ECLI:NL:RBZWB:2026:66

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
24/2484
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de aanslag toeristenbelasting door de rechtbank

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 12 januari 2026, wordt het beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk behandeld. De heffingsambtenaar had op 3 november 2020 een aanslag toeristenbelasting opgelegd voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017, welke door de rechtbank als terecht werd beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard, maar handhaaft de aanslag toeristenbelasting. De rechtbank stelt vast dat de verblijfhouders niet ingeschreven stonden in de basisregistratie personen (BRP) en dat de heffingsambtenaar op basis van de gegevens uit de BRP de aanslag kon opleggen. Belanghebbende, die de accommodaties huurde en deze doorverhuurde, werd als belastingplichtige aangemerkt. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de aanslag terecht heeft opgelegd, ondanks de argumenten van belanghebbende dat de verblijfhouders langer dan vier maanden verbleven en dat het college van burgemeester en wethouders nalatig was in de inschrijving van deze verblijfhouders. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van proceskosten aan belanghebbende en het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2484
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 september 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 3 november 2020 aan belanghebbende een aanslag toeristenbelasting voor de periode 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Bij tussenuitspraak van 11 augustus 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek heropent en het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, mr. A.J. van Griethuysen en mr. A.K. Bisoen.

Verdere beoordeling door de rechtbank

2. Het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het bezwaar is opgenomen in haar tussenuitspraak van 11 augustus 2025. In deze uitspraak zal de rechtbank beoordelen of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een aanslag toeristenbelasting voor de periode 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag toeristenbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
2.2.
Belanghebbende heeft in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 accommodaties op bungalowpark [het bungalowpark] (het bungalowpark) gehuurd van [bedrijf 1] B.V. In deze accommodaties verbleven arbeidsmigranten (de verblijfhouders) die als uitzendkracht werkten voor [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . De verblijfhouders stonden niet op het adres van het bungalowpark ingeschreven in de basisregistratie personen (de BRP).
2.3.
Tot het dossier behoren facturen van [bedrijf 1] B.V. aan belanghebbende voor de verhuur van accommodaties op het bungalowpark. Het betreft facturen van de verhuur van 18 accommodaties ten behoeve van [bedrijf 2] in de maanden februari, maart, april, mei en juni 2017. Het gaat om accommodaties voor in totaal 101 personen. De andere facturen zien op de verhuur van 28 accommodaties ten behoeve van [bedrijf 3] in dezelfde maanden. Het gaat om accommodaties voor in totaal 136 personen.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft op 7 juli 2020 een informatieverzoek aan belanghebbende en de aan haar gelieerde vennootschappen [bedrijf 4] en [bedrijf 5] gedaan over de situatie op het bungalowpark voor de heffing van toeristenbelasting over 2017, 2018 en 2019. De gemachtigde heeft op 14 augustus 2020 daarop als volgt geantwoord:
“ [bedrijf 6] B.V. (…) is een facilitair bedrijf. Zij zorgt voor de gasten op een locatie. Zij doet dat ook op de [bedrijf 1] . Te denken is aan onthaal, in- en uitchekcen bewoners, toezicht op bewoning e.d..
[belanghebbende] B.V. (…) huurde de akkomodatie de [bedrijf 1] van bunlalowpark de [bedrijf 1] bv Zij verhuurt diezelfde akkomodatie door aan haar moedermaatschappij [bedrijf 7] B.V..
[bedrijf 8] B.V. (…) heeft als aktiviteit het houden van aandelen. Ze is een aandeelhoudersvennootschap onder andere van [bedrijf 6] B.V. en [belanghebbende] B.V..”
Toetsingskader van de rechtbank
2.5.
Op grond van artikel 224 van de Gemeentewet kan een toeristenbelasting worden geheven ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen staan ingeschreven. De gemeente Oisterwijk heeft aan deze bevoegdheid uitvoering gegeven met de Verordening op de heffing en invordering van Toeristenbelasting 2017 (de Verordening).
2.6.
Op grond van artikel 2 van de Verordening (‘Belastbaar feit’) wordt onder de naam ‘toeristenbelasting’ een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.
2.7.
Belastingplichtig is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening (‘Belastingplicht’) degene die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2 van de Verordening.
Is de aanslag toeristenbelasting terecht aan belanghebbende opgelegd?
2.8.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de aanslag toeristenbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. De heffingsambtenaar stelt dat er personen tegen vergoeding op het park verbleven die niet als ingezetene met aan adres in de gemeente in de BRP zijn ingeschreven (de verblijfhouders). Hiermee heeft het belastbare feit in de zin van artikel 2 van de Verordening zich voorgedaan. De vraag of het college van burgemeester en wethouders eventueel verplicht was de verblijfhouders in te schrijven in de BRP is voor de vraag of toeristenbelasting mag worden geheven niet relevant. De heffingsambtenaar is belast met de heffing van gemeentelijke belastingen en mag voor dat doel uitgaan van de gegevens uit de BRP. Ook een eventueel nalaten van het college van de burgemeester en wethouders om de BRP bij te werken, kan in dit geval niet aan de heffingsambtenaar worden toegerekend, aldus de heffingsambtenaar. Belanghebbende is daarbij terecht als belastingplichtige aangemerkt, omdat belanghebbende degene is die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf. Belanghebbende heeft zich ook bij de aangifte gemeld als aangifte- en belastingplichtige voor de toeristenbelasting en dit is ook logisch, zij is een werkmaatschappij binnen het concern.
2.9.
Belanghebbende voert aan dat de aanslag toeristenbelasting ten onrechte aan haar is opgelegd. Belanghebbende voert hiertoe aan de verblijfhouders langer dan vier maanden verbleven en dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk ten onrechte niet is overgegaan tot inschrijving van de verblijfhouders als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen (BRP). Een dergelijk nalaten van het college van burgemeester en wethouders kan er niet toe leiden dat een aanslag toeristenbelasting wordt opgelegd, aldus belanghebbende.
Daarnaast voert belanghebbende aan dat, ook in het geval sprake zou zijn van een belastbaar feit, belanghebbende niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt. Belanghebbende voert hiertoe aan dat zij slechts de accommodaties huurde, deze op haar beurt verhuurde aan een andere vennootschap binnen het concern en die de accommodaties verhuurt aan [bedrijf 3] en [bedrijf 2] . Belanghebbende heeft niets te maken met de verblijfhouders, [bedrijf 3] en [bedrijf 2] zijn degenen die de verblijfhouders huisvesten, aldus nog steeds belanghebbende.
2.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag toeristenbelasting terecht aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank stelt allereerst vast dat het belastbare feit in de zin van artikel 2 van de Verordening zich heeft voorgedaan. Er is immers sprake van het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de BRP zijn ingeschreven. De heffingsambtenaar is belast met de heffing van gemeentelijke belastingen en mag voor dat doel uitgaan van de gegevens uit de BRP. Tussen partijen is niet in geschil dat de verblijfhouders niet in de BRP staan ingeschreven. De heffingsambtenaar heeft daarbij betwist dat de verblijfhouders wel hadden moeten worden ingeschreven in de BRP en betwist dat zij over gegevens beschikt waaruit blijkt of de verblijfhouders al dan niet hadden moeten worden ingeschreven in de BRP. Ook belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dat blijkt. Uit de overgelegde facturen volgt niet wie voor welke periode in de accommodaties verbleef. Alleen daarom al slaagt de stelling van belanghebbende niet dat de verblijfhouders hadden moeten zijn ingeschreven in de BRP en daarom geen toeristenbelasting zou mogen worden geheven. In het geval deze informatie wel beschikbaar zou zijn, kan bovendien een eventueel nalaten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk om de BRP bij te werken niet aan de heffingsambtenaar worden toegerekend en staat dit de heffing van toeristenbelasting in dit geval niet in de weg. [1]
2.11.
Ten aanzien van de vraag of belanghebbende degene is die moet worden aangemerkt als belastingplichtige overweegt de rechtbank als volgt. De bewijslast ten aanzien van de vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als belastingplichtige rust op de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 mei 2019 [2] over de belastingplicht voor de toeristenbelasting van het bungalowpark in 2015 en 2016 aangevoerd dat belanghebbende als belastingplichtige dient te worden aangemerkt. Daarbij komt dat belanghebbende zichzelf bij de aangifte heeft gemeld als aangifte- en belastingplichtige.
2.12.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat belanghebbende degene is die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf, waarmee belanghebbende kan worden aangemerkt als belastingplichtige in de zin van artikel 3 van de Verordening. Uit de overgelegde stukken volgt dat belanghebbende degene is die de accommodaties huurt van [bedrijf 1] BV. Vervolgens wordt met [bedrijf 3] en [bedrijf 2] de huisvesting van de verblijfhouders verzorgd. In de uitspraak van het gerechtshof is daarover als feiten opgenomen dat één van de door belanghebbende gehuurde vakantiewoningen dienst doet als receptie voor sleuteluitgifte en -inname en dat belanghebbende degene is die zorgt voor het algemene beheer, het schoonhouden van de vakantiewoningen, het opruimen van het afval en het bijhouden van de inventaris. Het uitgangspunt is daarom dat belanghebbende als belastingplichtige moet worden aangemerkt.
2.13.
Uit de stukken valt niet op te maken dat een ander dan belanghebbende, waaronder bijvoorbeeld [bedrijf 3] , [bedrijf 2] en de door belanghebbende genoemde gelieerde vennootschappen, moet worden aangemerkt als degene die gelegenheid biedt tot het houden verblijf. De rechtbank beschikt niet over gegevens waaruit volgt dat [bedrijf 3] en [bedrijf 2] een grotere rol hebben bij de huisvesting van de verblijfhouders dan enkel de huur van de accommodaties. Ook is onduidelijk gebleven of en in hoeverre de gelieerde vennootschappen een rol bij het verblijf van de verblijfhouders speelden. Belanghebbende heeft daarover geen stukken overgelegd, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Belanghebbende heeft haar belastingplicht daarom onvoldoende gemotiveerd betwist. Het beroep van belanghebbende slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond, omdat de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard (zie 1.3). De aanslag toeristenbelasting blijft echter in stand.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 666, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 10 juli 2025, met een waarde van € 934 per punt. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de zitting van 1 december 2025, aangezien over de ontvankelijkheid al bij tussenuitspraak was beslist en deze zitting slechts ging over de inhoudelijke beoordeling van de aanslag toeristenbelasting. De totale vergoeding bedraagt € 2.534.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- handhaaft de aanslag toeristenbelasting;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2.534 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1544.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1544.