ECLI:NL:RBZWB:2026:6381

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/245 en 25/246
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet WOZArt. 17 Wet WOZArt. 6:15 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt gegrondheid beroep tegen WOZ-waarde en OZB aanslag mantelzorgwoning

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebepalingen en aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor twee onroerende zaken, waaronder een mantelzorgwoning. De heffingsambtenaar had aanvankelijk de waarde van de percelen als één samenstel vastgesteld, maar wijzigde dit later naar twee zelfstandige woningen met afzonderlijke waarderingen en aanslagen.

De rechtbank oordeelde dat de objectafbakening volgens de Wet WOZ dwingend is en dat in dit geval geen sprake is van een samenstel, omdat de woningen verschillende gebruikers hebben. De toedeling van grond en overige gedeelten werd aangepast naar een 50/50-verdeling. De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar onvoldoende onderbouwing gaf voor de waardering van de mantelzorgwoning en dat de waarde te hoog was vastgesteld.

De rechtbank bepaalde de WOZ-waarde van de mantelzorgwoning in goede justitie op €170.000, aanzienlijk lager dan de eerdere waarderingen. Voor de andere woning bleef de waarde gehandhaafd, maar het beroep werd gegrond verklaard vanwege de gewijzigde objectafbakening. De aanslagen OZB werden dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd belanghebbende een proceskostenvergoeding en griffierecht toegekend.

Uitkomst: De WOZ-waarde van de mantelzorgwoning wordt verlaagd tot €170.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd; het beroep is gegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25 /245 en 25 /246
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilvarenbeek, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 november 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft vastgesteld:
- de waarde van de onroerende zaak [adres 1] te [woonplaats] (zaaknummer BRE 25 /245) naar de waardepeildatum 1 januari 2023 op € 660.000; en
- de waarde van de onroerende zaak [adres 2] te [woonplaats] (zaaknummer BRE 25 /246) naar de waardepeildatum 1 januari 2023 op € 614.000.
Met deze waardevaststellingen zijn aan belanghebbende ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Hilvarenbeek voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslagen OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak [adres 1] verlaagd naar € 478.000 en de waarde van de onroerende zaak [adres 2] verlaagd naar € 606.000. De aanslagen OZB zijn dienovereenkomstig verminderd.
1.3.
Op 9 december 2024 heeft een gesprek tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van dit gesprek de waarde van de woning [adres 2] opnieuw beoordeeld en op 10 december 2024 belanghebbende per brief laten weten de waarde ambtshalve te verlagen naar € 431.000.
1.4.
Belanghebbende is met dagtekening 15 januari 2025 in beroep gegaan tegen de uitspraken op bezwaar.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, tezamen met zijn moeder, [moeder] . Namens de heffingsambtenaar zijn [gemachtigde] en [taxateur] (taxateur) verschenen.
1.6.
Aan het slot van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd. Deze termijn is niet haalbaar gebleken. De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat voor het doen van de uitspraak meer tijd nodig was. De rechtbank betreurt de lange duur van de procedure.

Feiten & procesverloop

2. In het onderstaande geeft de rechtbank een weergave van de feiten waar de beslissing op is gebaseerd en het procesverloop tot en met de zitting bij de rechtbank. In de meeste uitspraken van de rechtbank worden procesverloop en feiten apart weergegeven. In deze zaak is dat anders. Omdat procesverloop en feiten met elkaar verweven zijn, ziet de rechtbank aanleiding om de twee onderdelen samen te voegen.
2.1.
Belanghebbende is de zoon van de [ouders] .
2.2.
De [ouders] hebben in 2017 in één overkoepelende koop de percelen met de kadastrale nummers [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] gekocht. De aanwezige bebouwing zoals deze per 1 januari 2023 ter plaatste staat, was ook aanwezig ten tijde van de koop. Ter plaatste waren twee adressen geregistreerd:
  • Kadastraal nummer [kadastraal nummer 1] betreft het adres [adres 2] , [postcode] [woonplaats] (hierna aangeduid als [perceel 1] );
  • Kadastraal nummer [kadastraal nummer 2] betreft het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] (hierna aangeduid als [perceel 2] ).
De objectkenmerken van [perceel 1] (waarop nr. [nummer 1] ligt) zijn als volgt:
  • Perceeloppervlakte 2.770m2;
  • Circa 5 opstallen, waaronder een vrijstaand bijgebouw (oorspronkelijk behorend bij het object met huisnummer [nummer 2] ) met bouwjaar 1990 en beschikkend over faciliteiten die ook kenmerkend zijn voor een gebouw dat geschikt is voor bewoning;
  • De gebruiksoppervlakte van het vrijstaande bijgebouw is 89m2.
De objectkenmerken van [perceel 2] (waarop nr. [nummer 2] ligt) zijn als volgt:
  • Perceeloppervlakte 610m2;
  • Eén opstal, zijnde een vrijstaande woning met bouwjaar 1966;
  • De gebruiksoppervlakte van de vrijstaande woning is 160m2.
De totale oppervlakte van beide kadastrale percelen tezamen is 3.380m2. De beide kadastrale percelen zijn tezamen één zogeheten ‘bestemmingsvlak’ als bedoeld in de artikelen 1.30 en 16.1, onderdeel a, sub 1 van het Bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek. [1]
2.3.
Het gekochte was destijds bij de verkoper in gebruik als woning (huisnummer [nummer 2] ) en als object voor verhuur van woonruimte aan derden (huisnummer [nummer 1] ). Deze verhuur is een jaar voorafgaand aan de verkoop gestopt. Het gebruik van het object [adres 2] was gebaseerd op een persoonsgebonden toestemming die was verleend aan de verkoper.
2.4.
Bij de aankoop hebben de [ouders] een ontbindende voorwaarde opgenomen in de koopakte, die ertoe strekte dat de koop ongedaan gemaakt zou kunnen worden als van de gemeente Hilvarenbeek geen instemming voor het gebruik van het object met huisnummer [nummer 1] als mantelzorgwoning zou worden verleend. Van de ontbindende voorwaarde is geen gebruik gemaakt, omdat de gemeente Hilvarenbeek de genoemde instemming heeft verleend.
2.5.
Het object met
huisnummer [nummer 2]is sinds de aankoop
in gebruik bij de [ouders] zelf, als woonruimte. Deze situatie is tot op het moment van de zitting ongewijzigd.
2.6.
Het object met
huisnummer [nummer 1]werd na de aankoop
gehuurd door belanghebbendevan de [ouders] als (op zichzelf staande) woonruimte. De huidige status is dat het object met huisnummer [nummer 1] een vergunningvrije mantelzorgwoning is, die (naar de rechtbank begrijpt) voldoet aan de landelijke regels over huisvesting in verband met mantelzorg.
2.7.
Belanghebbende heeft het exclusieve gebruik van het object (inclusief ondergrond) met huisnummer [nummer 1] . De [ouders] hebben het exclusieve gebruik van het object (inclusief ondergrond) met huisnummer [nummer 2] . De resterende oppervlakte van de kadastrale percelen is gezamenlijk in gebruik bij zowel belanghebbende als bij de [ouders] .
2.8.
Belanghebbende heeft een chronische aandoening en is daardoor afhankelijk van (mantel)zorg. Het object met huisnummer [nummer 1] heeft in verband met die chronische aandoening het karakter van een ‘mantelzorg-woning’. De genoemde mantelzorg wordt gegeven door de [ouders] .
2.9.
In de jaren vanaf 2017 zijn de WOZ-beschikking en de aanslag OZB te naam gesteld van de [vader] .
2.10.
Tussen de jaren 2017 en 2021 heeft belanghebbende verbeteringen aangebracht aan het object met huisnummer [nummer 1] .
2.11.
In het jaar 2021 heeft belanghebbende 50% van de eigendom overgenomen van de [ouders] . Per de datum van deze gedeeltelijke eigendomsoverdracht was belanghebbende daarom onverdeeld eigenaar van 50% van de twee kadastrale percelen met opstallen en waren de [ouders] elk op hun beurt onverdeeld eigenaar van [nummer 2] % van diezelfde twee kadastrale percelen met opstallen. De aard van het gebruik van de percelen en de opstallen is niet gewijzigd als gevolg van deze gedeeltelijke eigendomsoverdracht.
2.12.
Op enig moment in/na 2021, in ieder geval voor het belastingjaar 2024, zijn de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZB aan belanghebbende opgelegd. Dat heeft niet tot problemen geleid. Belanghebbende en zijn ouders verrekenen de lasten onderling.
2.13.
In de jaren voorafgaand aan het belastingjaar 2024 zijn de opstallen op de kadastrale percelen [perceel 1] en [perceel 2] als
samenstelaangemerkt, waarbij het object met huisnummer [nummer 2] is aangemerkt als woning en het object met huisnummer [nummer 1] als bijgebouw.
2.14.
Op 24 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een verzamelbeschikking toegezonden, met daarop:
  • Een WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2024 gekoppeld aan het adres [adres 1] , bestaande uit de kadastrale percelen [perceel 1] én [perceel 2]
  • De bijbehorende aanslag onroerendezaakbelasting, zijnde € 847,33.
2.15.
Het daartegen ingestelde bezwaar van 24 februari 2024 heeft geleid tot een heroverweging door de heffingsambtenaar. De heroverweging heeft de heffingsambtenaar tot het standpunt gebracht dat de basis voor de waardering niet juist was. In juridische termen heet dat: de objectafbakening was volgens de heffingsambtenaar niet juist. Het voortschrijdend inzicht is ontstaan dat (al die tijd) geen sprake was van een samenstel. Dat leidde tot de beslissing dat de samenstel-benadering moest worden gestopt. Oftewel: met ingang van het belastingjaar 2024 geen samenstel-benadering meer. Omdat daar bij het vaststellen van de beschikking nog wel van was uitgegaan, was die beschikking in de optiek van de heffingsambtenaar onjuist. De beslissing op bezwaar (dagtekening 19 juli 2024) was daarom dat de WOZ-beschikking en de aanslag OZB van 24 februari 2024 moesten worden vernietigd.
2.16.
Na vernietiging van een beschikking, mag de heffingsambtenaar wel een nieuwe beschikking vaststellen. En dat heeft hij gedaan. Op 30 september 2024 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een nieuwe verzamelbeschikking toegezonden, met daarop (waarbij de rechtbank de volgorde van de verzamelbeschikking overneemt):
  • Een WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2024 gekoppeld aan het adres [adres 2] , bestaande uit het kadastrale [perceel 1] en de daarop aanwezige opstallen naar een waarde van
  • Een WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2024 gekoppeld aan het adres [adres 1] , bestaande uit het kadastrale [perceel 2] en het daarop aanwezige opstal naar een waarde van
  • Specifieke toerekening van grond aan de 2 objecten heeft niet plaatsgevonden.
Deze vaststellingen zijn gebaseerd op de constatering door de heffingsambtenaar dat van alle opstallen op het gehele terrein van kadastrale nummers [perceel 1] en [perceel 2] tezamen, twee opstallen in gebruik zijn als zelfstandige en volwaardige woningen. Op die constatering is de taxatie gebaseerd en dat heeft geleid tot de genoemde waardevaststellingen en bijbehorende aanslagen.
2.17.
Oftewel, per 30 september 2024 ziet de heffingsambtenaar de situatie ter plaatse niet meer als één geheel (bestaande uit een woning en een bijgebouw) met (toevallig) 2 adresregistraties, maar als twee aparte, zelfstandige situaties van volwaardige woningen. Vervolgens moet de heffingsambtenaar kiezen aan wie van de mede-eigenaren hij de beschikkingen en aanslagen oplegt. De heffingsambtenaar heeft daarbij een grote mate van vrijheid. Hij heeft er in dit geval gekozen om de waardebeschikkingen en aanslagen op naam van belanghebbende te stellen.
2.18.
In het daartegen ingestelde bezwaar heeft belanghebbende kenbaar gemaakt dat hij zich niet kan vinden in de nieuwe inzichten van de heffingsambtenaar over de situatie ter plaatse.
2.19.
Met dagtekening 21 november 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. Bij de heroverweging in bezwaar is geconstateerd dat de waardes te hoog waren vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft als volgt beslist (zakelijk weergegeven, omdat de uitspraak op bezwaar – naar het oordeel van de rechtbank – een structuur heeft die de leesbaarheid en begrijpelijkheid niet ten goede komt):
  • De nieuw vastgestelde objectafbakening – waarbij niet langer sprake is van een samenstel – blijft gehandhaafd;
  • De WOZ-waarde behorende bij het adres [adres 2] wordt verlaagd naar
  • De WOZ-waarde behorende bij het adres [adres 1] wordt verlaagd naar
  • De bijbehorende aanslagen OZB worden naar evenredigheid verlaagd;
  • Specifieke toerekening van grond aan de 2 objecten heeft niet plaatsgevonden.
2.20.
Behalve bovengenoemde formele contactmomenten tussen belanghebbende, de [ouders] enerzijds en de heffingsambtenaar anderzijds zijn er meerdere, voornamelijk informele, contactmomenten geweest. Ter zitting bij de rechtbank zijn die ook ter sprake gekomen. Het voert te ver om in deze uitspraak van al deze contactmomenten melding te maken. De strekking van het betoog van belanghebbende in beroep is, dat gedurende die contactmomenten geen goede afstemming heeft kunnen plaatsvinden, dat belanghebbende en [moeder] zich niet begrepen voelden en de verwarring is toegenomen in plaats van afgenomen.
2.21.
De rechtbank maakt wel melding van een ambtshalve vermindering door de heffingsambtenaar met dagtekening 10 december 2024. Deze is de uitwerking van hetgeen besproken is tussen partijen tijdens een overleg op 9 december 2024. Daarbij is wat de waardevaststelling betreft de volgende wijziging doorgevoerd:
  • De nieuw vastgestelde objectafbakening blijft gehandhaafd;
  • De WOZ-waarde behorende bij het adres [adres 2] wordt verlaagd naar
  • De WOZ-waarde behorende bij het adres [adres 1] wordt gehandhaafd op
  • De aanslag OZB voor [adres 2] wordt wederom naar evenredigheid verlaagd.
Ditmaal is de omliggende grond wel toebedeeld aan de twee afzonderlijke objecten, te weten:
  • Aan huisnummer [nummer 1] in totaal
  • 50% van kavelnummer [perceel 1] , oftewel 50% van 2.770m2, oftewel 1.385m2;
  • Aan huisnummer [nummer 2] in totaal
o 50% van kavelnummer [perceel 1] , oftewel 50% * 2.770m2 = 1.385m2;
o 100% van kavelnummer [perceel 2] , oftewel 100% * 610m2 = 610m2;
o Tezamen dus 1.995m2.
De totale oppervlakte van beide kadastrale percelen is ongewijzigd gebleven, namelijk tezamen 3.380m2.
2.22.
Ook moet vermeld worden dat aan betrokkenen, te weten belanghebbende en de [ouders] tezamen, bij datum van 19 maart 2025 een compromisvoorstel is gedaan. Gelet op het karakter van een compromisvoorstel laat de rechtbank de details daarvan onvermeld. Wel verdient opmerking dat de taxatie (voor huisnummer [nummer 1] ) die in beroep is toegevoegd aan het dossier [2] uitkomt op dezelfde waarde als die van het compromisvoorstel, oftewel € 205.000. Daarbij is 1.385m2 grond toegerekend aan dit object.

Beoordeling door de rechtbank

3. In het onderstaande zal de rechtbank uitleggen welke regels van toepassing zijn op deze situatie, toetsen of de heffingsambtenaar die regels goed heeft toegepast en een oordeel geven over de hoogte van de WOZ-beschikkingen en de bijbehorende aanslagen.
Tijdigheid van het indienen van het beroep bij de rechtbank (ontvankelijkheid)
3.1.
Ter zitting is aan partijen voorgehouden dat de tijdigheid van de beroepschriften ter discussie staat. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is namelijk zes weken na de datum van de uitspraak op bezwaar. In dit geval eindigde de termijn voor het instellen van beroep dus op 2 januari 2025. De beroepschriften zijn door de rechtbank ontvangen op 15 januari 2025. Dat is in beginsel te laat.
3.2.
Een te laat ingediend beroepschrift kan toch worden toegelaten voor behandeling door de rechtbank als daar een aanvaardbare reden voor is (verschoonbare termijnoverschrijding).
3.3.
Belanghebbende heeft ter zitting mondeling verklaard dat hij en zijn ouders na de uitspraak op bezwaar een aanbod hebben gekregen om de beslissing in de uitspraak op bezwaar (in het bijzonder de taxatie) te bespreken. Deze bespreking heeft plaatsgevonden op 9 december 2024, met een vervolg op 7 januari 2025. Belanghebbende en zijn ouders hebben daarbij kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met de waarderingsgrondslagen in de uitspraak op bezwaar en in het bijzonder niet met de toedeling van de grond. De zittingsvertegenwoordiger van de gemeente die ter zitting namens de heffingsambtenaar spreekt, heeft deze verklaring bij gebrek aan wetenschap bevestigd noch ontkend.
3.4.
Vast staat dat de heffingsambtenaar op 10 december 2024 een ambtshalve vermindering heeft vastgesteld. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het aannemelijk dat er communicatie is geweest tussen de heffingsambtenaar en belanghebbende en/of zijn ouders. Door te handelen zoals de gemeente heeft gedaan, heeft zij bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat de bezwaarfase nog niet was afgerond. Die afronding kwam alsnog met het bericht van de verdere verlaging van de waarde van [adres 2] (bericht van 10 december 2024). De heffingsambtenaar had belanghebbende erop moeten wijzen dat na het vaststellen van de uitspraak op bezwaar, elke klacht tegen de motivering daarvan in principe moet worden opgevat als een benutting van de rechten om in beroep te gaan. Op de heffingsambtenaar rust dan de plicht om een eventueel bij hem kenbaar gemaakte klacht tegen de uitspraak op bezwaar door te sturen naar de rechtbank, [3] of althans belanghebbende verzoeken of de uitingen die zijn gedaan als zodanig moeten worden opgevat. Dat is niet gebeurd, althans het dossier geeft daar geen blijk van.
3.5.
Dit alles tezamen genomen en gelet op het ontbreken van onderbouwde tegenspraak door de heffingsambtenaar ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding belanghebbende niet kan worden tegengeworpen. De termijnoverschrijding is dus verschoonbaar. De beide beroepen van belanghebbende zijn daarom ontvankelijk.
De naam op de beschikking (tenaamstelling)
3.6.
Van medio 2017 tot medio 2021 hadden de [ouders] het volle zakelijke recht van eigendom voor de kadastrale percelen [perceel 1] én [perceel 2] en had belanghebbende een persoonlijk recht van huur op opstal nr. [nummer 1] en op een niet specifiek aanwijsbaar deel van de tuin. Er was geen sprake van zogeheten beperkte rechten.
3.7.
Vanaf medio 2021 is het volle zakelijke recht van eigendom verdeeld over 3 personen, zowel over de [ouders] als belanghebbende. Er is geen sprake van beperkte rechten of van persoonlijke rechten.
3.8.
Het is juist dat in de
periode 2017-2021geen beschikking aan
belanghebbendeis opgelegd. De reden daarvoor is dat de [ouders] eigenaren waren van het geheel. Belanghebbende was als huurder de feitelijk gebruiker van de opstal met huisnummer [nummer 1] , maar huurders worden niet geconfronteerd met de heffing van OZB, omdat de onroerendezaakbelastingen sinds 1 januari 2006 geen gebruikerstarief meer kent (alleen een eigenaren-tarief).
3.9.
Voor de [ouders] was in de periode 2017-2021 wel sprake van heffing van OZB, omdat zij eigenaren waren van het geheel. De heffingsambtenaar kan in dergelijke situaties kiezen aan welke van de eigenaren hij de beschikking (en aanslag) oplegt. Hij heeft daarbij gekozen om deze op te leggen aan de [vader] .
3.10.
Nadat belanghebbende in 2021 mede-eigenaar is geworden, is die situatie veranderd. Vanaf dat moment waren er 3 subjecten (in spreektaal: 3 personen) aan wie de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking kon opleggen. Hij heeft daarbij gekozen om deze op te leggen aan belanghebbende, zo ook in onderhavig belastingjaar.
3.11.
De beslissing van de heffingsambtenaar om de beschikking met de waardevaststellingen en de aanslagen OZB op naam van belanghebbende te stellen is niet in strijd met enige wetsbepaling en is ook niet onzorgvuldig. De slotsom van dit onderdeel van de uitspraak is dat de heffingsambtenaar wat de tenaamstelling betreft correct heeft gehandeld.
Eén of twee objecten: objectafbakening stap 1
3.12.
Artikel 16 van Pro de Wet WOZ luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:
a. een gebouwd eigendom;
b. een ongebouwd eigendom;
c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
(…).”
3.13.
De bepalingen van artikel 16 van Pro de Wet WOZ worden aangeduid als het leerstuk van de ‘objectafbakening’. Deze bepalingen zijn dwingend recht en dienen door de rechtbank ambtshalve te worden getoetst. Vanwege het dwingende karakter van artikel 16 van Pro de Wet WOZ, komt aan de heffingsambtenaar bij de objectafbakening ook geen beoordelingsvrijheid toe. [4]
3.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaken elk zijn aan te merken als (zelfstandige gedeelten van) een gebouwd eigendom in de zin van artikel 16 van Pro de Wet WOZ. De rechtbank ziet geen aanleiding partijen daarin niet te volgen.
3.15.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een
samenstelvan de onroerende zaken in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet WOZ. De planologische omstandigheden ter plaatste spelen bij toepassing van artikel 16 van Pro de Wet WOZ geen rol. Bij de beoordeling van de waardebepaling is dat anders, daar komt de rechtbank in het onderstaande op terug.
3.16.
De informatie van de Waarderingskamer, in het bijzonder de Waarderingsinstructie en de Vraagbaak waardebepaling, over waardering van onroerende zaken die mede bestaan uit een mantelzorgwoning is in deze beoordeling niet van doorslaggevende betekenis. De waarderingsinstructie is geen wet in formele zin. De beoordeling die de rechtbank verricht is gebaseerd op de wettelijke bepalingen (waar nodig in samenhang met de parlementaire toelichting) en de uitleg daarvan door rechterlijke instanties, zijnde rechtbanken, gerechtshoven en Hoge Raad. Het maakt niet dat de Waarderingsinstructie geheel betekenisloos is, maar vormt geen zelfstandige basis voor deze beoordeling.
3.17.
Of sprake is van een samenstel moet van geval tot geval beoordeeld worden en is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van elk geval.
3.18.
In dit geval is de rechtbank, op grond van de toepassing van het bepaalde in artikel 16 van Pro de Wet WOZ op de feiten en omstandigheden van dit geval, van oordeel dat geen sprake is van een samenstel. De reden daarvoor is dat sprake is van verschillende gebruikers. [5] Van een uitzondering op die regel is in dit geval geen sprake. De ene woning is niet dienstbaar aan de andere. Dat de [ouders] qua zorg dienstbaar zijn aan belanghebbende, speelt voor de geobjectiveerde objectafbakening geen rol.
Toerekening tuin: objectafbakening stap 2
3.19.
In reactie op het compromisvoorstel hebben belanghebbende en zijn ouders benoemd dat zij het niet eens zijn met de toedeling van de grond aan de twee onroerende zaken. Dit ligt dus nog als geschilpunt voor.
3.20.
De heffingsambtenaar heeft de toedeling van de grond niet verder toegelicht. Het enige vaststaande feit is dus dat de heffingsambtenaar om hem moverende redenen bij de ambtshalve vermindering gemeend heeft dat [perceel 1] voor 50% aan huisnummer [nummer 2] en voor 50% aan huisnummer [nummer 1] moest worden toegerekend. Belanghebbende heeft bezwaren geuit tegen het ontbreken van enige onderbouwing bij de 50/50 -verdeling van kavelnummer [perceel 1] aan elk van de onroerende zaken.
3.21.
Het gebrek aan onderbouwing van de toedeling van de tuin als onderdeel van de objectafbakening kom op het eerste oog onzorgvuldig over. Echter, de heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende niet heeft willen meewerken aan een bezoek ter plaatse door de taxateur. De taxateur en de heffingsambtenaar hebben zich dus moeten baseren op andere beschikbare informatie, waaronder openbare bronnen, onder meer de Basis Administratie Gebouwen (BAG) en luchtfoto’s.
3.22.
Belanghebbende en zijn ouders hebben ter zitting verklaard dat zij beide percelen gezamenlijk gebruiken en geen beperkingen hanteren over en weer.
3.23.
De rechtbank brengt onder de aandacht dat de objectafbakening en dus ook de toedeling van de tuin elk belastingtijdvak (dus elk jaar) zelfstandig moet worden bepaald.
3.24.
Naar het oordeel van de rechtbank moet voor het belastingtijdvak 2024 ervan worden uitgegaan dat de totale oppervlakte van 3.880m2 voor 50% moet worden toegerekend aan elk van de onroerende zaken. Er is geen objectief aanknopingspunt om de perceeloppervlakte van 610m2 uitsluitend aan [adres 1] toe te rekenen.
3.25.
De slotsom van het onderdeel objectafbakening is daarom dat de onroerende zaak [adres 2] terecht is aangemerkt als afzonderlijk af te bakenen object, waaraan 1.940m2 grond moet worden toegerekend.
Toerekening overige delen van de onroerende zaken: objectafbakening stap 3
3.26.
Gedeelten van een gebouwd eigendom of een ongebouwd eigendom die in gemeenschappelijk gebruik zijn bij meerdere zelfstandige gedeelten zijn niet een onderdeel van een van deze belastingobjecten en vormen ook geen eigen zelfstandig belastingobject. Een aandeel in een gemeenschappelijke ruimte wordt ook wel aangeduid als mandelig aandeel. Deze delen vormen geen afzonderlijk WOZ-object. [6]
3.27.
Uit de matrix die de basis vormt van de waardering van [adres 2] valt af te leiden dat de overige delen geheel aan [adres 2] zijn toegerekend. Het gaat dan om:
  • Dierenverblijf
  • Werktuigenberging / wagenloods (open)
  • Berging / schuur
  • Garage vrijstaand
  • Hobbykas
3.28.
Belanghebbende en zijn ouders hebben ter zitting verklaard dat zij deze delen gezamenlijk gebruiken en geen beperkingen hanteren over en weer.
3.29.
De rechtbank herhaalt op deze plaats dat de objectafbakening en dus ook de toedeling van de overige delen elk belastingtijdvak (dus elk jaar) zelfstandig moet worden bepaald.
3.30.
Naar het oordeel van de rechtbank moet voor het belastingtijdvak 2024 ervan worden uitgegaan dat de bovengenoemde delen gelijkelijk moeten worden toegerekend aan elk van de onroerende zaken. Er is geen objectief aanknopingspunt om deze delen uitsluitend aan [adres 2] toe te rekenen.
Tussentijdse conclusie objectafbakening
3.31.
De slotsom van het onderdeel objectafbakening is daarom:
  • dat de onroerende zaak [adres 2] terecht is aangemerkt als afzonderlijk af te bakenen object;
  • met een eigen overkapping/luifel;
  • waaraan 1.940m2 grond moet worden toegerekend; en
  • waaraan 50% van de onderdelen zoals genoemd in rechtsoverweging 3. [adres 2] moet worden toegerekend.
Voortschrijdend inzicht, het vertrouwensbeginsel en verslechtering van rechtspositie
3.32.
Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de onroerende zaken als een totaalpakket zijn gekocht. Door de jarenlange gelijkblijvende handelwijze van de heffingsambtenaar is bij belanghebbende de indruk ontstaan dat het ook voor de heffing van lokale heffingen één geheel was (met toevallig 2 adresregistraties). Op zichzelf heeft belanghebbende geen bezwaren tegen de opheffing van de samenstel-benadering, maar wel tegen de gevolgen die dat heeft voor de grondslag voor de waardering. Immers, voorheen was (in de optiek van belanghebbende) sprake van 1 woning met meerdere bijgebouwen, waaronder een schuur die in gebruik was als mantelzorgwoning. Sinds het belastingjaar 2024 wordt dit plots gewaardeerd als twee afzonderlijke onroerende zaken, waarbij ook nog komt dat deze beide als volwaardige woningen worden beschouwd.
3.33.
Voor zover belanghebbende met dit betoog bedoelt een beroep te doen op
het vertrouwensbeginsel, slaagt dat niet. Juist omdat de objectafbakening rechtstreeks uit de wet voortvloeit en de heffingsambtenaar daarin geen beleidsvrijheid heeft, moet een fout ten aanzien van de objectafbakening in vrijwel alle gevallen worden hersteld.
3.34.
Bij het herstel van een objectafbakeningsfout mag de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaken echter niet naar boven bijstellen en belanghebbende dus als gevolg van deze herstelactie in een slechtere positie brengen, tijdens de behandeling van een door belanghebbende ingesteld bezwaar. De rechtbank acht dit deel van de totale handelwijze in strijd met het vertrouwen van belanghebbende in het procesrecht zonder het risico te lopen op een slechtere uitkomst (
het verbod van
reformatio in peius’). [7] De waarde van de onroerende zaken in de oorspronkelijke beschikking (toen nog als samenstel) was € 817.000. De waarde van de onroerende zaken naar de huidige stand van het geding (de ambtshalve vermindering van 10 december 2024) is € 909.000. [8] De rechtbank vult in zoverre de rechtsgronden aan, dat zij de beschrijving van belanghebbende opvat als een beroep op het verbod van ‘reformatio in peius’.
3.35.
De slotsom van dit onderdeel is daarom dat het beroep op het verbod van ‘reformatio in peius’ slaagt. Om die reden alleen al, is in ieder geval één van de beroepen gegrond. De waarde van de twee onroerende zaken bij elkaar opgeteld kan niet meer bedragen dan € 817.000. Vervolgens is relevant hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd tegen de waardebepalingen als zodanig.
Waardebepaling [adres 2] : algemeen
3.36.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [9]
3.37.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
3.38.
De waarde van het object [adres 2] is, na beëindiging van de samenstel-benadering, achtereenvolgens door de heffingsambtenaar bepaald op:
  • € 614.000, bij beschikking van 30 september 2024;
  • € 606.000, bij beschikking van 21 november 2024 (de uitspraak op bezwaar);
  • € 431.000, bij beschikking van 10 december 2024 (de ambtshalve vermindering);
  • € 205.000, bij brief van 19 maart 2025 (het compromisvoorstel).
3.39.
De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de waarde van € 205.000 een taxatiematrix ingediend bij de rechtbank die is opgemaakt door de heer [taxateur] (taxateur, voornoemd).
3.40.
Een substantieel deel van de beroepsgronden van belanghebbende is gericht tegen eerdere waardebepalingen van [adres 2] , waarbij deze woonruimte is vergeleken met reguliere woningen. Of dat juist is, is in deze procedure niet meer relevant, omdat de heffingsambtenaar dat standpunt niet langer verdedigt. De heffingsambtenaar schrijft in het verweerschrift ook:
“Indien aangesloten wordt bij verkoopcijfers van reguliere woningen, dan leidt dit
tot een veel hogere WOZ-waarde voor onderhavige onroerende zaak.”
3.41.
De heffingsambtenaar is bij de meest recente waardebepaling niet uitgegaan van de voor woningen gebruikelijke “vergelijkingsmethode”. De reden die daarvoor gegeven is, is dat geen verkoopgegevens van vergelijkbare objecten (onroerende zaken bestaande uit een tot woning omgebouwde schuur met gedoog-toestemming) beschikbaar zijn.
3.42.
Belanghebbende bepleit dat de waarde niet hoger kan zijn dan € 72.000. De onderbouwing daarvoor bestaat uit de oorspronkelijke koopprijs voor het geheel, vermeerderd met een indexering naar de waardepeildatum en eliminatie van € 478.000 voor de onroerende zaak [adres 1] .
3.43.
In een procedure over de waarde van een woning is de taak van de rechtbank om de waarde als geheel te beoordelen. Toch ziet de rechtbank reden om die beoordeling in 3 onderdelen op te knippen. De reden daarvoor is gelegen in de eerder opgenomen overwegingen over de objectafbakening in combinatie met de afzonderlijke waarderingstechnieken die de heffingsambtenaar daarbij heeft gebruikt.
3.44.
Opmerking verdient dat de heffingsambtenaar de totale waarderingsberekening aannemelijk moet maken. Indien de berekening op één onderdeel tekortschiet, valt in beginsel de overtuigingskracht van de gehele berekening weg.
Waardebepaling [adres 2] : woninggedeelte
3.45.
Vanwege het bijzondere karakter van [adres 2] is de (taxateur namens de) heffingsambtenaar in beroep uitgegaan van de prijs voor de bouw van een stenen schuur (zijnde € 1.000 per vierkante meter woonoppervlak) [10] en heeft daarop een correctie voor waardedruk van 50% toegepast (dus effectief € 500 per vierkante meter woonoppervlak). Omdat de woning 140m2 omvat, is de waarde van het woningdeel bepaald op € 70.000. Ook heeft de heffingsambtenaar € 1.667 toegekend aan de aanwezige overkapping/luifel. De totale waarde van het woninggedeelte van [adres 2] bedraagt daarom
€ 71.667.
3.46.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar in redelijkheid kunnen besluiten om een andere methode te hanteren dan de gebruikelijke vergelijkingsmethode. Echter, wanneer van herbouwwaarde wordt uitgegaan, moeten daarop correcties voor technische en functionele veroudering worden toegepast. In dit geval is vrij willekeurig en zonder wettelijke verankering een correctie van 50% toegepast. Dat is onvoldoende om te komen tot een voldragen en aannemelijk te achten waardering. De specifieke situatie van bewoning op basis van persoonsgebonden toezegging dat bewoning wordt gedoogd vraagt om een meer genuanceerde interpretatie.
3.47.
De slotsom ten aanzien van de waardebepaling van het woninggedeelte van [adres 2] is dan ook dat de heffingsambtenaar de gestelde waarde van € 71.667
onvoldoende heeft onderbouwd.
3.48.
Gelet op het voorgaande is het in beginsel niet nodig om in te gaan op de overige twee aspecten van de waardebepaling. Omdat partijen echter ter zitting hebben verklaard een handreiking te wensen voor de waardering van dit object én de (bezwaren tegen ) beschikkingen van de opvolgende jaren afhankelijk zijn gesteld van de uitkomst van deze procedure, zal de rechtbank daar bij wijze van hoge uitzondering toch op in gaan.
Waardebepaling [adres 2] : oordeel rechtbank over waardebepaling perceel
3.49.
De waarde van de toegerekende 1.385m2 is bepaald op
€ 116.340. Opmerking verdient dat de heffingsambtenaar en de taxateur zich zichtbaar inspanningen hebben getroost om de waardebepaling niet in het nadeel van belanghebbende uit te laten pakken. Dat blijkt uit alinea 3 van onderdeel 4.3 van het verweerschrift. Dat laat zich als volgt toelichten.
3.49.1.
Grond bij een woning wordt gewaardeerd met een zogeheten grondstaffel. Voor elke gemeente gelden andere grondstaffels en deze zijn gebaseerd op data van verkopen in het verleden in combinatie met data rondom gronduitgiftebeleid van gemeenten. De eerste 50m2 is het meeste waard. Daarna loopt het degressief af. Hoe meer vierkante meters, hoe goedkoper de grond per elke vierkante meter meer.
3.49.2.
Omdat sprake is van twee afzonderlijke onroerende zaken is de grondstaffel ook twee keer van toepassing op de grond die aan elk van de onroerende zaken kan worden toegerekend.
3.49.3.
De heffingsambtenaar heeft echter – in het voordeel van belanghebbende – de totale oppervlakte van de kavels tezamen (3.380m2) in het schema van de grondstaffel gezet:
- Bij een perceeloppervlakte van 3.000m2 is de prijs per m2 € 93,67; [11]
- Bij een perceeloppervlakte van 5.000m2 is de prijs per m2 € 58,49; [12]
Dus bij een perceeloppervlakte van 3.380m2 in totaal is aannemelijk dat de prijs per m2 € 84,00 bedraagt. Dat bedrag is terug te zien in de tabel die in de matrix staat:
3.50.
Dit alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar belanghebbende geenszins heeft benadeeld met betrekking tot de waardering van het perceel (de tuin). Het hanteren van een prijs per vierkante meter van € 84,00 is zeker niet te hoog. Wel heeft te gelden dat een te groot gedeelte van het kadastrale perceel aan [adres 2] is toegerekend (zie hiervoor rechtsoverweging 3. 25 ).
3.51.
Vanwege hetgeen is opgemerkt in rechtsoverweging 3.48 zal de rechtbank zich onthouden van het noemen van een afzonderlijke waarde van de tuin. De rechtbank volstaat met het herhalen dat de objectafbakening meebrengt dat 1.940m2 aan [straat] moet worden toegerekend (zie ook rechtsoverweging 3.31).
Waardebepaling [adres 2] : oordeel rechtbank over waardebepaling overige delen
3.52.
De overige delen (zie rechtsoverweging 3. [adres 2] ) zijn – naar de rechtbank begrijpt – gewaardeerd naar vaste bedragen zoals bij waardering van woningen gebruikelijk is. De totale waarde van deze overige delen (exclusief de overkapping/luifel) is
€ 17.674. In dit verband heeft belanghebbende ter zitting aangedragen dat alles op het terrein gezamenlijk en zonder beperkingen over en weer wordt gebruikt.
3.53.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen goede rechtvaardiging voor algehele toedeling van deze objecten aan [adres 2] .
3.54.
Vanwege hetgeen is opgemerkt in rechtsoverweging 3.48 zal de rechtbank zich onthouden van het noemen van een afzonderlijke waarde van de overige onderdelen. De rechtbank volstaat met het herhalen dat de objectafbakening meebrengt dat 50% van de overige onderdelen aan [straat] moet worden toegerekend (zie ook rechtsoverweging 3.31).
Waardebepaling [adres 2] : tussenconclusie en toetsing waarde belanghebbende
3.55.
De tussenconclusie is dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van [adres 2] tenminste € 205.000 is, althans dat die waarde niet te hoog is. Vervolgens dient de rechtbank te toetsen of belanghebbende dan slaagt in het aannemelijk maken van een maximale waarde.
3.56.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook belanghebbende niet geslaagd in zijn bewijstaak. De denktrant waarbij men uitgaat van de indexatie van de koopprijs van het geheel in 2017, gevolgd door de eliminatie van de waarde voor [adres 1] kan niet worden gevolgd. Dat is een berekeningswijze die de Wet WOZ niet toestaat. De rechtbank moet rechtspreken op basis van de wet.
Waardebepaling [adres 2] : eindconclusie
3.57.
De eindconclusie van de beoordeling van de waarde van [adres 2] is dat geen van beide partijen de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Voor dat geval moet de rechtbank de waarde schattenderwijs bepalen. [13] Dat wordt ook wel genoemd: waarde in goede justitie.
3.58.
De rechtbank is zich ervan bewust dat een waarde in goede justitie het moeilijker maakt om deze uitspraak te hanteren als basis voor de waardering van [adres 1] en [adres 2] in opvolgende jaren. Met de handreikingen die gegeven zijn, vertrouwt de rechtbank er op dat er toch voldoende aanknopingspunten en duiding beschikbaar is gekomen voor het toepassen van de relevante wetsbepalingen voor de bepaald niet alledaagse objecten binnen de context ‘mantelzorgwoning’.
3.59.
Alles tezamen genomen en in onderling verband bezien en beoordeeld, stelt de rechtbank de waarde van [adres 2] , indachtig de gewijzigde objectafbakening zoals genoemd in rechtsoverweging 3.31, in goede justitie vast op € 172.000. Dat betekent dat het beroep gegrond is.
3.60.
De rechtbank merkt daarbij op dat uitgaande van de grondstaffel van de gemeente [woonplaats] het totale perceel van de kadastrale nummers [perceel 1] en [perceel 2] , oftewel 3.880m2 in het jaar 2024 een waarde vertegenwoordigde van € 325.920, oftewel twee maal € 162.960. Aan de waarde van de opstal kent de rechtbank geen substantiële waarde toe, omdat informatie ontbreekt over de mate van afschrijving op de herbouwwaarde. Daar komt bij dat de voortzetting van het mantelzorg-scenario afhankelijk is van de hernieuwde instemming van de gemeente. Het laat zich niet voorspellen of en in hoeverre opnieuw toestemming zal worden verleend. Dat hangt ook samen met het feit dat het gedogen een persoonsgebonden toestemming is, die niet aan een nieuwe eigenaar kan worden overgedragen. De onzekerheid over het toekomstige standpunt van de gemeente, maakt dat de kans aanwezig is dat het object met huisnummer [nummer 1] weer moet worden teruggebracht in de staat die het had voordat de gedoogsituatie begon. Dat zou betekenen dat een deel van de aangebrachte verbeteringen (voornamelijk voorzieningen) verwijderd zou moeten worden en het object zijn oorspronkelijke gebruiksfunctie van schuur met tuin weer verkrijgt. Dit alles is verdisconteerd in de waarde in goede justitie van € 170.000, die dus voornamelijk bestaat uit de grondprijs.
Waardebepaling [adres 1] : algemeen
3.61.
De waarde van het object [adres 1] is gewijzigd van € 815.000 (met inbegrip van alle overige objecten op beide percelen), naar € 660.000 en uiteindelijk (door middel van de ambtshalve vermindering) naar € 478.000.
3.62.
Belanghebbende heeft tegen de waardebepaling voor [adres 1] van € 478.000 geen beroepsgronden wat betreft de waardeberekening aangedragen.
3.63.
Opmerking verdient dat als gevolg van het oordeel in rechtsoverweging 3.31 over de objectafbakening van [adres 2] er ook gevolgen zijn voor de objectafbakening van [adres 1] :
  • toerekening van minder grond, namelijk 1.690m2 in plaats van 1.995m2;
  • toerekening van 50% van de ‘overige delen’.
De rechtbank laat deze constatering zonder verdere consequenties, omdat belanghebbende zelf geen standpunten heeft ingenomen over de doorwerking van wijzigingen in de objectafbakening voor [adres 1] . Ook weegt de rechtbank mee dat als gevolg van de gunstige toepassing van de grondstaffel de heffingsambtenaar zich in zekere mate kan beroepen op interne compensatie en dat in zoverre de beide correcties geacht worden elkaar op te heffen.
Waardebepaling [adres 1] : eindconclusie
3.64.
Alles tezamen genomen en in onderling verband bezien en beoordeeld, is de rechtbank van oordeel dat de waarde van [adres 1] , indachtig de gewijzigde objectafbakening zoals genoemd in rechtsoverweging 3.31, niet te hoog is vastgesteld. Formeel-juridisch is het beroep wel gegrond, vanwege de gewijzigde objectafbakening. Omdat dit waardetechnisch (WOZ) en belastingtechnisch (OZB) geen gevolgen heeft, luidt het dictum dat de rechtsgevolgen in stand worden gelaten.
Verbod van reformatio in peius: resumé
3.65.
Het bovenstaande houdt in dat de waarde van de onroerende zaken [adres 1] en [adres 2] op in totaal € 170.000 en € 478.000 = € 648.000 worden vastgesteld. Dat is lager dan de oorspronkelijke beschikking van € 817.000. Belanghebbende is dus door het verloop van de bezwaar- en beroepsprocedure niet in een nadeliger positie komen te verkeren. Het verbod van reformatio in peius is daarmee geëerbiedigd.

Conclusie en gevolgen

3.66.
De conclusie met betrekking tot [adres 1] (zaaknummer 25 /245) is dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen in stand blijven.
3.67.
De conclusie met betrekking tot [adres 2] (zaaknummer 25 /246) is dat het beroep gegrond is, dat de waarde moet worden verlaagd tot € 170.000 en dat de aanslag OZB dienovereenkomstig moet worden verminderd.
3.68.
Omdat de beroepen gegrond zijn, heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding. Ook heeft belanghebbende recht op vergoeding van het griffierecht. Alleen in de zaak met zaaknummer 25 /245 is griffierecht geheven, te weten € 53. Dat bedrag moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoeden.
Vergoeding van proceskosten
3.69.
Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 25 ,03, te weten de door belanghebbende gemaakte reiskosten conform het op zitting overgelegde formulier proceskosten.
Ambtshalve: lange duur van de procedure
3.70.
De rechtbank stelt vast dat de totale duur van de procedure meer dan 24 maanden bedraagt. Deze overschrijding is ontstaan na de aangekondigde termijn voor het doen van uitspraak. Voor dat geval is geen verzoek tot compensatie voor de lange duur vereist en ligt het op de weg van de rechtbank om ambtshalve te beoordelen of sprake is van een ongeoorloofde overschrijding van de redelijke termijn en welke gevolgen dat heeft. [14] De rechtbank heeft dat onderzoek gedaan. De slotsom is dat de redelijke termijn is overschreden, dat dit echter minder dan 12 maanden betreft en ook dat het belang kleiner is dan de ondergrens om voor een financiële vergoeding in aanmerking te komen. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, hetgeen zij betreurt (zie ook rechtsoverweging 1.6).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep betreffende [adres 1] (zaaknummer 25 /245) gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende [adres 1] , maar bepaalt tegelijkertijd dat de rechtsgevolgen van die uitspraak op bezwaar in stand blijven;
  • verklaart het beroep betreffende [adres 2] (zaaknummer 25 /246) gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende [adres 2] ;
  • vermindert de WOZ-waarde van [adres 2] tot een bedrag van € 170.000 en vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 25 ,03 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vastgesteld op 13 maart 2014 en per 1 januari 2024 opgenomen als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Hilvarenbeek dat in werking is getreden op 29 mei 2025.
2.Bijlage 1 bij het verweerschrift met dagtekening 18 oktober 2025.
3.Artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058.
5.Vergelijk ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1578.
6.Hof Arnhem-Leeuwarden, 16 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2549 en in stand gelaten bij arrest van de Hoge Raad van 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1860.
7.Vergelijk ook Hof Arnhem-Leeuwarden 11 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8067.
8.Zijnde € 431.000 plus € 478.000.
9.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
10.Volgens de heffingsambtenaar gelegen tussen € 900 en € 1.650.
11.€ 281.024 / 3.000 m2 = € 93,67 per m2
12.€ 292.464 / 5.000 m2 = € 58,49 per m2
13.Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (het Oostflakkee-arrest).
14.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.13.2.