ECLI:NL:RBZWB:2026:6386

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2413
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
§ 1378 Bürgerliches Gesetzbuch§ 1380 Bürgerliches GesetzbuchArtikel 6, eerste lid, belastingverdrag Nederland-Duitsland
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting door Duitse huwelijksgoederenregime en grensoverschrijdende fiscale aspecten

Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en gehuwd onder het Duitse stelsel van Zugewinngemeinschaft, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021. De inspecteur had de waarde van een Nederlandse onroerende zaak hoger vastgesteld dan door belanghebbende opgegeven, wat leidde tot een hogere grondslag sparen en beleggen.

De rechtbank oordeelt dat de aanslag te hoog is vastgesteld. De Duitse huwelijksgemeenschap leidt niet tot een opeisbare schuld tijdens het huwelijk, zodat de vermeende schuld van de echtgenote niet in aanmerking kan worden genomen bij de berekening van de grondslag sparen en beleggen. Tevens is het heffingsvrije vermogen van de echtgenote niet van toepassing omdat zij niet in Nederland belastingplichtig is.

Verder is vastgesteld dat de inspecteur tekort is geschoten in de procedure, waardoor de belastingrente verminderd wordt. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de aanslag en de rentebeschikking, en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2021 wordt verminderd wegens onjuiste waardering en toepassing van het Duitse huwelijksgoederenregime, met vermindering van belastingrente en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2413

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende

(gemachtigde: mr. F.P.M. Willeme),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 april 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.492 (de aanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur
mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende woont in 2021 het gehele jaar in Duitsland.
2.1.
Belanghebbende is gehuwd naar Duits recht onder toepassing van het stelsel van de ‘Zugewinngemeinschaft’.
2.2.
Belanghebbende is eigenaar van een Nederland gelegen onroerende zaak.
2.3.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan over het jaar 2021 (de aangifte).
Belanghebbende heeft in 2021 in Nederland alleen inkomsten uit sparen en beleggen genoten uit de woning. In de aangifte heeft hij bij de bezittingen en schulden in box 3 een onroerende zaak in Nederland opgenomen met een waarde van € 134.500 en schuld van
€ 13.034.
2.4.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2021 afgeweken van de aangifte. Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een waarde van de onroerende zaak in Nederland van € 214.000 en een schuld van € 13.034.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2021 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of het Duitse huwelijksgoederenregime invloed heeft op de grondslag sparen en beleggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV 2021 tot een te hoog bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Vooraf
4. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de inspecteur vanaf de aanslagfase op enkele punten tekort is geschoten. De inspecteur heeft naar aanleiding hiervan ingestemd met het vergoeden van het griffierecht en de proceskosten aan belanghebbende. De rechtbank volgt partijen hierin. Conform de gemaakte afspraken zijn de klachten van belanghebbende over de gang van zaken tijdens de procedure niet langer punten waar de rechtbank op dient te beslissen.
Heeft het Duitse huwelijksgoederenregime invloed op de grondslag sparen en beleggen?
4.1.
Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de schuld van € 26.067 ten onrechte niet volledig is meegenomen bij de berekening van de grondslag sparen en beleggen in de aanslag. De rechtbank volgt partijen in dit standpunt.
4.2.
Belanghebbende stelt dat de uitwerking van de het toepasselijke Duitse huwelijksgoederenregime is dat de helft van de toegenomen waarde van de onroerende zaak sinds het aangaan van het huwelijk toekomt aan de echtgenote van belanghebbende. Belanghebbende stelt dat dit gedeelte van de waardestijging daarom als een schuld moet worden meegenomen bij de berekening van de grondslag sparen en beleggen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de verrekenplicht ontstaat bij het verwerven van de onroerende zaak en dat voorafgaand aan het moment van echtscheiding, overlijden of verkoop van de onroerende zaak de vordering door de echtgenote niet opeisbaar is. Volgens belanghebbende betreft de vordering van de echtgenote een latente vordering. Ten slotte stelt belanghebbende dat het in strijd met het Europese recht is om de voordelen van het fiscaal partnerschap, meer in het bijzonder het heffingsvrij vermogen van de echtgenote, niet te kunnen toepassen in een grensoverschrijdende situatie als de onderhavige.
4.3.
De inspecteur stelt dat de onroerende zaak volledig tot de grondslag sparen en beleggen van belanghebbende moet worden gerekend. Volgens de inspecteur is sprake van een finaal verrekenstelsel en heeft belanghebbende staande het huwelijk geen schuld die moet worden meegenomen bij de berekening van de grondslag sparen en beleggen. De inspecteur stelt verder dat het heffingsvrije vermogen van de echtgenote niet kan worden meegenomen bij de berekening van de grondslag uit sparen en beleggen.
4.4.
De rechtbank overweegt dat voor wat betreft de Zugewinngemeinschaft sprake is van een finaal verrekenstelsel [1] . Ten tijde van het huwelijk bestaat er geen door een van de echtelieden opeisbare vordering of schuld. Het regime kent een mogelijkheid dat bij leven een vooruitontvangst in mindering komt op een toekomstige eindafrekening, maar dat is een uitzonderingsbepaling en die feitelijke situatie doet zich hier ook niet voor. [2] In zijn algemeenheid geldt dat een schuldverhouding pas ontstaat op het moment dat de Zugewinngemeinschaft eindigt. [3] Naar het oordeel van de rechtbank is daarom terecht geen schuld in aanmerking genomen als gevolg van de toepasselijkheid van de Zugewinngemeinschaft bij de berekening van de grondslag sparen en beleggen. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat ook bij verkoop van de woning een opeisbare vordering en schuld ontstaat bij de echtgenoten. Het is de rechtbank onduidelijk uit welke bepaling van de Duitse wet dit zou volgen. Zelfs als dit het geval zou zijn kan dit niet tot een andere uitkomst leiden. Tot het moment van de verkoop is in dat geval ook geen sprake van een schuld die van invloed is op de grondslag sparen en beleggen en vaststaat dat de woning in 2021 niet is verkocht.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank moet het heffingsvrije vermogen niet tweemaal worden meegenomen bij de berekening van de grondslag sparen en beleggen voor belanghebbende. Het heffingsvrije vermogen is een brongebonden aftrekpost. Een belastingplichtige die inkomen heeft uit sparen en beleggen in Nederland kan aanspraak maken op het heffingsvrije vermogen. Voor de echtgenote van belanghebbende geldt dat echter niet omdat bij die echtgenote geen belasting in box 3 wordt geheven. In het Belastingverdrag Nederland-Duitsland is het heffingsrecht over de woning toegewezen aan Nederland. [4] Dat betekent dat Duitsland geen belasting mag heffen over de woning maar dat betekent niet dat Nederland is gehouden om bij het bepalen van de belastingheffing ten aanzien van de woning ook rekening te houden met tweemaal het heffingsvrije vermogen. [5]
Belastingrente
4.6.
Belanghebbende stelt nog dat de aanslagfase onnodig lang heeft geduurd en daardoor meer belastingrente is verschuldigd dan wanneer de aanslag op een eerder moment was opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de aanslagfase inderdaad onnodig lang geduurd. De inspecteur stelt belanghebbende zelf geïnformeerd te hebben en via e-mail de afwijking van de aangifte aangekondigd te hebben, maar kan de gegevens van de betreffende e-mail niet achterhalen. Verder is die berichtgeving naar belanghebbende zelf gestuurd, en niet naar het verplichte toezendadres. De rechtbank acht aannemelijk dat de procedure voortvarender was verlopen als direct de gemachtigde was aangeschreven, mede gelet op de verklaring ter zitting van gemachtigde ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende. Immers was dan de gemachtigde op de hoogte geweest van het voornemen van de inspecteur en had dan mede het proces van de oplegging van de aanslag kunnen bewaken met het oog op de eventueel verschuldigde rente. De rechtbank ziet daarom aanleiding de belastingrentebeschikking te verminderen. [6] De rechtbank ziet geen aanleiding om de rentebeschikking volledig te vernietigen, omdat het uit de aangifte volgende belastingbedrag onjuist is en de onzorgvuldigheid van de inspecteur geen aanleiding is om de in rekening gebrachte belastingrente volledig achterwege te laten. Aangezien het voor dat geval door belanghebbende gestelde bedrag aan terecht in rekening gebrachte belastingrente van € 44 niet is betwist, zal de rechtbank dat bedrag volgen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2021 moet worden verminderd. De belastingrentebeschikking moet ook worden verminderd. Belanghebbende krijgt het griffierecht terug. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De vergoeding wordt berekend met een wegingsfactor 1. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 tot een aanslag berekend over een inkomen uit sparen en beleggen van € 137.933;
  • vermindert de rentebeschikking tot een bedrag van € 44;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3200 proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 10 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de relevante Duitse wettelijke bepalingen in titel 6 van het Bürgerliches Gesetzbuch. Zie ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 juni 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1986, r.o. 5.10.
2.§ 1380 Bürgerliches Gesetzbuch
3.§ 1378 Bürgerliches Gesetzbuch
4.Artikel 6, eerste lid, van het belastingverdrag Nederland-Duitsland.
5.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 maart 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:593, r.o. 4.3. – 4.6.
6.Zie Hoge Raad 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0764.