ECLI:NL:RBZWB:2026:6420

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2563
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1.1 bestemmingsplan Kleine Kernen SluisArt. 5.1, eerste lid, aanhef en onder a Omgevingswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan handel in vrachtwagens

International Truck Center B.V. voerde beroep aan tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis om een last onder dwangsom in stand te laten wegens overtreding van artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan 'Kleine Kernen Sluis'. De overtreding betrof de bedrijfsactiviteit 'handel in vrachtwagens' op een perceel dat volgens het bestemmingsplan niet voor deze activiteit bestemd is.

De rechtbank stelde vast dat de bedrijfsactiviteit niet binnen de toegestane milieucategorieën van het bestemmingsplan valt en dat het college terecht handhavend heeft opgetreden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen sprake was van juridisch relevante gelijke gevallen en het college niet had vastgesteld dat de vorige gebruiker het perceel conform bestemming gebruikte.

Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen, aangezien het langdurig niet handhaven geen bijzondere omstandigheid vormde om af te zien van handhaving. De rechtbank concludeerde dat het college de last onder dwangsom terecht heeft opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom wegens overtreding van het bestemmingsplan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2563

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

International Truck Center B.V., uit Schoondijke, eiseres

(gemachtigde: mr. I. Soetens),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, het college.

Samenvatting

De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 21 maart 2025 (het bestreden besluit), waarbij het college de last onder dwangsom van 21 mei 2024 in stand heeft gelaten. De rechtbank beoordeelt dit beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht een overtreding heeft vastgesteld en het beroep van eiseres op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel niet slaagt. Het college mocht de last onder dwangsom opleggen. Eiseres krijgt geen gelijk. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Op 2 augustus 2021 heeft een omwonende een klacht ingediend bij de gemeente Sluis over de activiteiten van eiseres op het perceel [perceel] (hierna: het perceel).
1.1.
Er zijn meerdere controles op het perceel uitgevoerd door toezichthouders, onder meer op 29 februari 2024.
1.2.
Naar aanleiding van deze controle heeft het college op 18 maart 2024 aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom aan haar op te leggen. De bedrijfsactiviteit ‘handel in vrachtwagens’ is volgens het college namelijk in strijd met artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan ‘Kleine Kernen Sluis’ (hierna: het bestemmingsplan) dat onderdeel uitmaakt van het Omgevingsplan gemeente Sluis.
1.3.
Eiseres heeft geen zienswijze ingediend, maar er zijn e-mails verstuurd en contactmomenten geweest tussen (vertegenwoordigers van) eiseres en de gemeente.
1.4.
Het college heeft op 21 mei 2024 de last onder dwangsom opgelegd (het primaire besluit). Eiseres wordt gelast binnen zes maanden de overtreding op te heffen. Dat kan door de handel in vrachtwagens te staken en gestaakt te houden. Aan deze last verbindt het college een dwangsom ineens van € 25.000,-. Het college heeft daarbij onder meer aangegeven niet te willen meewerken aan het parkeren van 30 vrachtwagens ten behoeve van de handel.
1.5.
Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.6.
Op 21 maart 2025 heeft het college het bestreden besluit genomen, waarbij het bezwaar overeenkomstig en met verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarin ook artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet (Ow) wordt benoemd, ongegrond is verklaard. Het primaire besluit is hiermee in stand gelaten.
1.7.
Eiseres heeft hier op 1 mei 2025 beroep tegen ingesteld.
1.8.
Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.9.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen: [persoon 1], [persoon 2] en de gemachtigde. Namens het college was [persoon 3] aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Beroepsgronden
2. Eiseres bestrijdt dat zij artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan heeft overtreden. Daarnaast doet zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Wettelijk kader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Dat betekent dat in deze zaak de nieuwe Omgevingswet van toepassing is. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
3.1.
Op het perceel gelegen aan de [perceel] was voor 1 januari 2024 onder meer het bestemmingsplan van kracht. Dit bestemmingsplan maakt sinds 1 januari 2024 onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Sluis.
3.2.
Volgens het bestemmingsplan geldt op het perceel de enkelbestemming ‘Bedrijf’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 4’ en de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch hulp- en nevenbedrijf’ en ‘ specifieke vorm van bedrijf – constructiebedrijf’.
3.3.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Is ‘handel in vrachtwagens’ in strijd met artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan?
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat uit de bevindingen van de toezichthouder op 29 februari 2024, die door het college ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit, volgt dat sprake was van ‘handel in vrachtwagens’ op het perceel. Volgens eiseres past dit gebruik binnen de bestemming van het perceel en is dit gebruik niet in te delen in milieucategorie 3.2.
4.1.
Artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan staat het volgende gebruik op het perceel toe:
- de uitoefening van bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in categorie 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (sub a);
- ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- agrarisch hulp- en nevenbedrijf’: tevens een agrarisch hulp- en nevenbedrijf tot en met categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (sub d);
- ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- constructiebedrijf’: tevens een constructiebedrijf tot en met categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (sub f).
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat ‘handel in vrachtwagens’ niet past binnen de bestemming en dus niet past binnen het toegestane gebruik. Deze bedrijfsactiviteit valt naar het oordeel van de rechtbank op de eerste plaats niet aan te merken als een bedrijfsactiviteit van een agrarisch hulp- en nevenbedrijf dan wel van een constructiebedrijf. Het gebruik van het perceel past dus niet binnen sub d en f van artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan. Daarnaast volgt de rechtbank het standpunt van het college dat ‘handel in vrachtwagens’ ook niet is toegestaan op grond van sub a van artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan, omdat deze activiteit niet is opgenomen in de bij het bestemmingsplan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Naar het oordeel van de rechtbank valt ‘handel in vrachtwagens’ ook niet onder ‘Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven’ (SBI-2008: 451) dat wel in deze Staat van Bedrijfsactiviteiten is opgenomen. Tot dit oordeel komt de rechtbank, omdat in de Staat van Bedrijfsactiviteiten behorend bij een ander bestemmingsplan, namelijk bij het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Sluis’, ‘Handel in vrachtauto's (incl. import en reparatie)’ wel nadrukkelijk is opgenomen (SBI-2008: 451). Daarbij is aan deze bedrijfsactiviteit milieucategorie 3.2 toegekend. Deze milieucategorie was hoe dan ook niet toegestaan op grond van sub a van artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.
Omdat sprake was van een overtreding, was het college bevoegd daartegen handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaving
5. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) recentelijk in herinnering heeft gebracht in de uitspraak van 5 maart 2025 [1] geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
5.1.
Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak [2] . Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
5.2.
Handhavend optreden is verder onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheids- of het vertrouwensbeginsel.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel
6. Eiser voert aan dat het gebruik van het perceel volledig in lijn is met eerdere gebruiken van het perceel die zijn goedgekeurd door het college. Daarbij wijst eiseres op de bedrijfsactiviteiten die volgens gegevens uit de Kamer van Koophandel door het vorige bedrijf op het perceel verricht werden:
  • Vervaardiging van machines en werktuigen voor de land- en bosbouw;
  • Reparatie en onderhoud van machines voor een specifieke bedrijfstak;
  • Groothandel in landbouwmachines, werktuigen en tractoren.
6.1.
De rechtbank overweegt dat een besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld en wanneer voor die ongelijke behandeling geen voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat. De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres zo dat zij meent gelijksoortige activiteiten te verrichten als de vorige gebruiker van het perceel en dat zij dus valt onder de milieucategorie 3.1 die is toegestaan voor de specifieke functies die bij dit perceel zijn aangeduid.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank is er allereerst geen sprake van juridisch relevante gelijke gevallen. De bedrijfsactiviteit ‘handel in vrachtwagens’ is immers niet een van de bedrijfsactiviteiten die door het vorige bedrijf zouden zijn verricht. Daarbij komt dat het college erop heeft gewezen dat hij niet heeft beoordeeld of de vorige gebruiker van het perceel het perceel in overeenstemming met de bestemming gebruikte. Het feit dat het college niet tegen de bedrijfsactiviteiten van het vorige bedrijf handhavend heeft opgetreden, betekent niet automatisch betekent dat deze bedrijfsactiviteiten geoorloofd waren. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel
7. Eiseres stelt dat handhaving onevenredig is, Volgens haar is de overtreding dusdanig gering, omdat deze al sinds jaar en dag aan de gang is.
7.1.
Dat het college lange tijd niet tegen het strijdige gebruik van het perceel is opgetreden, ook al was het op de hoogte van de overtreding of kon het dat zijn, leidt niet tot het oordeel dat niet meer handhavend kon worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop voorafgaand aan het besluit tot handhaving kan in dit geval niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, op grond waarvan daarom al van handhavend optreden had moeten worden afgezien. [3] De rechtbank is niet gebleken van andere omstandigheden die tot de conclusie leiden dat handhavend optreden onevenredig is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college terecht heeft vastgesteld dat eiseres met haar bedrijfsactiviteit ‘handel in vrachtwagens’ artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan heeft overtreden. Daarnaast slaagt het beroep van eiseres op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet. Het college mocht dus de last onder dwangsom opleggen. Het beroep is dus ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ze krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, 15 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving (voor zover relevant)
Omgevingswet
Artikel 5.1, eerste lid en onder a
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: een omgevingsplanactiviteit.
Bijlage bij de Omgevingswet
A Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
(…)
Omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
(…)
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan
Het bestemmingsplan ‘Kleine Kernen Sluis’
Artikel 4.1.1

De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in categorie 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
b. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’: tevens een bedrijf tot en met categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
c. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- aannemersbedrijf’: tevens een aannemersbedrijf tot en met categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
d. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- agrarisch hulp- en nevenbedrijf’: tevens een agrarisch hulp- en nevenbedrijf tot en met categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
e. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- brandstoffenhandel’: tevens een brandstoffenhandel tot en met categorie 4.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
f. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- constructiebedrijf’: tevens een constructiebedrijf tot en met categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
g. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- educatieve activiteiten en workshops’: tevens educatieve activiteiten en workshops;
h. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- mechanisatiebedrijf’: tevens een mechanisatiebedrijf tot en met categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
i. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- transportbedrijf’: tevens een transportbedrijf tot en met categorie 3.2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
j. ter plaatse van de aanduiding ‘verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg’: uitsluitend een verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg tot en met categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
k. ter plaatse van de aanduiding ‘brandweerkazerne’: tevens een brandweerkazerne tot en met categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
l. ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’: tevens detailhandel;
m. ter plaatse van de aanduiding ‘garage’: tevens garageboxen;
n. ter plaatse van de aanduiding ‘kantoor’: tevens een kantoor;
o. ter plaatse van de aanduiding ‘nutsvoorziening’: uitsluitend een nutsvoorziening;
p. ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’: uitsluitend opslag;
q. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’: het wonen ten dienste van het ter plaatse gevestigde bedrijf;
r. verhardingen, wegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming.
4.5.1
Staat van bedrijfsactiviteiten
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
a. lid 4.1.1, sub a voor de uitoefening van een bedrijfsactiviteit die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten is genoemd, mits deze activiteit naar haar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met een krachtens lid 4.1.1, sub a ter plaatse toegelaten categorie bedrijfsactiviteiten;
b. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.5.1, sub a dient een milieudeskundige te worden gehoord, met betrekking tot de vraag of aan de in het desbetreffende lid genoemde criterium voor het verlenen van een omgevingsvergunning is voldaan.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:698.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117.