Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaken tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
bestuursorgaande bevoegdheid om te beslissen op een verzoek tot nadeelcompensatie. De
rechtbankheeft dus geen rechtstreekse bevoegdheid om te oordelen over schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Verzoekers hebben op 7 maart 2024 bij het college een beroep gedaan op artikel 4:126 van Pro de Awb. Met de brieven van 30 april 2024 heeft het college op die verzoeken gereageerd. Deze brieven bevatten weliswaar geen bezwaarclausule, maar zijn wel te beschouwen als een besluit op de verzoeken. Dit besluit houdt in dat de verzoeken worden afgewezen. Dit zijn besluiten als bedoeld in artikel 1:3 eerste Pro lid van de Awb, waartegen bezwaar mogelijk is. De rechtbank stelt vast dat geen bezwaar is gemaakt bij het college, maar dat er wel beroep is ingediend bij de rechtbank. Deze beroepen moeten naar het oordeel van de rechtbank dan ook, voor zover deze zien op het verzoek om nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 4:126 van Pro de Awb, door de rechtbank worden doorgezonden naar het college om in behandeling te worden genomen als bezwaarschrift. Dat volgt uit artikel 6:15 van Pro de Awb. De vraag of het bezwaar tijdig is ingediend, moet door het college worden beoordeeld. Hierbij geeft de rechtbank het college in overweging om daarbij in aanmerking te nemen dat in de brieven van 30 april 2024 geen bezwaarclausule is opgenomen en dat verzoekers tijdens de zitting hebben toegelicht dat zij niet wisten dat er bezwaar tegen de besluiten mogelijk was.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart zich onbevoegd;
- bepaalt dat het door verzoekers betaalde griffierecht van twee maal € 194,- door de griffier aan hen wordt terugbetaald.