ECLI:NL:RBZWB:2026:6509

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/3541
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar overdrachtsbelasting

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een aanslag overdrachtsbelasting 2025, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en verklaarde het beroep ongegrond.

In het verzet gaf belanghebbende aan dat hij ernstig ziek was tijdens de bezwaartermijn, wat werd ondersteund door medische verklaringen van een bedrijfsarts, psycholoog en allergoloog. Ter zitting lichtte hij zijn ziektebeeld nader toe en stelde dat hij het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk had ingediend.

De rechtbank concludeerde dat er twijfel bestond over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en dat de eerdere uitspraak onterecht was. Het verzet werd gegrond verklaard en de rechtbank deed tevens uitspraak op het beroep, waarbij het bezwaar ontvankelijk werd verklaard. De zaak werd terugverwezen naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift.

Daarnaast werd bepaald dat de inspecteur het griffierecht van €53,- aan belanghebbende moet vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open voor het verzet, maar wel voor het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het verzet en beroep van belanghebbende zijn gegrond verklaard wegens verschoonbare termijnoverschrijding, het bezwaar is ontvankelijk en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3541
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet en het beroep van

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 9 maart 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. De uitspraak gaat in dit geval ook over het beroep van belanghebbende dat ziet op de voldoening op aangifte van overdrachtsbelasting 2025 met nummer [aanslagnummer] .
1.1
Op 21 juli 2025 heeft de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig was ingediend. De rechtbank kwam in de uitspraak van 9 maart 2026 tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen van het bezwaarschrift niet verschoonbaar is. De rechtbank vond dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard en daarom is het beroep kennelijk ongegrond verklaard.
1.2
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 9 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het verzet gegrond is, komt de rechtbank ook toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep [2] .
2.1
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is zes weken. [3] Deze termijn begint op de dag na de van de voldoening, de inhouding of de afdracht. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4] Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan de niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond van die late indiening achterwege. [5]
2.2
Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift aangegeven waarom hij van mening is dat het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Op 1 juli 2026 heeft de inspecteur een verweerschrift ingediend. Op het verweerschrift heeft belanghebbende gereageerd. Kort gezegd stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat hij ziek was op het moment dat de bezwaartermijn verliep, en heeft hij in dat verband in verzet nadere gegevens overgelegd en een mondelinge toelichting gegeven.
2.3
Belanghebbende heeft ter zitting nader toelichting gegeven over zijn ziektebeeld. De aard en ernst van zijn klachten worden bovendien ondersteund door de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder de verklaringen van de bedrijfsarts, psycholoog en allergoloog. Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat hij zo spoedig mogelijk het bezwaarschrift heeft ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
2.4
De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd er ten onrechte uitspraak gedaan met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb. Gelet op de door belanghebbende gemotiveerd gestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat twijfel bestaat over de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Het verzet is daarom gegrond. De in verzet bestreden uitspraak van de rechtbank komt te vervallen en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. [6]
2.5
De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep van belanghebbende, nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op de zitting van 7 juli 2026 te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

3. In beroep is in geschil of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Meer specifiek is in geschil of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
3.1
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk maakt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank slaat daarvoor acht op de overgelegde stukken, waaronder een verklaring van een bedrijfsarts, psycholoog en allergoloog, en de geloofwaardige verklaring van belanghebbende ter zitting. Daaruit volgt dat belanghebbende (ernstig) ziek was op het moment dat de bezwaartermijn verliep, en er dus sprake was van bijzondere omstandigheden. [7] De rechtbank slaat daarbij ook acht op de omstandigheid dat sprake is van een tweepartijengeschil. Uit de stukken en de verklaring van belanghebbende volgt ook dat zo spoedig als mogelijk bezwaar is gemaakt. Anders dan de inspecteur ziet de rechtbank geen aanleiding om belanghebbende tegen te werpen dat er professionele bijstand had kunnen worden ingeschakeld, juist gelet op de aanwezige bijzondere omstandigheden. [8] De rechtbank acht het aannemelijk dat het ziektebeeld en de bijbehorende klachten van belanghebbende hem tegenhielden om dergelijke acties, zoals het indienen van het bezwaarschrift of te zorgen voor een gemachtigde, tijdig te ondernemen en dat hij zo spoedig als mogelijk alsnog bezwaar heeft gemaakt.
3.2
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de inspecteur belanghebbende in de gelegenheid had moet stellen om zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. [9] De inspecteur had het bezwaar niet niet-ontvankelijk mogen verklaren, zonder een reden op te vragen. Uit het tot de rechtbank beschikking staande dossier, volgt niet dat belanghebbende op enig moment in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over de mogelijke verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
3.3
Gelet op het hiervoor gegeven oordeel van de rechtbank, is het bezwaar van belanghebbende ten onrechte vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd. Het bezwaar van belanghebbende is ontvankelijk. De rechtbank wijst de zaak terug naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzet van belanghebbende is gegrond. Het beroep van belanghebbende is tevens gegrond. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd. Het bezwaarschrift van belanghebbende is ontvankelijk. De rechtbank wijst de zaak terug naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift.
4.1
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 21 juli 2025;
- verwijst de zaak terug naar de inspecteur om het bezwaarschrift inhoudelijk te behandelen;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen rechtsmiddel open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hoger beroepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:55, lid 10 van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 8:55, negende lid, van de Awb.
7.College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 3.2. en 3.3.
8.College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 3.2.
9.Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1595