ECLI:NL:RBZWB:2026:66
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de aanslag toeristenbelasting door de rechtbank
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 12 januari 2026, wordt het beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk behandeld. De heffingsambtenaar had op 3 november 2020 een aanslag toeristenbelasting opgelegd voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017, welke door de rechtbank als terecht werd beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard, maar handhaaft de aanslag toeristenbelasting. De rechtbank stelt vast dat de verblijfhouders niet ingeschreven stonden in de basisregistratie personen (BRP) en dat de heffingsambtenaar op basis van de gegevens uit de BRP de aanslag kon opleggen. Belanghebbende, die de accommodaties huurde en deze doorverhuurde, werd als belastingplichtige aangemerkt. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de aanslag terecht heeft opgelegd, ondanks de argumenten van belanghebbende dat de verblijfhouders langer dan vier maanden verbleven en dat het college van burgemeester en wethouders nalatig was in de inschrijving van deze verblijfhouders. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van proceskosten aan belanghebbende en het griffierecht.