijn deuropening toen [kantonrechter: onleesbaar] pakte mijn haar vast
een ander gaf mij een elleboog op mijn linkerslaap
ze pakte mijn armen vast en gaven mij een knie op mijn neus/lip
allemaal zonder enkele weerstand!
Ze haalde mij naar de grond en ik kreeg een elleboog op mijn rechterslaap (…)”
3.15.
De jongere is op 9 april 2026 naar de spoedeisende hulp van het [ziekenhuis] gebracht. Uit röntgenonderzoek bleek een factuur aan de sinus maxillaris (kaakbijholte) links. Ook maakt de verslaglegging van het ziekenhuis melding van een klein scheurwondje in de onderlip en een minimale zwelling met mild hematoom aan de linkerzijde van het gezicht. De jongere is op 12 april 2025 overgebracht naar een andere locatie van RJJI, [locatie 2] in [plaats 3] . De penitentiaire arts van [locatie 2] beschrijft ‘letsel hoofd/kaak fractuur met hersenschudding’.
3.16.
De jongere heeft op 10 april 2025 aangifte gedaan bij de politie van zware mishandeling c.q. eenvoudige mishandeling. In het proces-verbaal van aangifte is onder meer opgenomen: [7]
“Het contact tussen mij en alle medewerkers van [locatie 1] is normaal gesproken goed. Ik heb alleen een probleem met beveiliger 1 [kantonrechter: [werknemer] ] (…).
Beveiliger nummer 2 [ kantonrechter: [collega 1] ] deed de deur van mijn kamer open. Ik stond in de deuropening. Ik riep tegen beveiliger 1, die in de woonkamer van de groep stond, dat hij mij niet meer moest beschouwen. Daarmee bedoel ik dat hij mij niet meer als een sukkel moet zien. Ik zag dat beveiliger 1 van de woonkamer naar mijn kamer liep. Deze afstand van de woonkamer naar mijn kamer toe is ongeveer 13 meter. Ik liep al mijn kamer in. Ik draaide mij om en ik zag dat er vier beveiligers in de deuropening van mijn kamer stonden. Ik hoorde dat beveiliger 1 zei ‘als je iets wilt doen, moet je het nu doen’. Ik had het gevoel dat hij geïrriteerd was toen hij dit zei. Ik keek beveiliger 1 verbaasd aan. Ik zei dat ik niks hoefde te doen en ik zei dat hij zonder alarm niks was. Ik bedoelde daarmee dat hij alleen maar stoer was met een alarm. Toen vroeg ik aan beveiliger 1 of hij weer alarm ging drukken.
Ik stond in mijn kamer en ik liep richting de deuropening. Vervolgens voelde ik dat beveiliger 2 mij aan mijn haren pakte. Ik zag dat hij met één hand mijn haren vastpakte en dat hij mij naar zich toe trok. Ik heb het best wel groot afro kapsel. Doordat er aan mijn haren werd getrokken, boog ik wat naar beneden. Ik zag dat beveiliger 1 mij een elleboog op mijn slaap gaf. Dit was aan de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde meteen dat ik duizelig werd. Ik voelde ook direct pijn aan mijn gezicht. Ik zag meteen wazig. Ik voelde dat de beveiliger mijn haren hierna niet meer vasthad.
Ik draaide met mijn lichaam de andere kant op, weg van de deuropening. Ik stond op dat moment voorovergebogen, met mijn rug richting de deur. Ik voelde dat ik aan allebei de kanten van mijn bovenarmen werd vastgepakt. Ik voelde dat dit twee verschillende mensen waren. Doordat ze mij vastpakten, draaide ik weer met mijn gezicht naar de deuropening. Ik voelde dat twee beveiligers mij naar beneden haalde. Ik voelde direct hierna dat ik een knie op mijn neus kreeg. Ik voelde dat ik vervolgens op de grond lag. Ik weet niet meer precies hoe dit is gebeurd, maar ik weet wel dat ik hardhandig naar de grond ben gewerkt door de beveiligers. Ik voelde dat ik pijn had aan mijn knie, waar ik al een blessure aan had. Toen ik op de grond lag zag ik dat er bloed op de grond lag. (…)
Ik voelde een knie op mijn hoofd, op mijn rug en op mijn nek. Ik voelde deze drie knieën tegelijk op mijn lichaam. Ik voelde dat de beveiligers mijn schoenen uittrokken. Ik lag op dat moment op mijn buik en ik voelde dat mijn benen naar mijn rug werden geduwd. Ik voelde dat het pijn deed aan mijn benen. Ik voelde dat ik dat ik weer een elleboog tegen mijn slaap aan kreeg. Deze keer was het tegen mijn rechterslaap. Hierna werd ik hardhandig met handboeien geboeid. (…)”
3.17.
[werknemer] is op 10 april 2025 gebeld door de heer [persoon 1] (hoofd veiligheid bij RJJI [locatie 1] ) met de mededeling dat hij is geschorst naar aanleiding van het incident met de jongere vanwege een vermoeden van integriteitschending en dat er een onderzoek door Bureau Integriteit (hierna: “BI”) werd ingesteld. De schorsing is bevestigd bij brief van dezelfde dag. [8]
3.18.
[werknemer] is op 16 juni 2025 gehoord door BI. BI heeft het onderzoeksrapport op 30 oktober 2025 afgerond. Het rapport telt in totaal 340 pagina’s. [9]
3.19.
BI heeft betrokkenen gehoord. Over de verklaring van collega [collega 3] staat in het rapport te lezen:
3.5.3 Gesprek met de heer [collega 3]
(…)
(Na het tonen van de) camerabeelden
  • Het voor zijn gevoel anders is gebeurd dan dat hij zag op de door de onderzoekers getoonde camerabeelden. Hierover zei hij: "Dat heb ik niet meegekregen. Voor mijn gevoel is dit veel anders gebeurd. Ik bedoel daarmee te zeggen dat alles van het ingrijpen in de kamer heeft afgespeeld. Nu ik de beelden zie, blijkt dat het niet allemaal in de kamer heeft afgespeeld. Het moment van ingrijpen was duidelijk buiten de kamer. " (…)
  • Hij zich, na het zien van de camerabeelden, voelt als een 'onbetrouwbare zak hooi'. Hierover zei hij: "Ik voel mij nu echt als een onbetrouwbaar zak hooi. Ik schrik hiervan. Ik dacht echt dat ik het goed had, serieus. Ik heb de slag niet ervaren als slag maar als het beetpakken bij het gezicht. Misschien heb ik het niet opgeslagen.” (…)
3.20.
BI heeft in het kader van het onderzoek een forensisch arts ingeschakeld. Deze arts heeft een toedrachtsonderzoek uitgevoerd op basis van het letsel van de jongere, en vijf scenario’s geschetst. In het rapport is daarover onder meer opgenomen:

5.1.4 Beschouwing van de scenario's
Scenario 4: De jeugdige heeft bij de overmeestering voorafgaand aan het naar de grond brengen één of meerdere van de omschreven verwondingen opgelopen doordat stomp botsend geweld is toegepast (zoals bij scenario 3) en aanvullend letsel opgelopen door de val op de grond.
Dit scenario beschrijft eenmogelijke oorzaak van het ontstaan van alle beschreven letsels:
Wanneer de jeugdige in eerste en/of tweede instantie met een vuist of elleboog tegen het hoofd is geslagen kan dit de zwelling aan rechter- of linkerzijde van het gelaat verklaren, evenals de huidonderbreking van de onderlip links, de neusbloeding en een lichte hersenschudding. Een éénmalige knie op neus en lip zetten, kan eveneens de bloeding van mond of neusslijmvlies verklaren en de scheur/barstwond van de onderlip linkerzijde. Het is niet aannemelijk dat door een vuistslag, elleboogstoot of knie in het gelaat een breuk in de voorhoofdsholte is ontstaan. Een harde val op het hoofd kan wél de breuk in de voorhoofdholte verklaren en is eveneens een verklaring voor het ontstaan van de hersenschudding.
(…)
Scenario 4, waarin er voorafgaande aan het naar de grond brengen van [de jongere] al geweld is toegepast middels het toepassen van stomp botsend geweld op het gezicht van [de jongere] , waarna hij bij het op de grond terecht komen aanvullend letsel heeft opgelopen door hardhandig met zijn hoofd in aanraking te zijn gekomen met de vloer, is hetmeest aannemelijk. Binnen dit scenario zijn alle letsels en de op het gelaat van [de jongere] aanwezige bloedsporen goed verklaarbaar. Bovendien wordt dit scenario niet uitgesloten door de verklaringen van de getuigen en de camerabeelden.”
3.21.
In het rapport beantwoordt BI de onderzoeksvragen als volgt:
7.1 Vraag 1: Wat zijn de feiten en omstandigheden met betrekking tot het incident op woensdag 9 april 2025?
Tijdens het onderzoek is gebleken dat de verschillende verklaringen op meerdere punten van elkaar afwijken, waardoor geen eenduidige lijn kan worden vastgesteld. (…)
7.1.1 (
Betrouwbaarheid van) de verklaringen
(…)
Hoewel de verklaringen m.b.t. het inleveren van de verklaringen op bepaalde punten uiteenlopen, is wel gebleken dat de heer [werknemer] en de heer [collega 1] op de hoogte waren van de inhoud van de afgelegde verklaringen. Deze omstandigheid is relevant voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring die ze bij de onderzoekers hebben afgelegd d.d. 16 juni 2025. De heer [werknemer] en de heer [collega 1] hebben allebei verklaard dat ze de verklaring niet met elkaar hebben afgestemd. Het feit dat ze kennis hadden van wat anderen reeds hadden verklaard, kan echter invloed hebben gehad op de wijze waarop zij hun eigen verklaring hebben geformuleerd, door (bewust of onbewust) aansluiting te zoeken bij reeds bekende informatie. Daarnaast is tevens gebleken dat de heer [werknemer] en de heer [collega 1] , ondanks het advies om dit niet te doen, onderling contact met elkaar hebben
onderhouden. (…)
7.1.3
Incident in en rondom de kamer van [de jongere]
De verklaringen van de getuigen en de betrokkene(n) geven geen eenduidig beeld van het incident in (en buiten) de kamer van [de jongere] op 9 april 2025. Daarnaast bestaan er discrepanties tussen de verklaringen, de camerabeelden en de uitkomsten van het toedrachtsonderzoek. (…)
[de jongere]
verklaarde bij de onderzoekers, d.d. 18 juni 2025, het volgende:
  • (…) Kennelijk was mijn reactie 'Zonder pieper zijn jullie helemaal niks' de trigger voor beveiliger 2 [kantonrechter: [collega 1] ] om in te grijpen. Hij pakte mij met één hand bij mijn haren vast. Ik weet niet meer welke hand het was. Ik had op dat moment langer haar (afro kapsel). Hij pakte mij midden op het hoofd. Op dat moment zag en voelde ik dat beveiliger 1 (kantonrechter: [werknemer] ) met zijn elleboog een rare beweging maakte tegen de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde een bonkend en prikken gevoel aan de linker kant van mijn gezicht. Het voelde als een steek. Ik heb nog nooit eerder een klap tegen mijn hoofd gehad. Ik stond op dat moment met mijn zicht in de richting van de gang. Ik deed mijn hoofd naar beneden en werd duizelig. Ik voelde vervolgens dat ik een knietje tegen mijn neus/lip kreeg. Ik zag wel dat ik dat knietje kreeg maar ik weet niet wie dat knietje gaf. (…)
  • Dat het volgende gebeurde na het knietje: "Ik werd vastgepakt door de beveiligers bij mijn beide armen en ook bij mijn nek. Ik weet niet precies wie wat heeft gedaan want ik zag wazig. Ik voelde wel dat er een beveiliger bij mijn ene onderarm mij vastpakte en een andere beveiliger aan de andere kant mij vastpakte. Op het moment dat ik was vastgepakt, voelde ik een slag/stoot aan de rechter kant (slaap) van mijn gezicht. Ik heb niet gezien op welke wijze deze slag/stoot werd gegeven omdat ik wazig zag. Ik stond op dat moment nog steeds op mijn benen voorovergebogen. Daarna pakte de beveiligers mij vast en zeiden dat ik moest meewerken. Ze zeiden dat ik op de grond moest gaan liggen en dat deed ik ook. Ik lag op mijn rechterkant van mijn gezicht op de grond. De beveiligers waren hardhandig want er werd met een knie op mijn hoofd gelegd (door beveiliger 1), een knie op mijn rug gelegd (door beveiliger 2) en met een been op mijn knie geleund door een van de andere beveiligers. Beveiliger 2 hield ook mijn handen op mijn rug. Vervolgens werd er alarm gedrukt en toen kwamen er andere medewerkers. Dit werd door de beveiligers namelijk geroepen ('Druk alarm, druk alarm')."
  • Dat hij als volgt op de vloer terecht kwam: "Ik kwam op mijn buik terecht met mijn armen op mijn rug en mijn rechterkant van mijn gezicht lag op de vloer. Ik was natuurlijk al voorovergebogen en de beveiligers hielden mij vast bij mijn armen en ik werd hardhandig naar de grond gewerkt terwijl de beveiligers mijn handen wel vasthielden. Ik probeerde mijn
hoofd omhoog te houden omdat ik zag dat het bloed uit mijn neus en mond op de grond lag. Ik voelde dat een onbekend gebleven beveiliger mijn hoofd naar de vloer drukte waardoor ik in het bloed terecht kwam met mijn hoofd. Vervolgens werd, zoals ik eerder vertelde, door
beveiliger 1, een knie op mijn gezicht gedrukt. Het was een grote plas bloed die op de grond lag. Ik gaf aan dat mijn knie pijnlijk was. Ik zei 'Auw, mijn knie'. Ik merkte dat daarop geen reactie van de beveiligers kwam. " (…)
De verklaring van de jeugdige sluit aan bij het toedrachtsonderzoek van de forensisch arts waarin wordt geconcludeerd dat er minimaal drie stomp botsend geweld inwerkende momenten aanwezig geweest zouden moeten zijn om het totaalbeeld van de letsels te kunnen verklaren: één aan de rechterzijde van het gezicht, één aan de linkerzijde van het gezicht en één aan de voorzijde van het gezicht. Ook sluit de verklaring van de jeugdige aan bij het scenario dat door de forensisch arts en forensisch adviseur als meest waarschijnlijk wordt beoordeeld: de jeugdige heeft één of meerdere van de omschreven verwondingen opgelopen doordat stomp botsend geweld is toegepast en heeft aanvullend letsel opgelopen door de val op de grond.
De verklaring van de jeugdige is op een aantal punten echter niet verenigbaar met de feiten zoals bekend. De jeugdige verklaart dat het eerste fysieke geweld de elleboog beweging van de heer [werknemer] betreft. Dit is niet in lijn met de camerabeelden waarbij te zien is dat de heer [collega 1] een slaande beweging maakt met een vuist. Daarnaast hebben de onderzoekers aan de jeugdige gevraagd om de situatie te schetsen zoals het was op het moment dat de jeugdige bij zijn kamer aan kwam. De jeugdige maakte hierop een tekening waarbij hij zich in zijn kamer bevond en de vier complexbeveiligers buiten de kamer van de jeugdige stonden. Uit de camerabeelden blijkt echter dat de jeugdige op/nabij de drempel van zijn kamer stond en er op dat moment drie in plaats van vier beveiligers voor de kamer van de jeugdige stonden. (…)
De heer [werknemer]
(…) Tijdens het gesprek met de onderzoekers, d.d. 16 juni 2025, verklaarde heer [werknemer] onder andere het volgende:
  • Het 'ingrijpen' zag er als volgt uit: " [collega 1] is lang. Hij maakte een soort van omhelzing op schouderhoogte bij [de jongere] Toen rolden/vielen ze beiden de cel naar binnen. Toen stond ik nog buiten. Dan is het zaak om [de jongere] zo snel mogelijk onder controle te brengen. [collega 1] bracht [de jongere] naar de grond. Er werd geworsteld. Alles bij elkaar duurde dit misschien 30 seconden. In die 30 seconden stribbelde [de jongere] tegen. Het hoofd van [de jongere] lag richting het raam met de benen richting de deur. Hij lag op zijn buik. Toen [de jongere] op de grond lag pakte ik direct zijn linkerhand. Ik zette mijn knieën op zijn bovenarm en mijn handen op zijn linker pols. Ik kreeg van [collega 1] de rechterarm van [de jongere] die ik ging boeien. Vervolgens plaatste ik zijn linkerarm erbij en boeide die ook. Op dat moment lag [de jongere] nog steeds op de grond op zijn buik. Op het moment van controle zag ik bloed en vermoedde een bloedneus. Ook op de grond lag bloed. "
  • Op de vraag of er buitensporig geweld is toegepast op de jeugdige, reageerde de heer [werknemer] : "Nee, zeker niet! Niet door mij, niet door [collega 1] en ook niet door [persoon 2] . De kaak is gebroken, dat is spijtig. Het is een kind, snapt u? Dit is nooit de bedoeling geweest maar het is een noodlottig ongeluk. Dat zeg ik, ik werk er al bijna 20 jaar. Ik weet toch dat je iemand niet zo op zijn gezicht kan rossen? U heeft mij nog nooit hier zien zitten bij Bureau Integriteit. Het is heel vervelend hoe het gelopen is. Het kan gebeuren in een worsteling."(…)
Na het zien van de camerabeelden verklaarde de heer [werknemer] bij de onderzoekers:
(…)
  • Op de vraag van de onderzoekers wat er zich werkelijk had afgespeeld in de kamer van de jeugdige, reageerde de heer [werknemer] : "Wat ik jullie heb verteld. Ik zat links ik hield zijn linkerhand onder controle. [collega 1] de rechterhand. [persoon 2] komt met zijn knie in zijn rug. [persoon 3] , dat weet ik niet. Ik dacht dat hij er niet was. Dat was het. Het was zo gepiept. Binnen 30 seconden. In mijn beleving is de jongen op de grond beland met [collega 1] . Dat is het enige moment dat hij verwondingen kon oplopen."
  • Op de vraag hoe de heer [werknemer] de aanzienlijke verwondingen aan het gezicht van de jeugdige verklaarde, reageerde hij: "Ik ben 20 jaar geleden begonnen bij de jeugdinrichting. Ik heb een eed afgelegd. Ik heb gezworen dat ik mijn werk goed zat doen. Ik heb nog nooit een jeugdige geslagen. Ik heb ook nog nooit een collega gezien die een jeugdige heeft geslagen. Op welk moment moet die jongen klappen hebben gehad? Ik denk echt dat hij met zijn gezicht op de grond is gevallen." (…)
Concluderend
Op basis van de vergelijking tussen de verklaringen van de getuigen, de betrokkene(n), de camerabeelden en de bevindingen uit het toedrachtsonderzoek door de forensisch arts, ontstaat geen volledig eenduidig beeld van het incident op 9 april 2025 in en rondom de kamer van [de jongere]
Wel kan worden vastgesteld dat één van de verklaringen in de grootste mate aansluit bij de bevindingen van de forensisch arts en een plausibele verklaring biedt voor het gehele geconstateerde letselbeeld bij [de jongere] Hoewel ook deze verklaring enkele discrepanties bevat, is dit de enige verklaring die in medisch-forensische zin consistent is met het door de deskundige vastgestelde letsels. Dit betreft de verklaring van [de jongere] Enkel [de jongere] verklaart meerdere stomp botsend geweld inwerkende momenten: één aan de rechterzijde van het gezicht, één aan de linkerzijde van het gezicht en één aan de voorzijde van het gezicht. Ook sluit de verklaring van de jeugdige aan bij het scenario dat door de forensisch arts en forensisch adviseur als meest waarschijnlijk wordt geacht: de jeugdige heeft één of meerdere van de omschreven verwondingen opgelopen doordat stomp botsend geweld is toegepast en heeft aanvullend letsel opgelopen door de val op de grond.
Daarnaast is er één getuige, mevrouw [collega 4] , die een deel van het incident heeft waargenomen. Zij heeft verklaard een slaande beweging gezien te hebben maar zij heeft niet waargenomen dat deze beweging daadwerkelijk [de jongere] raakte. Op grond van het toedrachtsonderzoek zou, indien die beweging heeft geleid tot contact, dit in overeenstemming zijn met een deel van het geconstateerde letsel. Deze verklaring is daarmee enkel deels ondersteunend. De overige verklaringen vertonen grotere inconsistenties met de camerabeelden en het toedrachtsonderzoek van de forensisch arts en worden daarom als minder aannemelijk beschouwd in relatie tot het gehele letselbeeld van [de jongere] Op basis van het voorgaande, achten de onderzoekers het aannemelijk dat de verklaring(en) van de betrokkene(n) m.b.t. de uitgevoerde handelingen niet (volledig) op de waarheid berust(en).
7.2
Vraag 2: In hoeverre is er bij de op kamer plaatsing van [de jongere] , d.d. 9 april 2025, door de betrokkene gehandeld in lijn met de geldende (gewelds- en/of dienst) instructie(s)?
(…) Op grond van de camerabeelden en de afzonderlijke verklaringen van betrokkenen en getuigen is niet vast te stellen of sprake was van een acute veiligheidssituatie die in inzet van geweld rechtvaardigde. Het gebrek aan audio bij de camerabeelden, maakt het niet mogelijk om vast te stellen of er gewaarschuwd is voor de toepassing van geweld, waarmee de jeugdige - in lijn met de instructie - regie kon houden over zijn situatie. Echter is zowel aan getuigen als aan de betrokkene(n) gevraagd wat zij hebben waargenomen (gezien en gehoord). Niemand heeft verklaard dat een dergelijke waarschuwing gegeven zou zijn waardoor de onderzoekers het aannemelijker achten dat er niet is gewaarschuwd voor de toepassing van het geweld in plaats van dat er wel voor is gewaarschuwd. (…)
Uit het onderzoek blijkt dat de betreffende de handelingen die zijn verricht bij het op kamer plaatsen van [de jongere] (onvoldoende) in beeld zijn gebracht. De camerabeelden bieden daardoor geen duidelijkheid over het daadwerkelijk handelen van de betrokkene. Er is daarnaast gesproken met getuigen en met de betrokkene. Deze verklaringen geven echter geen consistent beeld van de feitelijke gang van zaken. Er is geen eenduidig beeld ontstaan van de handelingen die door de betrokkene verricht zijn. Aangezien het beschikbare bewijsmateriaal, bestaande uit de camerabeelden en verklaringen, onvoldoende basis biedt om met voldoende zekerheid vast te stellen wie welke handelingen heeft verricht, kan niet worden vastgesteld in hoeverre is gehandeld in overeenstemming met de geldende dienstinstructies.
De onderzoekers hebben wel de handelingen waarover de betrokkene heeft verklaard, afgezet tegen de camerabeelden en het toedrachtsonderzoek dat door de forensisch arts is uitgevoerd. Op grond van deze vergelijking kan geconcludeerd worden dat dat de verklaring van de betrokkene niet consistent is met de camerabeelden en tevens niet consistent is met het door de forensisch arts geconstateerde letselbeeld. De door de betrokkene beschreven handelingen bieden geen plausibele verklaring voor de geconstateerde letsels bij de jeugdige.
7.3
Vraag 3: Wat is het aandeel van de heer [werknemer] bij dit incident?
Zie tevens paragraaf 7.1 en paragraaf 7.2. Er is geen eenduidig beeld ontstaan
m.b.t. de handelingen die door de betrokkene verricht zijn richting [de jongere]
bij het incident op 9 april 2025. De volgende conclusies kunnen echter wel
getrokken worden:
  • De verklaring van de betrokkene is niet consistent met de camerabeelden en is tevens niet consistent met het door de forensisch arts geconstateerde letselbeeld.
  • De door de betrokkene beschreven handelingen bieden geen plausibele verklaring voor de geconstateerde letsels bij de jeugdige.
  • Het is aannemelijk dat de verklaring van de betrokkene niet (volledig) op waarheid berust. Hieruit voortvloeiende is het tevens aannemelijk dat de opgestelde rapportage, d.d. 9 april 2025 van het incident, niet (volledig) op waarheid berust. (…)”
3.22.
[werknemer] is op 15 oktober 2025 gehoord naar aanleiding van de aangifte van de jongere.
3.23.
[werknemer] is bij brief van 6 november 2025 uitgenodigd om het rapport op 25 november 2026 te bespreken. [10] De uitnodigingsbrief vermeldt dat het gesprek plaatsvindt op een termijn van 14 dagen om [werknemer] de gelegenheid te geven om het rapport door te lezen en juridische bijstand in te schakelen.
3.24.
Tijdens het gesprek van 25 november 2026 is gezegd dat de procedure naar de kantonrechter zal worden gestart om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, en dat [werknemer] tot 9 december 2026 de tijd had om met een tegenvoorstel te komen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
3.25.
Bij brief van 26 november 2025 is aan [werknemer] bevestigd dat de arbeidsjurist van DJI de opdracht had gekregen om de procedure te starten om te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De brief vermeldt verder dat [werknemer] niet langer is geschorst, maar wel vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden met behoud van loon.
3.26.
Het verslag van het gesprek van 25 november 2025 dat als bijlage bij de brief zet vermeldt het volgende: [11]
“(…) Naar aanleiding van het incident heeft bureau integriteit het rapport afgerond, wat [werknemer] ook heeft ontvangen.
In dit gesprek wordt gedeeld hoe de organisatie tegen het rapport aankijkt en welke conclusie wordt getrokken.
(…)
[persoon 1] geeft de redenen aan waarom deze keuze is gemaakt:
Meer dan gerede twijfel over afgelegde verklaring over letsel jongere zoals deze door forensisch arts is beoordeeld. Verklaring komt niet overeen met opgelopen letsel;
schijn van onderlinge afstemming over incident, waardoor er bij werkgever geen vertrouwen meer is.
(…)
[persoon 1] begrijpt de twijfel en dat er vragen zijn. Dit gesprek is bedoeld om de mededeling te doen over consequenties, dus beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Dit gesprek is niet bedoeld voor hoor en wederhoor. Alles is verwoord in het rapport van bureau-integriteit. Eventueel bij kantonrechter kan men het verweer doen.
[persoon 1] zegt dat hij niet inhoudelijk meer gaan reageren.
(…)”
3.27.
Partijen zijn vervolgens met elkaar in overleg getreden over een minnelijke regeling. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.
3.28.
[werknemer] heeft op 2 december 2025 een brief gekregen van de officier van justitie dat hij naar aanleiding van de aangifte van de jongeren niet zal worden vervolgd vanwege onvoldoende bewijs. [12]
3.29.
Op 13 februari 2026 heeft DJI op het intranet een nieuwsflits gepubliceerd met de volgende inhoud:
“Het onderzoek dat Bureau Integriteit heeft verricht naar aanleiding van het vermoeden van niet-integer handelen door de heer [werknemer] en de heer [collega 1] is afgerond. Op basis van de onderzoeksrapporten heeft de locatiedirectie, in afstemming met het bevoegd gezag, besloten de arbeidsovereenkomst met de betrokken medewerkers te beëindigen.
Wij realiseren ons dat deze situatie impact heeft op collega’s die direct en indirect betrokken zijn, en mogelijk ook op de jongeren. Wij betreuren ten zeerste dat het zover heeft moeten komen. Tegelijk is het van groot belang dat wij als RJJI blijven staan voor integriteit, professionaliteit en veilige werkomgeving.
De directie van de RJJI kan en mag zich niet verder uitlaten over de inhoud van de rapporten of over eventuele vervolgstappen. Dit betreft vertrouwelijke informatie die we niet kunnen en ook niet willen delen, mede om de privacy van de betrokkenen te respecteren.
Wij vragen iedere medewerker om geen geruchten te verspreiden, niet te roddelen en bovenstaande (beperkte) informatie te accepteren en het hierbij te laten. Wanneer jongeren vragen stellen, kan volstaan worden met dat in verband met privacy, geen verdere uitleg wordt gegeven.”
3.30.
DJI heeft geen gehoor gegeven aan een verzoek van de advocaat van [werknemer] om het communicatiebericht te verwijderen en te rectificeren.

4.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

4.1.
Het verzoek van DJI , het verweer daartegen van [werknemer] en de door hem ingestelde tegen verzoeken luiden samengevat als volgt.
4.2.
DJI verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden,
primairvanwege verwijtbaar handelen,
subsidiairvanwege een verstoorde arbeidsverhouding. DJI verzoekt te bepalen dat aan [werknemer] geen transitievergoeding toekomt bij ontbinding op de primaire grondslag. Bij ontbinding op de subsidiaire grondslag verzoekt DJI de transitievergoeding waar [werknemer] aanspraak op heeft te bepalen op
€ 33.805,23 bruto. DJI verzoekt een proceskostenveroordeling van [werknemer] .
4.3.
[werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt
primairdat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [werknemer] verzoekt de kantonrechter DJI te veroordelen om hem binnen twee werkdagen na de datum van de beschikking weer toe te laten tot zijn eigen werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding vermeerderd met € 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt.
4.4.
Subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [werknemer] veroordeling van DJI tot betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 515.000,00 bruto, vermeerderd met wettelijke rente. [werknemer] verzoekt de kantonrechter bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst rekening te houden met de opzegtermijn zonder aftrek van de proceduretijd. Ook verzoekt [werknemer] de kantonrechter om DJI te gelasten het rectificatiebericht zoals weergegeven onder randnummer 108 van het verweerschrift binnen twee werkdagen na de beschikking intern te communiceren aan alle medewerkers van RJJI [locatie 1] , op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding vermeerderd met € 1.000,00 per dag dat overtreding voortduurt.
4.5.
In alle gevallenverzoekt [werknemer] veroordeling van DJI tot betaling van de volledige kosten van rechtsbijstand en DJI te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.6.
De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling van het verzoek en de tegenverzoeken in op de relevante standpunten die partijen hebben aangevoerd.

5.De beoordeling van het verzoek

5.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
5.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [13] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [14] Tot slot geldt dat de kantonrechter een verzoek tot ontbinding alleen kan inwilligen als er geen opzegverbod geldt. Hierop geldt een uitzondering indien het ontbindingsverzoek geen verband houdt met dat opzegverbod of indien er sprake is van omstandigheden die maken dat het in het belang van de werknemer is dat de arbeidsovereenkomst eindigt. [15] Partijen zijn het er in deze zaak over eens dat er geen sprake is van een opzegverbod.
5.3.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
Geen verwijtbaar handelen van [werknemer]
5.4.
DJI verzoekt primair ontbinding op grond van verwijtbaar handelen van [werknemer] , zodanig dat van DJI in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te laten voortduren (artikel 7:669 lid 1 en Pro 3 sub e BW).
5.5.
DJI maakt [werknemer] drie verwijten, die samengevat als volgt luiden:
[werknemer] heeft zonder waarschuwing niet gepast geweld gebruikt tegen de jongere;
[werknemer] heeft zich escalerend gedragen richting de jongere;
[werknemer] heeft niet naar waarheid verklaard over zijn handelen.
5.6.
Dit handelen levert volgens DJI plichtsverzuim op. [werknemer] voert verweer. De kantonrechter beoordeelt hierna alle verwijten.
Vooraf: het beroep op de stelplicht
5.7.
[werknemer] voert aan dat het verzoekschrift van DJI onduidelijk en onnavolgbaar is. Het is [werknemer] niet duidelijk wat DJI hem nu precies verwijt. DJI voldoet niet aan haar stelplicht door enkel te verwijzen naar door DJI gestelde feiten, het rapport van BI, jurisprudentie en de enkele stelling dat het vermeende handelen van [werknemer] in strijd is met het personeelsreglement, de gedragscode en de geweldsinstructie, zonder te onderbouwen waarom dit maakt dat er sprake is van een voldragen ontslaggrond. Het verzoek van DJI moet dan ook al worden afgewezen op grond van het niet voldoen aan de stelplicht.
5.8.
Hoewel de kantonrechter het met [werknemer] eens is dat het verzoekschrift niet uitblinkt in duidelijkheid, zijn de verwijten die DJI [werknemer] maakt wel uit het stuk te destilleren. Uit het verweerschrift blijkt dat dat [werknemer] ook gelukt is, en bovendien zijn de verschillende verwijten tijdens de mondelinge behandeling aan de orde gekomen en heeft [werknemer] daartegen verweer gevoerd. De kantonrechter zal het verzoek dan ook niet al afwijzen op grond van de stelplicht.
Ad 1. Niet gepast geweld
De standpunten van partijen
5.9.
DJI is van mening dat [werknemer] in strijd heeft gehandeld met de Dienstinstructie geweld en de kernwaarden zoals beschreven in de Gedragscode DJI , meer in het bijzonder de kernwaarde respect (zie 3.5). Daardoor heeft [werknemer] zich niet als goed ambtenaar gedragen. DJI onderbouwt dit als volgt:
  • [werknemer] heeft met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geweld gebruikt tegen de jongere in zijn kamer. De tijd totdat de jongere geboeid was, was kort, zo’n 30 seconden volgens [werknemer] . In die tijd heeft de jongere zijn letsels opgelopen, welke letsels niet anders kunnen zijn ontstaan dan door stomp botsend geweld met een vuist of elleboog tegen beide zijden van het hoofd van de jongere (scenario 4, zie 3.20). Dit stemt overeen met de verklaring van de jongere dat hij tweemaal door twee verschillende beveiligers, [werknemer] en [collega 1] tegen zijn slaap is geslagen. Slechts in een uitzonderlijk geval van noodweer/zelfverdediging kan een medewerker een vuistslag geven. Het is duidelijk dat daar in de situatie met de jongere geen sprake van is geweest.
  • [werknemer] heeft in strijd met de geldende regels voorafgaand aan het toepassen van geweld geen waarschuwing gegeven. BI heeft vastgesteld dat geen van de betrokkenen en getuigen hebben verklaard dat er een waarschuwing is gegeven, zodat BI het aannemelijker acht dat er niet is gewaarschuwd voor de toepassing van het geweld in plaats van dat er wel voor is gewaarschuwd.
  • [werknemer] heeft geweld gebruikt tegen de jongere terwijl op grond van de verklaringen van de betrokkenen en getuigen niet vaststaat dat sprake was van een acuut dreigende situatie die de inzet van geweld zou kunnen rechtvaardigen. De inzet van geweld is een uiterst middel, als geen andere mogelijkheden meer bestaan om een acuut gevaar af te wenden. Uit de camerabeelden blijkt dat er geen sprake was van een dergelijke situatie.
  • Als er al sprake was van een dreigende situatie, dan had die dreiging op een andere manier kunnen worden afgewend. [werknemer] en zijn collega’s hadden allemaal naar achteren kunnen stappen, waarna de deur van de kamer van de jongere gesloten had kunnen worden. Als er al gepast geweld had moeten worden gebruikt, dan was het logischer geweest als [werknemer] en zijn collega’s de jongere onder controle hadden gebracht met een opbrenggreep buiten de kamer van de jongere. Daar is namelijk veel meer ruimte en bovendien hangen daar camera’s.
5.10.
[werknemer] betwist met klem dat hij geweld heeft gebruikt tegen de jongere. Hij heeft de jongere niet geslagen of een elleboog tegen het gezicht gegeven. De jongere heeft aangifte gedaan tegen [werknemer] vanwege hetzelfde feit, en dit heeft niet geleid tot strafrechtelijke vervolging. De zaak is geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. Op grond van de onschuldpresumptie kan geen ontbinding worden gevraagd op grond van hetzelfde feit dat heeft geleid tot een technisch sepot. Uit de camerabeelden blijkt niet dat [werknemer] geweld heeft toegepast en dit is door BI ook niet vastgesteld. BI heeft nu juist geconcludeerd dat het niet duidelijk is wat er is voorgevallen en wat het aandeel van [werknemer] daarin is geweest. De vraag of er sprake was van acuut gevaar is niet relevant nu [werknemer] geen geweld heeft toegepast. [werknemer] en zijn collega’s hadden niet simpelweg naar achteren kunnen stappen en de deur kunnen sluiten, omdat de jongere op het moment van ingrijpen door [collega 1] op de drempel van zijn kamer stond. [werknemer] kon niet waarschuwen voor geweld dat hij niet heeft toegepast. Bovendien geldt dat de Dienstinstructie geweld niet in alle situaties een waarschuwing vooraf voorschrijft, maar alleen indien de situatie dat toelaat.
Het oordeel van de kantonrechter
5.11.
De kantonrechter oordeelt dat op geen enkele manier blijkt dat [werknemer] de jongere een elleboog of vuistslag in het gezicht heeft gegeven.
5.12.
In het kader van het onderzoek door BI zijn alle betrokkenen gehoord. Geen van de betrokkenen heeft verklaard dat [werknemer] de jongere een elleboog of vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Ook [werknemer] heeft consistent verklaard dat hij de jongere niet heeft geslagen.
5.13.
Ook BI heeft na uitvoerig en langdurig onderzoek niet kunnen vaststellen dat [werknemer] de jongere heeft geslagen: “
Op basis van de vergelijking tussen de verklaringen van de getuigen, de betrokkene(n), de camerabeelden en de bevindingen uit het toedrachtsonderzoek door de forensisch arts, ontstaat geen volledig eenduidig beeld van het incident op 9 april 2025 in en rondom de kamer van [de jongere]
En: “
Uit het onderzoek blijkt dat de betreffende de handelingen die zijn verricht bij het op kamer plaatsen van [de jongere] (onvoldoende) in beeld zijn gebracht. De camerabeelden bieden daardoor geen duidelijkheid over het daadwerkelijk handelen van de betrokkene. Er is daarnaast gesproken met getuigen en met de betrokkene. Deze verklaringen geven echter geen consistent beeld van de feitelijke gang van zaken. Er is geen eenduidig beeld ontstaan van de handelingen die door de betrokkene verricht zijn. Aangezien het beschikbare bewijsmateriaal, bestaande uit de camerabeelden en verklaringen, onvoldoende basis biedt om met voldoende zekerheid vast te stellen wie welke handelingen heeft verricht, kan niet worden vastgesteld in hoeverre is gehandeld in overeenstemming met de geldende dienstinstructies.
5.14.
Alleen de jongere zelf heeft verklaard dat [werknemer] hem een elleboog tegen zijn slaap heeft gegeven. Daarover concludeert BI:
“De verklaring van de jeugdige is op een aantal punten echter niet verenigbaar met de feiten zoals bekend. De jeugdige verklaart dat het eerste fysieke geweld de elleboog beweging van de heer [werknemer] betreft. Dit is niet in lijn met de camerabeelden waarbij te zien is dat de heer [collega 1] een slaande beweging maakt met een vuist.”
5.15.
Zoals aangegeven zijn de camerabeelden tijdens de mondelinge behandeling meerdere malen bekeken. De kantonrechter heeft ook zelf kunnen constateren dat op de beelden niet te zien is dat [werknemer] de jongere een elleboog tegen zijn slaap geeft, of zelfs maar een beweging maakt die daarop lijkt. Het enkele feit dat de jongere zelf spreekt over een elleboog tegen de slaap door [werknemer] , maakt dan ook niet dat dit zelfs maar aannemelijk wordt (laat staan vast komt te staan).
5.16.
De kantonrechter acht ook van groot belang dat het Openbaar Ministerie [werknemer] niet strafrechtelijk heeft vervolgd, maar heeft geconcludeerd dat een sepot op zijn plaats is. Hoewel dit sepot niet automatisch betekent dat er geen sprake kan zijn van verwijtbaar handelen door [werknemer] (waarbij ook relevant is dat DJI meerdere gedragingen van [werknemer] aan haar verzoek ten grondslag legt), is het sepot wegens gebrek aan bewijs uiteraard wel degelijk relevant.
5.17.
DJI lijkt te redeneren vanuit het letsel dat de jongere heeft opgelopen, en het meest aannemelijke scenario dat in het rapport van BI is benoemd. In dat scenario 4 (zie 3.20) is er sprake van het toepassen van stomp botsend geweld op het gezicht van de jongere, waarna hij bij het op de grond terecht komen aanvullend letsel heeft opgelopen. DJI maakt daar in randnummer 30 van haar verzoekschrift van dat de letsels ‘
niet anders kunnen zijn ontstaan dan door stomp botsend geweld met een vuist of elleboog tegen beide zijden van het hoofd van de jongere.’ Waar in het rapport wordt gesproken over ‘mogelijke oorzaak’(door de forensische arts), en BI concludeert dat scenario 4 het ‘meest aannemelijk’ is, transformeert DJI dat in het verzoekschrift ten onrechte tot een zekerheid. DJI koppelt daar ook nog aan dat het [werknemer] moet zijn geweest die de jongere in zijn kamer een vuist of elleboog heeft gegeven, terwijl de jongere dit zelf niet verklaart of daar anderszins aanknopingspunten voor zijn. [werknemer] was bovendien niet alleen in de kamer met de jongere.
5.18.
De kantonrechter overweegt dat ook het gecontroleerd fixeren van een jongere valt onder de definitie van geweld zoals geformuleerd in de Dienstinstructie geweld. Dat kan vallen onder gepast geweld, maar blijft geweld. DJI heeft dit op zitting ook bevestigd. Uit het verzoekschrift en hetgeen aan de orde is gekomen tijdens de mondelinge behandeling blijkt echter duidelijk dat DJI met het verwijt dat [werknemer] niet gepast geweld heeft gebruikt doelt op de elleboog tegen de slaap (of een vuistslag). Niet gesteld of gebleken is dat DJI ook het oog heeft op de hulp die [werknemer] volgens zijn eigen verklaring heeft geboden bij het onder controle brengen van de jongere in zijn kamer. Nu een elleboog of vuistslag niet aan de orde is, en daarmee geldt dat vast komt te staan dat [werknemer] geen ongepast geweld heeft gebruikt zoals bedoeld door DJI , kan het vooraf waarschuwen of het niet bestaan van een acuut dreigende situatie geen verwijt meer zijn. Deze verwijten zijn immers onlosmakelijk verbonden met de stelling dat [werknemer] niet gepast geweld heeft gebruikt.
5.19.
Wat betreft de stelling dat [werknemer] en zijn collega’s er in geval van een acute dreiging voor hadden moeten kiezen om anders te handelen, namelijk door naar achteren te stappen en de jongere op de gang onder controle te brengen, geldt dat DJI dit gelet op de gemotiveerde betwisting door [werknemer] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld. Zelfs al zou dit anders zijn, dan kan dit als zelfstandig verwijt ook geen rechtvaardiging vormen voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Ad 2. Escalerend gedrag
De standpunten van partijen
5.20.
DJI stelt dat [werknemer] zich vanaf het moment dat hij samen met zijn collega’s de jongeren naar hun kamers begeleidde, niet met de jongere had moeten bemoeien. [werknemer] had afstand moeten nemen omdat hij als een rode lap was voor de jongere, zoals [werknemer] zelf verklaarde. In plaats daarvan is [werknemer] de confrontatie met de jongere aangegaan. Dat handelen en gedrag van [werknemer] is escalerend gedrag, in plaats van het vereiste de-escalerend handelen en gedrag zoals dat van [werknemer] verwacht had mogen worden op grond van de Gedragscode DJI .
5.21.
Voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft DJI aan de hand van de camerabeelden van de trap (de route die voorafgaat aan de gang waaraan de kamers gelegen zijn) betoogd dat [werknemer] te dicht op de jongere loopt, zich groot maakt en zich intimiderend opstelt naar de jongere. Ook had [werknemer] volgens DJI niet voorop moeten lopen met de jongere.
5.22.
[werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling weersproken dat hij escalerend heeft opgetreden. Hij heeft zich achteraf pas gerealiseerd dat hij als een rode lap voor de jongere zou kunnen werken, gelet op het optreden op 7 april 2025 (zie 3.8). De jongere staat stil bovenaan de trap, waardoor de ruimte tussen hen wordt verkleind. [werknemer] laat de jongere eerst van de trap gaan vanuit het oogpunt van veiligheid: anders zou [werknemer] geduwd kunnen worden. Op beelden die volgen op de route op de trap blijkt dat [werknemer] voldoende afstand houdt tot de jongere. Ook heeft [werknemer] opgemerkt dat als een Inrichtingsbeveiliger zich moet terugtrekken op het moment dat een jongere boos is, niemand meer goed zijn werk kan doen. In de slaapgang is [werknemer] naar de kamer van de jongere gelopen omdat hij merkte dat de jongere niet luisterde en verbaal agressief bleef, en is hij om die reden assistentie gaan verlenen aan [collega 1] .
Het oordeel van de kantonrechter
5.23.
De kantonrechter oordeelt dat het te dicht op de jongere lopen bij de trap en het voorop lopen, ook als [werknemer] zich ten tijde van het lopen bewust was van de ‘rode lap’ die hij kennelijk voor de jongere vormde, onvoldoende reden is om een verwijt in de zin van de e-grond aan [werknemer] te maken. DJI heeft ook toegelicht tijdens de zitting dat het handelen bij de trap moet worden beschouwd in het geheel.
5.24.
Van het geheel maakt uit het optreden van [werknemer] bij de kamer van de jongere. Van het toepassen van niet gepast geweld is zoals hiervoor geoordeeld geen sprake. Blijft over het naar de jongere toelopen toen bleek dat deze niet luisterde naar de instructies van [collega 1] . DJI heeft tijdens de mondelinge behandeling betoogd dat daar geen noodzaak toe lijkt te bestaan. DJI heeft niet, althans onvoldoende toegelicht waarom het helpen van een collega juist niet van [werknemer] verwacht mocht worden in de gegeven omstandigheden.
5.25.
DJI spreekt op basis van de camerabeelden van intimidatie. Naar het oordeel van de kantonrechter past deze kwalificatie niet bij hetgeen op de beelden te zien is, mede gelet op de gemotiveerde weerlegging door [werknemer] .
5.26.
Het gedrag zoals beschreven door DJI zou naar het oordeel van de kantonrechter hoogstens onderwerp van evaluatie moeten zijn, en niet een reden moeten vormen om een einde te maken aan een langdurig en (onbetwist) onberispelijk dienstverband van [werknemer] .
Ad 3. Niet naar waarheid verklaren
5.27.
DJI stelt dat [werknemer] heeft gelogen, althans niet de waarheid heeft verklaard, over de toedracht van hetgeen zich op de drempel en in de kamer van de jongere heeft afgespeeld. (Pas) in de spreekaantekeningen van DJI heeft dit meer substantie gekregen. DJI baseert zich op de conclusie van BI dat aannemelijk is dat de verklaring van [werknemer] niet (volledig) op waarheid berust. [werknemer] vraagt zich af hoe vastgesteld kan worden dat hij over zijn handelen niet de waarheid heeft verklaard als uit datzelfde rapport van BI volgt dat niet duidelijk is wat de waarheid is?
5.28.
De kantonrechter constateert dat geen van de betrokkenen geheel in lijn met de camerabeelden heeft verklaard. [collega 3] (zie 3.19) voelt zich ‘
een onbetrouwbare zak hooi’ na het zien van de camerabeelden. Ook de jongere zelf verklaart niet in lijn met de camerabeelden. Ook de verklaring van [werknemer] bevat inconsistenties.
5.29.
Met haar stelling dat [werknemer] (dus) heeft gelogen, miskent DJI de beperkingen die het menselijk geheugen van nature heeft. Daar is in de (neuro)psychologie wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Herinneringen kunnen worden veranderd, elke keer dat je ze ophaalt. Aanvullingen op en wijzigingen van onze herinneringen kunnen onjuist zijn, bijvoorbeeld na het zien van foto’s, het lezen van berichten in de media of suggestieve vragen of opmerkingen van anderen. Nieuwe informatie kan onze herinneringen vervormen, ook zonder dat we dat door hebben. Waarnemingen kunnen onjuist worden geïnterpreteerd en veronderstellingen kunnen met feiten worden verweven. Er zijn vele beperkingen van het menselijk geheugen die maken dat ook een eerlijke en oprechte getuige onjuiste herinneringen ophaalt. [16]
5.30.
Indachtig het voorgaande, kan niet geconcludeerd worden dat [werknemer] bewust de waarheid niet heeft verteld. Bovendien werpt [werknemer] terecht de vraag op wat de waarheid is. DJI lijkt uit te gaan van een waarheid waarin [werknemer] de jongere een elleboog heeft gegeven of anderszins met geweld letsel heeft toegebracht, maar zoals uit het voorgaande blijkt maakt DJI dit ten onrechte tot waarheid. DJI heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [werknemer] de waarheid niet heeft gesproken, door feitelijk enkel te verwijzen naar hetgeen BI als aannemelijke conclusie presenteert in haar rapport. DJI maakt die conclusie zonder nadere motivering tot de hare.
5.31.
Ook dit verwijt van DJI aan [werknemer] houdt dan ook geen stand.
Tussenconclusie
5.32.
Het ontbindingsverzoek is niet toewijsbaar op de primaire grondslag van verwijtbaar handelen van [werknemer] , nu daar geen sprake van is.
Geen verstoorde arbeidsverhouding
De standpunten van partijen
5.33.
Subsidiair voert DJI aan dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding waarop de arbeidsovereenkomst zou moeten worden ontbonden. Van DJI kan in redelijkheid niet worden gevergd het dienstverband voort te laten bestaan vanwege de ernst van het handelen van [werknemer] jegens de jongere, alsook de ernst van het handelen jegens DJI . [werknemer] is, gelet op het letsel van de jongere, zijn tegenstrijdige verklaring(en), het door [werknemer] en [collega 1] afstemmen van hun verklaringen op elkaar, niet open en eerlijk geweest over dat wat zich op 9 april 2025 op de drempel en in de kamer van de jongere heeft afgespeeld, noch over zijn eigen rol daarin. DJI heeft geen vertrouwen meer in het functioneren van [werknemer] . Daarbij komt dat [werknemer] geen enkele reflectie laat zien over zijn rol in hetgeen is gebeurd. [werknemer] volhardt in ontkenning. Dat betekent ook dat herplaatsing van [werknemer] niet in de rede ligt.
5.34.
Volgens [werknemer] is er geen sprake van een voldragen g-grond. DJI legt dezelfde feiten en omstandigheden aan de verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag als aan het verwijtbaar handelen. Die verwijten zijn niet vast komen te staan. De g-grond is niet bedoeld als reparatiegrond. Bovendien vereist de g-grond dat het gaat om een verstoorde arbeidsverhouding, terwijl DJI spreekt over verlies van vertrouwen in het functioneren van [werknemer] . Dat is iets heel anders. Als er al sprake zou zijn van een verstoring, hetgeen [werknemer] betwist, dan wijst [werknemer] er op dat het duurzaamheidscriterium met zich brengt dat partijen tenminste constructieve en reële pogingen moeten hebben gedaan om te onderzoeken of de verstoorde relatie nog herstelbaar is. Dat is niet gebeurd, DJI heeft na ontvangst van het rapport van BI meteen op een einde van de arbeidsovereenkomst ingezet. DJI heeft ook niet voldaan aan de herplaatsingsplicht, terwijl die in het kader van de g-grond in deze zaak wel in de rede ligt. Ook daarom kan het verzoek tot ontbinding niet worden toegewezen, aldus [werknemer] .
Het oordeel van de kantonrechter
5.35.
Uit de motivering van de ontslaggrond door DJI volgt dat zij dezelfde feiten en omstandigheden aan de gestelde verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag legt als aan het gestelde verwijtbaar handelen van [werknemer] . Hiervoor is bij de beoordeling van de primaire ontslaggrond geconcludeerd dat de verwijten die DJI [werknemer] maakt geen stand houden. Het gestelde verlies van vertrouwen in het functioneren van [werknemer] is dan ook onterecht, en de stelling dat [werknemer] volhardt in ontkenning gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat [werknemer] bewust verzwijgt dat hij ongepast geweld heeft gebruikt.
5.36.
Desalniettemin kunnen deze onjuiste verwijten hebben geleid tot een verstoorde arbeidsverhouding. DJI stelt in ieder geval dat daar sprake van is. [werknemer] betwist dat er sprake is van een verstoring, maar gelet op al hetgeen zich sinds het incident van 9 april 2025 heeft voorgedaan is het aannemelijk dat er sprake is van een wederzijdse verstoring. De kantonrechter doelt op het volgende.
5.37.
[werknemer] is na het incident van 9 april 2025 geschorst en later vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van loon, en zit dus inmiddels al zo’n 15 maanden thuis. Er heeft een uitgebreid en intensief onderzoekstraject door BI plaatsgevonden, waarvan de uitkomsten lang op zich hebben laten wachten. Toen het rapport er uiteindelijk lag, heeft DJI [werknemer] uitgenodigd voor een gesprek, waarbij zij de indruk heeft gewekt dat het gesprek zou gaan over de inhoud van het rapport (zie 3.23). In feite was daar tijdens het gesprek geen ruimte voor en was het besluit van DJI om te streven naar beëindiging van het dienstverband al genomen. Er is door DJI zelfs letterlijk gezegd dat het gesprek niet bedoeld was voor hoor en wederhoor en dat [werknemer] zijn verweer kon voeren bij de kantonrechter (zie het gespreksverslag, 3.26). Het besluit om te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst werd ook gecommuniceerd binnen de organisatie via het intranet. [werknemer] werd niet geloofd, na een dienstverband van 19 jaar, en er was weinig contact vanuit de directie van DJI . [werknemer] werd niet of onvoldoende op de hoogte gehouden van de stand van het onderzoek. [werknemer] heeft in zijn slotwoord tijdens de zitting in eigen woorden verwoord wat voor impact dit alles op hem heeft gehad, waaronder het niet kunnen genieten van de geboorte van een kleinkind.
5.38.
Voor een ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding is echter nodig dat er niet alleen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, maar ook dat die zodanig en duurzaam is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daar is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van.
5.39.
De door DJI na 9 april 2025 ingeslagen weg heeft geleid tot de situatie zoals die vandaag de dag is. Het is volkomen terecht dat DJI de veiligheid van de jongeren prioriteit maakt en signalen dat daar inbreuk op wordt gemaakt serieus neemt en gedegen laat onderzoeken. Op het moment dat daar een rapport uit volgt met de conclusies zoals verwoord in het rapport van BI in deze zaak, moet DJI echter in staat zijn om een open en rechtvaardige afweging te maken. Uit het rapport van BI volgt niet dat [werknemer] de jongere een elleboog heeft gegeven of anderszins met ongepast geweld letsel heeft toegebracht. Desalniettemin houdt DJI vol dat dit wel is gebeurd. Geen van de betrokkenen heeft consistent verklaard, ook de jongere niet, maar DJI volgt de verklaring van de jongere wel en die van [werknemer] niet. DJI heeft een eigen verantwoordelijkheid om de inhoud van het rapport van BI te vertalen naar wat er arbeidsrechtelijk moet gebeuren. DJI heeft naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte gekozen voor de weg naar beëindiging van het dienstverband. DJI verwijt [werknemer] niet in staat te zijn tot reflectie op zijn eigen gedrag, het is nu aan DJI om te laten zien dat zij zelf in staat is tot de gewenste reflectie. Het is aan DJI om datgene te doen wat nodig is om de gestelde verstoring te herstellen.
5.40.
Bovendien is tijdens de zitting gebleken dat de gestelde verstoorde arbeidsrelatie niet bestaat op de werkvloer. Er waren vele collega’s van [werknemer] aanwezig, waarbij duidelijk was dat zij waren gekomen om [werknemer] te steunen en dat zij uitkeken naar de terugkeer van [werknemer] op de werkvloer.
Eindconclusie ten aanzien van het ontbindingsverzoek
5.41.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden, nu daarvoor geen redelijke grond bestaat.
Proceskosten
5.42.
De proceskosten komen voor rekening van DJI , omdat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.298,00 (€ 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De beoordeling van het verzoek tot toekenning van een integrale proceskostenveroordeling (naast een reguliere proceskostenveroordeling) volgt om herhaling te voorkomen enkel bij de beoordeling van het tegenverzoek. Daarbij wordt de beslissing in de zaak van het verzoek ook verwoord (zie 6.7).
5.43.
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beoordeling van het tegenverzoek

6.1.
Omdat de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, liggen alleen de tegenverzoeken ten aanzien van de wedertewerkstelling en de integrale proceskostenvergoeding ter beoordeling voor.
Wedertewerkstelling
6.2.
De kantonrechter wijst de gevorderde wedertewerkstelling toe. Nu de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden, heeft [werknemer] er recht op dat hij zijn werk weer kan uitvoeren.
6.3.
[werknemer] verzoekt om binnen twee werkdagen na de datum van de beschikking weer toegelaten te worden tot zijn eigen werkzaamheden. DJI heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat deze termijn te kort is. In de spreekaantekeningen van de gemachtigde van DJI is verwoord:
“Aan [werknemer] wordt het volledig uurloon en overige emolumenten betaald, zodat daarin geen belang schuilt om binnen twee werkdagen na de beschikking van uw Kantonrechter tot werk te worden toegelaten. Naar overtuiging van DJI zal, mocht u Kantonrechter onverhoopt het verzoek tot ontbinding afwijzen, eerst mediation moeten plaatsvinden om te bezien of [werknemer] in zijn eigen functie bij DJI aan het werk kan gaan. Daarbij heeft DJI de mogelijkheid een hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van uw Kantonrechter als het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen, afhankelijk van de inhoud van de overwegingen van uw Kantonrechter om tot afwijzing te komen. Toewijzing van de vordering tewerkstelling, terwijl DJI anderzijds hoger beroep instelt, leidt dan tot een onwenselijke situatie. Daarbij heeft DJI de mogelijkheid om het verzoek tot ontbinding in te trekken en dat recht zou met een vordering tewerkstelling wordt doorkruist.”
6.4.
De kantonrechter wijst het verzoek tot wedertewerkstelling toe op een termijn van een week na de datum van de beschikking. De kantonrechter ziet in de argumenten van DJI geen aanleiding om een andere termijn voor wedertewerkstelling toe te wijzen. [werknemer] zit al zo’n 15 maanden thuis. De opmerking dat [werknemer] al die tijd zijn volledige loon heeft ontvangen, miskent de impact die de situatie op [werknemer] heeft en dat er meer belangen spelen bij aan het werk gaan dan alleen geld. Het doorlopen van een mediationtraject kan niet als voorwaarde gesteld worden. De gesprekken die moeten plaatsvinden tussen de directie/leidinggevenden van DJI en [werknemer] in het kader van herstel van de arbeidsrelatie hoeven geen vertraging te vormen voor wedertewerkstelling, omdat collega’s op de werkvloer [werknemer] graag weer zien komen. Ook een eventueel hoger beroep is geen reden om [werknemer] af te houden van zijn recht om arbeid te verrichten. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [17]
6.5.
Hoewel DJI haar argumenten in de loop van de mondelinge behandeling heeft genuanceerd, in die zin dat de argumenten niet bedoeld waren om werkhervatting tegen te houden maar juist om werkhervatting zo soepel mogelijk te laten verlopen, ziet de kantonrechter in de aangedragen argumenten aanleiding om een dwangsom toe te wijzen zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.
Integrale proceskostenveroordeling
6.6.
[werknemer] verzoekt een integrale vergoeding van kosten van rechtsbijstand, naast een reguliere proceskostenveroordeling. De volstrekt onzorgvuldige en ongefundeerde handelswijze van DJI en het baseren van het ontbindingsverzoek op valse gronden rechtvaardigen vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten.
6.7.
De kantonrechter wijst het verzoek af. De gebruikelijke procesregels brengen mee dat voor proceskosten het liquidatietarief wordt gehanteerd (artikel 237 e.v. Rv) zodat er al zelden reden is voor vergoeding van werkelijke proceskosten. Een verzoek tot vergoeding van volledige proceskosten, in afwijking van het liquidatietarief, is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht (bijvoorbeeld bij evidente ongegrondheid of kansloosheid van het verzoek) of onrechtmatig handelen. Ook de eisen van goed werkgeverschap kunnen onder bijzondere omstandigheden tot een dergelijke vergoeding leiden. In deze zaak is van dat alles geen sprake. DJI krijgt weliswaar geheel ongelijk, maar de hoge lat die wordt aangelegd om van misbruik van procesrecht te kunnen spreken wordt niet gehaald.
Proceskosten
6.8.
Een veroordeling in de proceskosten conform het liquidatietarief is naar het oordeel van de kantonrechter wel toewijsbaar, omdat DJI op het belangrijke onderwerp van wedertewerkstelling ongelijk krijgt in de zaak van het tegenverzoek. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.154,00 aan salaris gemachtigde.
6.9.
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

7.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
7.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
7.2.
veroordeelt DJI in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als DJI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
7.3.
veroordeelt DJI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
7.5.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
7.6.
veroordeelt DJI om [werknemer] binnen een week na de datum van deze beschikking toe te laten tot het werk op locatie RJJI [locatie 1] te [plaats 1] en hem in staat te stellen al zijn gebruikelijke werkzaamheden zoals hij voorafgaand aan de schorsing van 10 april 2025 deed ongehinderd te laten vervullen, onder gelijkblijvende primaire en secundaire overeengekomen arbeidsvoorwaarden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat DJI daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,00,
7.7.
veroordeelt DJI in de proceskosten van € 1.154,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
7.8.
veroordeelt DJI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
7.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
7.10.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Voetnoten

1.Inclusief de loonsverhoging van 2,7% met ingang van 1 juli 2026 op basis van de cao Rijk.
2.Productie 18 bij het verzoekschrift.
3.Productie 4 bij het verzoekschrift.
4.Productie 16 bij het verzoekschrift.
5.Productie 5 bij het verzoekschrift
6.Productie 6 bij het verzoekschrift.
7.Productie 7 bij het verzoekschrift.
8.productie 8 bij het verzoekschrift.
9.Productie 9 bij het verzoekschrift.
10.Productie 10 bij het verzoekschrift.
11.Productie 9 bij het verweerschrift.
12.Productie 10 bij het verweerschrift.
13.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
14.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
15.Artikel 7:671b lid 2 jo. lid 6 BW.
16.Zie bijvoorbeeld Julia Shaw, De illusie van het geheugen, Waarom je misschien niet bent wie je denkt dat je bent, Amsterdam: Prometheus 2016, oorspronkelijke titel: The Memory Illusion Illusion en Professor Elizabeth Loftus: “
17.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.