Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de Dienst Toeslagen omdat deze niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn op haar bezwaar heeft beslist. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, mede omdat de eerdere uitspraak van 4 februari 2025 verweerder verplichtte binnen twee weken te beslissen.
De rechtbank verwijst naar een lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin een nadere beslistermijn van 60 weken wordt opgelegd na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn. In dit geval is deze termijn al verstreken, waardoor verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €250 per dag met een maximum van €37.500 om naleving van deze termijn af te dwingen. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 6 februari 2026.