ECLI:NL:RBZWB:2026:6500

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2303 en 25/2502
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 36 Bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlening omgevingsvergunning voor woningbouw in strijd met bestemmingsplan

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee woningen op een perceel gelegen tussen twee bestaande percelen in een woongebied. Buurtbewoners en een nabijgelegen bedrijf, de B.V., maakten bezwaar tegen de vergunning vanwege onder meer zorgen over bodemverontreiniging, overlast, privacy, geluidsbelasting en procedurele onzorgvuldigheden.

Het college verleende aanvankelijk een omgevingsvergunning (bestreden besluit I), die later werd aangevuld met een aanvullend besluit (bestreden besluit II) om gebreken te herstellen, waaronder een actualisering van de stikstofberekening en aanvullende voorschriften voor geluid. De rechtbank concludeert dat het oorspronkelijke besluit gebreken kende, maar dat deze met het aanvullende besluit zijn hersteld.

De rechtbank weegt de belangen af en stelt vast dat het plan past binnen een goede ruimtelijke ordening. De woningen sluiten aan bij de omliggende bebouwing, en de ruimtelijke onderbouwing is volledig en zorgvuldig, inclusief bodemonderzoek, akoestisch onderzoek en stikstofemissie. De bezwaren van de buurtbewoners en de B.V. slagen niet, mede omdat privacy geen absoluut recht is en de procedure zorgvuldig is verlopen.

Het beroep van de B.V. tegen het eerste besluit wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, maar de omgevingsvergunning zoals aangevuld in het tweede besluit blijft in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan de B.V. De rechtbank wijst erop dat de belangen van zowel omwonenden als bedrijven zijn meegewogen en dat de vergunningverlening in overeenstemming is met het recht.

Uitkomst: Het eerste besluit wordt vernietigd, maar de omgevingsvergunning zoals aangevuld in het tweede besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/2303 en 25/2502

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaken tussen

1. [buurtbewoner 1] ,

2. [buurtbewoner 2] ,

3. [buurtbewoner 3] ,

4. [buurtbewoner 4] ,

5. [buurtbewoner 5] ,

6. [buurtbewoner 6] ,

7. [buurtbewoner 7] ,

8. [buurtbewoner 8] ,

9. [buurtbewoner 9] ,

10. [buurtbewoner 10] ,

11. [buurtbewoner 11] ,

12. [buurtbewoner 12] ,

13. [buurtbewoner 13] ,

14. [buurtbewoner 14] ,

15. [buurtbewoner 15] ,

allen uit [plaats 1] , buurtbewoners,
16. [de B.V.]gevestigd te [plaats 2] , [de B.V.] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, college.

Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
de besloten vennootschap [vergunninghoudster] B.V.uit [plaats 3] , vergunninghoudster.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘handelen in strijd met de ruimtelijke ordening’ voor het stuk grond dat is gelegen aan het [locatie 1] tussen de percelen van [perceel A] en [perceel B] te [plaats 1] (perceel [1] ). De buurtbewoners en [de B.V.] zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster heeft verleend. Daarbij geldt dat het oorspronkelijke besluit gebreken kende, maar dat het college tijdens de beroepsprocedure een aanvullend besluit heeft genomen. Met het aanvullende besluit zijn de gebreken hersteld. De buurtbewoners en [de B.V.] krijgen dus uiteindelijk geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft de omgevingsvergunning op 21 december 2023 bij het college aangevraagd. Het college heeft op 21 mei 2024 een ontwerpbesluit genomen. Gedurende de periode van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit zijn er zienswijzen ingediend. Het college heeft de omgevingsvergunning op 14 maart 2025 verleend (bestreden besluit I). Zowel de buurtbewoners als [de B.V.] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Hangende de beroepen heeft het college het bestreden besluit I herzien door middel van een aanvullend besluit zijnde de omgevingsvergunning van 14 oktober 2025 (bestreden besluit II).
2.1.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met twee aparte verweerschriften.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep van de buurtbewoners geregistreerd onder procedurenummer BRE 25/2303. Procedurenummer BRE 25/2502 is het procedurenummer waaronder het beroep van [de B.V.] is geregistreerd.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 juni 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Van de buurtbewoners hebben [buurtbewoner 1] , [buurtbewoner 2] en [buurtbewoner 8] aan de zitting deelgenomen. [de B.V.] heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college is vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door [persoon 3] van RUD Zeeland. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door [persoon 4] en [persoon 5] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Het perceel ligt tussen het [perceel B] en de [locatie 2] in [plaats 1] . Beide straten komen uit op de (doorgaande weg) ’ [straat] . Ten zuiden van het perceel ligt het bedrijfsterrein waarop van [de B.V.] voor haar meubelbedrijf een opslaglocatie heeft. Vergunninghoudster is van plan om het perceel te ontwikkelen en heeft op 21 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit ter zake ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ op het perceel, namelijk het bouwen van twee woningen. Deze aanvraag is op 29 december 2023 gepubliceerd. Het college heeft de aanvraag beoordeeld volgens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Regionale uitvoeringsdienst Zeeland (RUD) heeft het college op 18 maart 2024 geadviseerd. Vervolgens heeft het college op 21 mei 2024 het ontwerpbesluit genomen. Het ontwerpbesluit is op 24 mei 2024 gepubliceerd. Gedurende de periode van de terinzagelegging zijn er vier zienswijzen ingediend en wel op 6 juni 2024, 10 juni 2024 (eiseres [buurtbewoner 8] ), 26 juni 2024 (eiseres [de B.V.] ) en 30 juni 2024 (eiser [buurtbewoner 1] en eiseres [buurtbewoner 2] ). Naar aanleiding van de zienswijzen is in februari 2025 een Notitie beantwoording zienswijzen en overzicht ambtshalve wijzigingen opgemaakt. RUD heeft aanvullend geadviseerd op 7 februari 2025 en de ruimtelijke onderbouwing is op 25 februari 2025 afgerond. Het college heeft op 14 maart 2025 het bestreden besluit I genomen. De verlening van de omgevingsvergunning is op 21 maart 2025 gepubliceerd. De rechtbank verwijst voor het overige naar overweging 2.
3.1.
Met bestreden besluit I staat het college vergunninghoudster toe het perceel te gebruiken op een andere manier dan in het bestemmingsplan is bepaald. Het college wijkt daarmee dus af van het bestemmingsplan. Het bestreden besluit II vult daarop aan door voor een verhoogde geluidsbelasting van 56 dB(A) op de buitengevels van de twee toe te voegen woningen toe te staan als [de B.V.] gebruik wil maken van de maximale planologische mogelijkheden en door extra voorschriften (ventilatiesysteem en geluidsscherm) op te nemen ter borging van het maximale geluidsniveau. Daarnaast heeft het college in het bestreden besluit II de berekening van de stikstofemissie geactualiseerd.
Omvang van het geschil
4. Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Omdat zowel het bestreden besluit I als II de verleende omgevingsvergunning in stand laat, is de hiervoor aangehaalde uitzondering niet van toepassing. De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster heeft verleend.
4.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft [2] .
Standpunten van partijen
5. De buurtbewoners voeren aan te vrezen voor bodemverontreiniging, omdat op het perceel in het verleden een autosloperij zat. Er zijn verder al bestaande problemen met het riool en de bouwwerkzaamheden zullen die doen toenemen. De buurtbewoners verwachten overlast van de bouwwerkzaamheden, de bouw van de woningen op het perceel tast de privacy van de eigenaren van de percelen [perceel A] en [perceel B] aan en zorgt bij deze percelen (en ook bij het perceel [perceel 3] ) voor minder zonlicht. De buurtbewoners komen op tegen de verhoogde toegestane geluidsbelasting op de te realiseren woningen. De nieuwe woningen leiden er verder toe dat groen verdwijnt. De buurtbewoners voeren ook aan dat er te weinig tijd was om de stukken in te zien.
5.1.
[de B.V.] voert in beroep aan dat het college bij de vergunningverlening haar belangen onvoldoende heeft meegenomen en dat hierdoor de gebruiksmogelijkheden en bedrijfszekerheid in het geding zijn. Zij vindt dat de woningen te dicht bij haar bedrijfslocatie worden gebouwd, dat de hogere geluidswaarde van 56 dB(A) de bedrijfsvoering beperkt en dat bij vergunningverlening van de maximale planologische maatregelen uitgegaan moet worden. [de B.V.] wijst er in dat verband op dat op de bedrijfslocatie een houtbewerkingsfabriek geëxploiteerd mag worden. Verder zijn bij de beoordeling de aspecten stof en geur niet meegenomen en is de stikstofberekening verouderd. Er is volgens [de B.V.] ook geen sprake van het voorzien in woningbehoefte en het college heeft de procedure onzorgvuldig gevoerd.
5.2.
Het college stelt hij het perceel met de beoogde woningbouw wil ontwikkelen en dat het plan aansluit op de omliggende bebouwing. Daarbij geldt dat de hoogte van de bouw en de goothoogte in lijn is met gebruikelijke bebouwing en dat het planologisch regime al bebouwing tot maximaal 7,3 meter hoogt toestaat. De woningen worden op de gebruikelijke afstand van andere woningen gebouwd en een woonsituatie zonder inkijk kan niet gegarandeerd worden. Voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, waarin rekening is gehouden met onder meer de bodem, stof- en geuroverlast en stikstofuitstoot. Gelet op het behouden van de planologische mogelijkheden van [de B.V.] heeft het college RUD opdracht gegeven om – als dit in de toekomst noodzakelijk is – een maatwerkvoorschrift op te stellen voor het bedrijf van [de B.V.] . In het bestreden besluit II heeft het college de maximale planologische mogelijkheden op het gebied van geluid op het terrein van [de B.V.] verzekerd om (in geval van een het opnieuw exploiteren van een houtbewerkingsbedrijf) extra geluid te produceren, zodanig dat de geluidsbelasting op de gevels van de nog te bouwen woningen mag uitkomen op 56 dB(A). Verder is het college van mening dat de procedure zorgvuldig is geweest. Zowel de buurtbewoners als [de B.V.] hebben een zienswijze kunnen indienen en in beroep zijn de eisende partijen niet belemmerd in het aanvoeren van gronden.
Heeft het college de omgevingsvergunning kunnen verlenen?
6. Tot 1 januari 2024 viel het perceel onder het [bestemmingsplan] . Op het perceel rustte onder andere de bestemming ‘Wonen’ (artikel 36 van Pro het bestemmingsplan). De rechtbank maakt uit de verbeelding bij het bestemmingsplan op dat op het perceel geen bouwvlak is ingetekend en dat voor het hele perceel de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’ gold. Artikel 36.2, sub d, onder 1c, van het bestemmingsplan verbiedt het om buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ een hoofdgebouw te bouwen. Omdat vergunninghoudster de beoogde woningen op dat deel van het perceel wil bouwen, is het plan in strijd met het bestemmingsplan.
6.1.
Artikel 2.10, eerste lid, sub c, van de Wabo bepaalt dat het college de omgevingsvergunning moet weigeren als een aanvraag voor een omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘bouwen’ en de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. In een dergelijk geval wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit in strijd met het bestemmingsplan in de zin van artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Wabo. De omgevingsvergunning wordt enkel geweigerd als deze niet op grond van artikel 2.12 van de Wabo kan worden verleend. Artikel 2.12, eerste lid, sub, a, ten 3̊, van de Wabo bepaalt dat de omgevingsvergunning in geval van strijd met het bestemmingsplan slechts kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
6.2.
Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende
bevoegdheid (om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen), komt het college beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.3.
De rechtbank zal vervolgens beoordelen of het college in redelijkheid heeft aangenomen dat de verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en dat bestreden besluiten I en II een goede ruimtelijke onderbouwing bevatten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het perceel een braakliggend stuk grond is met een woonbestemming. In de directe omgeving van het perceel zijn ongeveer twaalf vrijstaande woningen gelegen. De beoogde woningen vullen het lint van het [perceel B] op en de bestaande rooilijn van de percelen [perceel A] en [perceel B] wordt aangehouden. Tussen partijen is niet in geschil dat de beoogde woningen qua opzet, stijl en afmetingen niet afwijken van de al bestaande woningen en de woningen heeft het college in zoverre ruimtelijk passend kunnen vinden. De buurtbewoners hebben de gestelde vermindering van het zonlicht niet geobjectiveerd aan de hand van een zonnestudie, maar ook afgezien daarvan is enige vermindering van zonlicht zonder meer geen reden om het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Aangezien de afmetingen passen bij de al bestaande woningen, zullen de gevolgen ook daarmee vergelijkbaar zijn. Voor wat betreft het beroep op privacy, om niet geconfronteerd te worden met inkijk, geldt dat dit geen absoluut recht is. De rechtbank kan het college volgen in de insteek dat het college een belangrijke taak heeft bij het realiseren van voldoende woningen en het landelijke woningtekort is algemeen bekend. Dat is ook een omstandigheid die een rol speelt bij de afwegingen over planologische ontwikkelingen. Het college heeft aan de verleende omgevingsvergunning een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd. De ruimtelijke onderbouwing gaat onder meer in op het akoestisch onderzoek, een bodemonderzoek, een quickscan voor de flora en fauna en een berekening van de stikstofemissie. Daarbij geldt dat het akoestisch onderzoek verder is onderbouwd en beoordeeld door RUD. Naar het oordeel van de rechtbank is de ruimtelijke onderbouwing volledig en voldoende zorgvuldig. Wat eisers daartegen hebben aangevoerd, maakt niet dat daar anders over moet worden gedacht.
6.4.
De rechtbank maakt verder uit het dossier op dat op de bedrijfslocatie van [de B.V.] oorspronkelijk een klompenfabriek was gevestigd en dat de activiteiten in de loop der jaren zijn veranderd naar die van een meubelfabriek. De productieactiviteiten zijn al een aantal jaar geleden verhuisd naar een ander industrieterrein. Op de locatie, aansluitend aan het perceel, vinden nu alleen nog opslag- en logistieke activiteiten plaats. Dat neemt niet weg dat op de bedrijfslocatie van [de B.V.] in principe nog steeds een houtbewerkingsbedrijf gevestigd mag worden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) volgt dat de norm van een goede ruimtelijke ordening – voor zover deze ziet op de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat – zowel ziet op de belangen van de omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de belangen van bedrijven om een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen [3] . Bij de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet niet alleen rekening worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden van het plan [4] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college allereerst in redelijkheid overwogen dat de kans dat er weer een houtbewerkingsfabriek op de locatie van [de B.V.] actief wordt klein is. Voor zover de kans zich toch verwezenlijkt, heeft het college al besloten om RUD dan te verzoeken om een maatwerkvoorschrift op te maken om ervoor te zorgen dat het geluidsniveau van de houtbewerkingsfabriek op de gevels van de nog te bouwen woningen mag uitkomen op 56 dB(A). Het college kan bij nog te verlenen omgevingsvergunningen voor de technische aspecten gelijk met deze omstandigheid rekening houden. Voor zover de gronden van [de B.V.] ter zake de maximale planologische mogelijkheden zien op de mogelijkheden om het perceel te verkopen in de toekomst, gaat het daarbij om zowel een toekomstige als onzekere omstandigheid. De rechtbank kan daarmee in deze procedure in redelijkheid geen rekening mee houden.
6.5.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat er bij de verlening van de omgevingsvergunning (door de aanvulling van de besluitvorming in het bestreden besluit II) sprake is van een goede ruimtelijke ordening, die voldoende onderbouwd is. Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning in voldoende mate alle relevante belangen meegewogen. Dat hierbij niet aan ieders wensen en verlangens volledig tegemoetgekomen kan worden, is in lijn met de aard van een belangenafweging. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. Zowel de buurtbewoners als [de B.V.] hebben een zienswijze ingediend, zijn in beroep in de gelegenheid geweest om alle gronden aan te voeren en hebben deelgenomen aan de mondelinge behandeling. De hierover aangevoerde beroepsgronden slagen dus niet. De gronden van de buurtbewoners over de rioolproblematiek en de overlast van de bouwwerkzaamheden vallen buiten het bereik van deze procedure en slagen dus evenmin.
6.6.
Het bestreden besluit I was in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Het college zag zich – mede naar aanleiding van het ingediende beroep van [de B.V.] , genoodzaakt tot aanvulling van dat besluit door middel van bestreden besluit II. Het college heeft bedoeld bestreden besluit II in de plaats te stellen van bestreden besluit I, maar hij heeft bestreden besluit niet ingetrokken. De rechtbank ziet in de gebreken in bestreden besluit I, die in bestreden besluit II zijn hersteld met de aanvullende motivering ter zake de geluidsnorm en de actualisering van het stikstofonderzoek, aanleiding om het beroep van [de B.V.] gegrond te verklaren voor zover gericht tegen bestreden besluit I en dit besluit vernietigen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep van [de B.V.] tegen het bestreden besluit I is gegrond. Dat besluit zal worden vernietigd. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning zoals (aangevuld) verleend bij bestreden besluit II in stand blijft. Het college moet het griffierecht aan [de B.V.] vergoeden. Er is geen verzoek gedaan om toekenning van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep van [de B.V.] , voor zover gericht tegen bestreden besluit I, gegrond;
- vernietigt bestreden besluit I;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,00 aan [de B.V.] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 6:19, eerste lid:
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, eerste lid, sub c:
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (….),
Artikel 2.10, eerste lid, sub c, en tweede lid:
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd, indien:
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (….), tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°:
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd ismet een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
Bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (bestemmingsplan)
Artikel 1.24 bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
Artikel 36.1, sub a:
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen in een woning daaronder begrepen de uitoefening van aan-huis-gebonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
Artikel 36.2, sub d, onder 1, onder c:
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
d. en tevens geldt:
hoofdgebouw
aan- en uitbouw, bijgebouw, overkapping
1. Op deze gronden mag worden gebouwd
c. buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’
nee
ja
Artikel 53.1
De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
Artikel 53.2.2, sub a:
a. voor andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag worden gebouwd, tenzij de grond- of graafwerkzaamheden dieper gaan dan de vrijstellingsdiepte beneden het maaiveld en hierbij het te verstoren oppervlak onder de groter is dan 500 m2;

Voetnoten

1.Kadastraal geregistreerd als [plaats 2] [gegevens] .
2.ABRvS 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:44.
3.AbRS 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2364.
4.Bijvoorbeeld AbRS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:166.