ECLI:NL:RBZWB:2026:6550

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/5039 en 25/5040
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroepen inzake ambtshalve vermindering inkomstenbelasting ongegrond verklaard

Belanghebbende verzocht op 11 juni 2024 om vermindering van aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Na het uitblijven van een beslissing stelde hij de inspecteur in gebreke en stelde beroepen in wegens het niet tijdig beslissen. De inspecteur nam vervolgens alsnog beslissingen en een dwangsombeschikking. De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk omdat het procesbelang was vervallen en gaf opdracht de beroepen als bezwaarschriften te behandelen.

Belanghebbende stelde later opnieuw beroepen in wegens het uitblijven van uitspraken op bezwaar, die de rechtbank eveneens niet-ontvankelijk verklaarde wegens prematuriteit. Hiertegen kwam belanghebbende in verzet, stellende dat de beslistermijnen al op 7 april 2025 waren aangevangen door een brief van de rechtbank en digitale doorzending van bezwaarschriften.

De rechtbank oordeelt dat de brief van 7 april 2025 slechts een mededeling aan belanghebbende was en geen opdracht aan de inspecteur om de bezwaren in behandeling te nemen. De inspecteur kreeg die opdracht pas bij de uitspraak van 20 juni 2025. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/5039 en 25/5040

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 februari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Procesverloop

1. Belanghebbende heeft op 11 juni 2024, ontvangen door de inspecteur op 13 juni 2024, verzocht om vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met aanslagnummers [aanslagnummer 1] .H.76.01 en [aanslagnummer 2] .H.86.01.
1.1.
Belanghebbende heeft de inspecteur op 28 februari 2025 in gebreke gesteld en op 19 maart 2025 beroepen ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering. Deze beroepen zijn geregistreerd onder zaaknummers
BRE 25/1690 en 25/1691.
1.2.
De inspecteur heeft op 26 maart 2025 alsnog beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering genomen. Ook heeft de inspecteur op 2 april 2025 een dwangsombeschikking genomen. De rechtbank heeft op 20 juni 2025 de beroepen met de zaaknummer BRE 25/1690 en BRE 25/1691 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het procesbelang aan de beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te vervallen. [1] Omdat de bezwaarfase nog niet is doorlopen, heeft de rechtbank de inspecteur opdragen om de beroepen als bezwaarschrift in behandeling te nemen en te beoordelen of terecht geen ambtshalve verminderingen en geen dwangsom zijn toegekend.
1.3.
Belanghebbende heeft op 11 augustus 2025 de inspecteur in gebreke gesteld en op 2 oktober 2025 beroepen ingesteld wegens het uitblijven van uitspraken op bezwaar. De rechtbank heeft op 13 februari 2026 de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de ingebrekestelling prematuur is. [2] Belanghebbende is op 15 maart 2026 in verzet gekomen tegen de uitspraak. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 13 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Belanghebbende verwijst in verzet naar de brief van 7 april 2025 die de rechtbank in de procedures met zaaknummers BRE 25/1690 en 25/1691 heeft gestuurd. Belanghebbende stelt dat met de verzending van die brief ook het bezwaarschrift via het digitale procesdossier aan de inspecteur beschikbaar is gesteld. Naar mening van belanghebbende dient dat moment van (digitaal) doorzenden als het moment waarop de beslistermijnen voor het nemen van uitspraken op bezwaar is aangevangen.
2.2.
Belanghebbende voert aan dat als de rechtbank geen uitspraak had gedaan indien de beroepen BRE 25/1690 en BRE 25/1691 waren ingetrokken, de (digitale) doorzending een feit was en de beslistermijnen ook op 7 april 2025 waren aangevangen. De beroepen zijn vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende wijst erop dat in rechtsoverweging 3.4 van de uitspraak van 20 juni 2025 is vermeld dat de doorzending van de bezwaren achterwege wordt gelaten. De uiteindelijke uitspraak is niet anders dan een herhaling van de brief van 7 april 2025.
2.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.4.
In de brief van 7 april 2025 staat het volgende:
“U schrijft dat u nog niet weet of u het met de beslissingen van de inspecteur eens bent en verzoekt om eerst de stukken bij de inspecteur op te vragen. Er is echter geen inhoudelijke procedure bij de rechtbank, omdat eerst de bezwaarbehandeling moet plaatsvinden. De rechtbank zal dan ook geen stukken opvragen. De rechtbank zal uw reactie doorsturen aan de inspecteur om in behandeling te nemen als bezwaarschrift. Dan kan de inspecteur uw
verzoek om stukken behandelen en kunt u daarna alsnog beslissen of u de bezwaarprocedure wilt voortzetten.”
2.5.
De rechtbank overweegt dat de brief van 7 april 2025 is gericht aan belanghebbende en ter informatie is verzonden aan de inspecteur. De brief bevat niet de opdracht aan de inspecteur om de reactie in behandeling te nemen als bezwaarschrift. De brief bevat slechts de mededeling aan belanghebbende dat de rechtbank dat zal gaan doen. Aangezien belanghebbende de beroepen niet heeft ingetrokken, was de rechtbank gehouden uitspraak te doen. De inspecteur heeft pas bij de uitspraak van 20 juni 2025 de opdracht gekregen om de beroepen in behandeling te nemen als bezwaarschriften. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de uitspraak van 13 februari 2026 terecht is geoordeeld dat de inspecteur tot uiterlijk 12 september 2025 de tijd had de uitspraken op bezwaar te doen.
2.6.
De omstandigheid dat in rechtsoverweging 3.4 van de uitspraak van 20 juni 2026 staat dat doorzending van de beroepen achterwege blijft, omdat de inspecteur hierover al beschikt leidt niet tot een ander oordeel. Deze overweging houdt in dat de rechtbank de stukken niet nogmaals (fysiek) doorstuurt, omdat deze al in bezit van de inspecteur zijn. Dit doet niet af aan het feit dat de rechtbank de inspecteur rechtstreeks moet opdragen om de behandeling van de beroepen over te nemen. Dit is niet indirect – door middel van een brief aan belanghebbende die ook aan de inspecteur ter informatie wordt doorgezonden – mogelijk.

Conclusie en gevolgen

3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 13 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3868.
2.Uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:939.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).