ECLI:NL:RBZWB:2026:6680

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/351 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:32 AwbArt. 25 WIAArt. 65 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen ondanks inzet werkgever

Eiseres, werkgever van een (ex-)werknemer die sinds juni 2021 arbeidsongeschikt is, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen vanaf 2 juni 2022. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat zij adequaat had gehandeld, de bedrijfsarts juist had gehandeld en dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening hield met de psychische klachten van de werknemer.

De rechtbank oordeelt dat de bedrijfsarts niet in redelijkheid, ook met professionele marge, tot zijn inschatting van geringe belastbaarheid kon komen, omdat een adequate medische onderbouwing ontbrak. De bedrijfsarts heeft geen fysiek onderzoek verricht ondanks aanwijzingen uit medische informatie, en baseerde zijn oordeel vooral op anamnese. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundigen concludeerden dat de beperkingen minder zwaar waren dan door de bedrijfsarts aangenomen, waardoor re-integratiekansen zijn gemist.

Hoewel de werkgever veel inspanningen heeft verricht en de re-integratie deels succesvol was, blijft het resultaat onvoldoende omdat de werknemer niet structureel passend werk verricht. De loonsanctie blijft daarom in stand. Daarnaast is de redelijke termijn voor bezwaar en beroep met 13 maanden overschreden, waarvoor eiseres een schadevergoeding en proceskostenvergoeding krijgt toegewezen.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is niet-ontvankelijk omdat eiseres het UWV niet in gebreke heeft gesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigt de loonsanctie en wijst de schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toe.

Uitkomst: De loonsanctie blijft in stand wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen; schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/351 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. K.L. Broekman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder.
Als derde-belanghebbende is in het geding betrokken:
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een loonsanctie aan eiseres. Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 25 mei 2023 heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat zij het loon van haar (ex-)werknemer, [ex-werknemer] , moet doorbetalen tot 29 mei 2024 vanwege het nog niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen (loonsanctie).
2.1.
Tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
2.2.
Met het bestreden besluit van 25 januari 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV dat ongegrond verklaard. Het beroep van eiseres heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op dit besluit.
2.3.
Eiseres heeft tegen dit besluit op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Oost-Brabant. De rechtbank Oost-Brabant heeft dat beroep doorgestuurd aan deze rechtbank om hier te worden behandeld.
2.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De (ex-)werknemer heeft geen toestemming verleend om eiseres kennis te laten nemen van stukken die medische gegevens bevatten. Met de beslissing van 20 maart 2025 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat eiseres van nader genoemde stukken geen kennis mag nemen en dat kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is. Omdat de (ex-)werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens aan eiseres te verstrekken, zal in deze uitspraak geen melding worden gemaakt van specifieke op de (ex-)werknemer betrekking hebbende medische gegevens.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar gemachtigde en [persoon 1] en [persoon 2] namens het UWV. Op zitting zijn de medische gegevens van de (ex-)werknemer buiten bijzijn van [persoon 1] besproken.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De (ex-)werknemer was met ingang van 18 augustus 2016 als pakketbezorger werkzaam voor eiseres. Op 2 juni 2021 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen.
3.1.
Op 8 maart 2023 heeft de (ex-)werknemer bij het UWV een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend.
3.2.
Met het besluit van 25 mei 2023 heeft het UWV aan de (ex-)werknemer meegedeeld dat de behandeling van zijn aanvraag wordt uitgesteld en dat de periode dat eiseres het loon tijdens ziekte verplicht moet doorbetalen is verlengd tot 29 mei 2024.
3.3.
Met het primaire besluit van 25 mei 2023 heeft het UWV aan eiseres een loonsanctie opgelegd vanwege het nog niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen.
3.4.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3.5.
Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de loonsanctie en tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om bekorting van de loonsanctie.
3.6.
Met het bestreden besluit van 25 januari 2024 heeft het UWV beslist op het bezwaar van eiseres tegen de loonsanctie en dat ongegrond verklaard.
Beroep
4. Eiseres heeft gesteld dat de (ex-)werknemer ernstige psychische en fysieke klachten heeft. Vanwege de ernst van de ziektebeelden heeft eiseres kort na de eerste ziektedag een arbeidsdeskundig onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheden op het eerste spoor. Hieruit blijkt dat die mogelijkheden er niet zijn. Reden waarom eiseres het tweede spoor (tijdig) heeft ingezet. Die voortgang is periodiek gemonitord en waar nodig bijgesteld. Eiseres heeft altijd de deskundige adviezen van de diverse bedrijfsartsen opgevolgd, contact met de (ex-)werknemer onderhouden en het re-integratietraject met instemming van alle betrokken partijen vormgegeven. Vaststaat dat eiseres in de periode van 2 juni 2021 tot en met 1 juni 2022 in de visie van het UWV voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De re-integratie is vervolgens in dezelfde lijn voortgezet.
4.1.
Eiseres stelt dat in beginsel uit moet worden gegaan van de juistheid van het oordeel van de bedrijfsarts. De verzekeringsarts moet toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op het moment van zijn beoordeling bekende feiten in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Dat de verzekeringsarts – achteraf oordelend – anders zou hebben gehandeld, is onvoldoende om te concluderen dat de bedrijfsarts zijn professionele marge heeft overschreden en tekortgeschoten is. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 november 2023 [1] .
4.2.
De bedrijfsarts heeft veel contactmomenten met de (ex-)werknemer gehad; in de periode waarvan het UWV vindt dat de bedrijfsarts onvoldoende begeleiding heeft geboden acht keer. Verder zijn er contactmomenten geweest met eiseres, de arbodienst en de verzuimdienst van het tweede spoor. Het UWV verwijt de bedrijfsarts dat hij geen fysiek onderzoek heeft verricht. Op basis van de richtlijnen is dat niet noodzakelijk en verplicht. Het UWV vond dit achteraf nodig vanwege de discrepantie tussen anamnese, bevindingen en behandeling. Het UWV gaat er daarbij aan voorbij dat die discrepantie door het UWV pas achteraf is geconstateerd en wordt betwist door de bedrijfsarts en eiseres.
4.3.
De bedrijfsarts heeft bij zijn oordeel informatie van de neuroloog betrokken. Verder heeft er een interventie Arbeidsdeskundige Coaching plaatsgevonden op 3 januari 2022 en heeft de bedrijfsarts de (ex-)werknemer meermaals geadviseerd om een interventie in te zetten, HSK begeleiding. De (ex-)werknemer heeft dat geweigerd omdat hij soortgelijke begeleiding in het verleden al heeft gehad en meerdere behandelingen zonder resultaat. Hij gelooft daar niet meer in. Ondanks dat heeft de bedrijfsarts de (ex-)werknemer kunnen overtuigen om over deze opties na te denken en daarin een actieve rol gespeeld. Vanwege daaropvolgende toename van de fysieke klachten en een operatie hadden psychische interventies en behandelingen even geen prioriteit. Ook na toename van de psychische klachten heeft de bedrijfsarts ingegrepen door de (ex-)werknemer naar de huisarts te sturen. De bedrijfsarts heeft dus tot drie keer toe geïntervenieerd. De
(ex-) werknemer heeft schijnbaar bij het UWV aangegeven dat de bedrijfsarts niet heeft geholpen en zijn problemen niet zijn besproken. Dit is niet juist. Uit de stukken van de bedrijfsarts blijkt dat hij psychische behandelingen geadviseerd heeft en dat de psychische problemen besproken zijn, anders zou de bedrijfsarts niet op de hoogte zijn geweest van de psychische toestand van de (ex-)werknemer en zijn behandelverleden. Juist vanwege die problemen heeft de bedrijfsarts geadviseerd de re-integratie tijdelijk te staken.
4.4.
Volgens eiseres hecht de verzekeringsarts te weinig waarde aan de psychische problemen en aan de terugvallen van de (ex-)werknemer, terwijl dat juist de belangrijkste redenen zijn voor stagnatie van de re-integratie, voor het oordeel van de bedrijfsarts en het stellen van zware beperkingen. De verzekeringsartsen lijken de combinatie en hoeveelheid van ziektebeelden te onderschatten, evenals de mogelijkheden om in een ziektebeeld met vele ups en downs een consistent advies te formuleren zonder dat er teveel psychische druk op de werknemer wordt uitgeoefend. De verzekeringsartsen hebben onvoldoende gemotiveerd waarom het aannemelijk is dat de (ex-)werknemer meer belastbaar is dan door de bedrijfsarts vastgesteld. Het UWV heeft ook niet concreet gemaakt dat de
(ex-) werknemer meer mogelijkheden zou hebben gehad als een hogere belastbaarheid zou zijn aangenomen.
4.5.
Daarnaast heeft de primaire verzekeringsarts geen medische informatie van externe behandelaars meegewogen en het dossier niet met de bedrijfsarts besproken. Het UWV heeft dit geprobeerd in het bestreden besluit te herstellen, maar toen was het kwaad al geschied. Dit blijkt uit het gesprek tussen de verzekeringsarts b&b en de bedrijfsarts. Volgens de bedrijfsarts onderschatte de verzekeringsarts b&b in dat gesprek de psychische gesteldheid van de (ex-)werknemer.
4.6.
Het resultaat van de re-integratie is goed, namelijk de (ex-)werknemer is geschikt voor passende arbeid. Dit is wellicht geen bevredigend resultaat op basis van de maatstaf van het UWV maar wel een beter resultaat dan toen de (ex-)werknemer uitviel en een beter resultaat dan na de begeleiding. De (ex-)werknemer is momenteel namelijk 100% arbeidsongeschikt. De (ex-)werknemer was slechts tijdens en door de begeleiding van eiseres en de bedrijfsarts meer belastbaar dan ervoor en erna. Volgens eiseres heeft de bedrijfsarts tijdens de wachttijd correct gehandeld, zijn er geen re-integratiekansen gemist en zijn de mogelijkheden in spoor 1 en 2 voldoende inzichtelijk gemaakt.
4.7.
Subsidiair stelt eiseres dat er een deugdelijke grond is voor de mogelijk onvoldoende re-integratie-inspanningen. Eiseres stelt aan haar re-integratieverplichtingen te hebben voldaan, voor zover dat in haar macht lag en – onder verwijzing naar rechtspraak van diverse rechtbanken [2] – op het advies van de bedrijfsarts te hebben mogen afgaan omdat zij in redelijkheid niet aan de juistheid daarvan hoefde te twijfelen. De verantwoordelijkheid voor gemiste re-integratiekansen lag niet bij eiseres. Het UWV had daar bij de afweging van belangen meer gewicht aan toe moeten kennen.
4.8.
Tot slot heeft eiseres verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Beoordeling door de rechtbank
Beroep tegen niet tijdig beslissen
5. Deze procedure is gestart met het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de loonsanctie.
5.1.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende het bestuursorgaan eerst schriftelijk in gebreke stellen. Als er twee weken nadien nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen.
5.2.
Uit het dossier blijkt niet dat eiseres het UWV in gebreke heeft gesteld. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar verklaart de rechtbank daarom niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het bestreden besluit
6. De vraag die in deze procedure (uitsluitend) voorligt is of het UWV op goede gronden aan eiseres een loonsanctie heeft opgelegd.
6.1.
Het UWV heeft die loonsanctie opgelegd omdat eiseres volgens het UWV vanaf
2 juni 2022 te weinig re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarvoor geen deugdelijke grond heeft.
Juridisch kader
6.2.
Op grond van artikel 65 van Pro de WIA beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.
Op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA legt het UWV een loonsanctie op als blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
6.2.1.
In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.
6.2.2.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Rechtspraak
6.3.
Uit recente uitspraken van de CRvB volgt dat hij geen aanleiding ziet de ‘voor rekening en risico (van de werkgever)’-benadering bij loonsancties, zoals neergelegd in eerdere rechtspraak, niet langer te volgen. Hierbij is (kort gezegd) overwogen dat uit de wetsgeschiedenis expliciet blijkt dat de plicht tot re-integratie van de zieke werknemer ingevolge artikel 25, negende lid, van de WIA op de werkgever rust en dat die verantwoordelijkheid tevens de verantwoordelijkheid impliceert voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door de werkgever ingeschakelde deskundigen. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever met de bewoordingen ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht’ in artikel 65 van Pro de WIA heeft beoogd de medisch-inhoudelijke aspecten van de re-integratie uit te sluiten van die verantwoordelijkheid. Dit blijkt ook uit het feit dat de wetgever, teneinde het medisch advies van de bedrijfsarts bij de toepassing van artikel 65 van Pro de WIA leidend te maken, een wetsvoorstel tot wijziging van dat artikel nodig acht.
6.3.1.
De CRvB heeft tot slot gewezen op het belang van werknemers bij een adequate re-integratie. In gevallen waarin de medische beoordeling door de bedrijfsarts inhoudelijk onjuist is en de re-integratie-inspanningen als gevolg daarvan onvoldoende zijn geweest, strekt een loonsanctie ertoe een adequate re-integratie – in het belang van de werknemer – alsnog te laten plaatsvinden.
6.3.2.
Wat betreft de toets van het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts heeft de CRvB verder overwogen dat de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever (de zogeheten RIV-toets) geen claimbeoordeling is en de bedrijfsarts bij die toets een professionele marge dient te worden gegund. De verzekeringsarts dient te toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. Het enkele feit dat de verzekeringsarts achteraf oordelend in sociaal-medisch opzicht zelf anders zou hebben gehandeld of tot een afwijkende inschatting van de belastbaarheid komt, is in dit verband onvoldoende om te kunnen komen tot de conclusie dat de bedrijfsarts de hem toekomende professionele marge heeft overschreden en daarmee sprake is van een tekortkoming in het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts. [3]
Bestreden besluit
6.4.
Aan het besluit tot oplegging van de loonsanctie heeft het UWV de conclusies van [UWV-arts] van 15 mei 2023, van [verzekeringsarts b&b] van 29 december 2023, van [arbeidsdeskundige] van 24 mei 2023 en van [arbeidsdeskundige b&b] van 17 januari 2024 ten grondslag gelegd.
Verzekeringsartsen
6.4.1.
De UWV-arts heeft de (ex-)werknemer op 25 april 2023 gezien, hem psychisch en lichamelijk onderzocht en dossieronderzoek verricht. Ook de sociaal medisch verpleegkundige heeft de (ex-)werknemer gesproken, op 4 april 2023. De arts vindt het re-integratieverslag niet akkoord. Volgens de arts is het onduidelijk of er fysieke spreekuren met lichamelijk onderzoek hebben plaatsgevonden om de ernst van de problematiek vast te stellen en of er informatie bij de behandelend sector is opgevraagd om de behandelopties na te gaan. De bedrijfsarts heeft bovendien niet adequaat gehandeld op het moment dat er stagnatie optrad. Er zijn geen interventies ingezet gericht op de onderliggende medische problematiek (MDT, pijntraject, psycholoog/psychiater/expertise). De bedrijfsarts heeft niet inzichtelijk gemaakt wat precies de belastbaarheid van de (ex-)werknemer is en hoe hij tot het oordeel over de belastbaarheid gekomen is. Het is volgens de arts aannemelijk dat de belastbaarheid van de (ex-)werknemer beter was geweest als interventies waren ingezet en behandelingen hadden plaatsgevonden. Gelet op de forse klachten en eigen observaties met een duidelijke component van bewegingsangst en vermijdende coping, had een multidisciplinair traject mogelijk zinvol kunnen zijn. Dat is niet ingezet en er blijkt niet dat dat overwogen is. Over de psychische problematiek heeft de (ex-)werknemer aangegeven dat er de afgelopen twee jaar geen behandeling heeft plaatsgevonden, dat de bedrijfsarts hierin niet heeft geholpen en dat niet alle problemen besproken zijn. Dit is niet te rijmen met de informatie van de bedrijfsarts dat er op meerdere momenten behandeling is geadviseerd. Adequate behandeling was volgens de arts wel zinvol geweest, mede omdat de klachten al jaren bestaan, er tijdens de ziekteperiode een duidelijke verslechtering heeft plaatsgevonden en stresserende privéfactoren zich verder opstapelen. Op basis van de gegevens is onduidelijk hoe dit is gelopen, wat de visie van de bedrijfsarts hierin is en wat er precies met de problematiek gedaan is. Om hierover duidelijkheid te verkrijgen heeft de arts geprobeerd contact te krijgen met de bedrijfsarts, maar dat is niet gelukt.
6.4.2.
De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht, de (ex-)werknemer gesproken middels beeldbellen, hem oriënterend psychisch onderzocht en overleg gehad met de bedrijfsarts. Verder heeft hij informatie van [neuroloog] betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat het plausibel is dat er vanaf datum ziekmelding tot 2 juni 2022, sprake was van geen benutbare mogelijkheden onder meer in afwachting van de eerste resultaten na het opstarten van fysiotherapie en de geclaimde toename van fysieke klachten. Daarna is er vanaf 2 juni 2022 tot einde wachttijd volgens de verzekeringsarts b&b wel sprake van belastbaarheid. Uit de medische informatie van de neuroloog, die in april 2022 is ontvangen, blijkt dat die problematiek relatief meevalt en dat zware rugbelasting (zwaar tillen) moet worden vermeden. Dit had voor de bedrijfsarts aanleiding moeten zijn om een fysiek spreekuur in te plannen om de beperkingen door een lichamelijk onderzoek objectief vast te stellen. De eerder vastgestelde beperkingen zijn niet te verklaren uit de gegevens van de behandelend sector. De bedrijfsarts heeft dit nagelaten en daarvoor ook geen plausibele verklaring gegeven. Hoewel het op grond van de richtlijnen niet verplicht is lichamelijk onderzoek te verrichten, had dat vanwege de forse discrepantie tussen anamnese, bevindingen en behandelingen wel moeten worden uitgevoerd om tot een zo zorgvuldig mogelijk inschatting van de belastbaarheid te komen. De primaire arts heeft dat wel gedaan en op basis van die bevindingen en de informatie uit de curatieve sector moet worden geconcludeerd dat de door de (ex-)werknemer vermelde klachten en beperkingen in grote mate niet verklaarbaar zijn. Op basis van die gegevens kan alleen worden gesproken van beperkingen op langdurig aaneengesloten zitten, lopen of staan, zwaar tillen, dragen, trekken/duwen, veelvuldig en diep buigen, grove schokken en trillingen op de wervelkolom. Deze beperkingen zijn aanwezig op 2 juni 2022: de datum dat de bedrijfsarts de (ex-)werknemer voor het eerst heeft kunnen spreken na ontvangst van de medische informatie. Nadien is er geen verslechtering in de medische situatie geobjectiveerd, behalve dat de (ex-)werknemer bij momenten aangeeft subjectief meer klachten te ervaren. Ten aanzien van de psychische problematiek volgt de verzekeringsarts b&b de bedrijfsarts evenmin over het regelmatig stellen van geen benutbare mogelijkheden. Al in juli 2021 wordt aangegeven dat de (ex-)werknemer naar de psycholoog wil. Meermaals blijkt dat het opstarten van behandeling, ook na doorverwijzing door de bedrijfsarts naar HSK, door de (ex-)werknemer wordt tegengehouden. Zoals de adviseur in februari 2022 aangaf kan doorbetaling van loon worden stopgezet als onvoldoende wordt meegewerkt aan re-integratie, onderzoek of herstel. Volgens de verzekeringsarts b&b had die stap waarschijnlijk wel gezet moeten worden. De (ex-)werknemer heeft op 30 december 2021 aangegeven niet akkoord te gaan met het opvragen van medische informatie over zijn psychische gesteldheid, maar heeft daarna ook geen adequate stappen richting herstel genomen. De terugvallen in de psychische toestand zijn niet geobjectiveerd en gelet op de aard en frequentie is het niet aannemelijk dat de (ex-)werknemer daarvoor geen hulp zou hebben gezocht. Het had volgens de verzekeringsarts b&b in de lijn gelegen om zorgvuldiger onderzoek te doen door het uitvragen van klachten en een oriënterende psychische observatie. Als dat onvoldoende was geweest dan had het in de lijn gelegen om toch informatie op te vragen of een expertise om aard en ernst van de problematiek en beperkingen in beeld te krijgen. De bedrijfsarts heeft niet kunnen volstaan met de beperkingen louter te benoemen als ‘beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren’. Deze hadden nader moeten worden toegespitst. Daarbij heeft de bedrijfsarts de (ex-)werknemer ook niet psychisch onderzocht, er is alleen anamnestische informatie en die is vrij beperkt. De primaire arts heeft de (ex-)werknemer wel oriënterend psychisch onderzocht. Hieruit blijken geen evidente tekenen van vermoeidheid en geen afwijkingen in aandacht en concentratie. Hetgeen is gerapporteerd met betrekking tot het geheugen is inconsistent. Zo zegt de (ex-)werknemer zich het gesprek met de verpleegkundige niet te herinneren, maar over andere zaken kan hij wel duidelijk aangeven hoe die zijn verlopen. Deze inconsistentie is niet verklaarbaar uit ziekte of gebrek. Wel zijn er tekenen van emotionaliteit, vooral bij zaken die de (ex-)werknemer bezig houden. Tijdens het spreekuur in bezwaar is dat ook zo, maar er is onderliggend geen evidente depressieve stemming, terwijl de (ex-)werknemer ook nu aangeeft dat het steeds slechter wordt. De verzekeringsarts b&b kan dan ook de conclusie van de bedrijfsarts dat er vanaf medio 2022 nog periodes van geen benutbare mogelijkheden zijn vanwege ernstige psychische problematiek, niet reproduceren. Volgens de verzekeringsarts b&b zijn er vanaf 2 juni 2022 alleen beperkingen geobjectiveerd voor frequente deadlines/productiepieken, hoog handelingstempo (mede door de medicatie), het hanteren van emotionele problemen van anderen, conflicthantering, leidinggevende taken en nachtelijke werkzaamheden.
Arbeidsdeskundigen
6.4.3.
De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat omdat de werknemer niet werkt terwijl hij wel arbeidsmogelijkheden heeft. De inspanningen van eiseres zijn onvoldoende. De mogelijkheden van de werknemer zijn door de bedrijfsarts niet inzichtelijk in beeld gebracht.
6.4.4.
Ook de arbeidsdeskundige b&b concludeert dat er geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. De (ex-)werknemer werkt op de datum van de primaire beoordeling namelijk niet structureel in passend werk terwijl er in passend werk met een structureel karakter ook niet tenminste 65% van het oude loon wordt verdiend. Gelet op het standpunt van de verzekeringsartsen concludeert ook de arbeidsdeskundige b&b dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn. Er zijn vanaf 2 juni 2022 wel benutbare mogelijkheden en deze mogelijkheden zijn ruimer dan de forse beperkingen die de bedrijfsarts aangeeft in de probleemanalyse van 25 juni 2021. Dit is het enige moment in de gehele periode van ziekte dat de bedrijfsarts de beperkingen nader heeft uitgewerkt. De verzekeringsarts b&b heeft benoemd welke beperkingen hij vanaf 2 juni 2022 plausibel vindt en die leiden tot een ruimere belastbaarheid dan de bedrijfsarts heeft vastgesteld. Hierdoor zijn mogelijk kansen in spoor 1 gemist, omdat niet op grond van de juiste belastbaarheid de mogelijkheden in dat spoor zijn onderzocht. Daarnaast zijn de activiteiten in spoor 2 uitgevoerd op grond van een onjuiste belastbaarheid en hierdoor mogelijk kansen gemist in dit spoor. Spoor 2 had op basis van de aangepaste belastbaarheid (mogelijk) een andere richting gekregen of in ieder geval had onderzocht kunnen worden of een mogelijk geschikte functie passend was bij die belastbaarheid. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b geconcludeerd dat er vanaf 2 juni 2022 geen periodes meer zijn geweest waarin sprake was van geen benutbare mogelijkheden. Het spoor 2 traject heeft echter wel stilgelegen tussen augustus 2022 en medio oktober 2022 op advies van de bedrijfsarts. Dit was echter onterecht waardoor ook in deze periode re-integratiekansen zijn gemist in spoor 2. De loonsanctie is volgens de arbeidsdeskundige b&b terecht opgelegd omdat de sociaal medische begeleiding niet adequaat is geweest en de belastbaarheid daarnaast niet correct is vastgesteld.
Oordeel van de rechtbank
6.5.
Niet in geschil is dat de (ex-)werknemer ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen niet in structurele arbeid met een loonwaarde van ten minste 65% van het oorspronkelijke loon had hervat en dat daarmee geen sprake is van een bevredigend resultaat. Het UWV kon daarom toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen van eiseres. Evenmin in geschil is dat de in beroep te beoordelen periode loopt van 2 juni 2022 tot 25 mei 2023 (datum primair besluit). Uit het dossier leidt de rechtbank af dat in deze periode door de bedrijfsarts van half augustus 2022 tot en met 1 december 2022 en daarna vanaf circa begin december 2022 tot en met 15 januari 2023 een situatie van geen benutbare mogelijkheden is aangenomen.
6.5.1.
Voor zover eiseres heeft gesteld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest, volgt de rechtbank dat standpunt niet. De primaire verzekeringsarts heeft de (ex-)werknemer gezien, hem psychisch en lichamelijk onderzocht en dossieronderzoek verricht. Ook de verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht, de
(ex-) werknemer gesproken middels beeldbellen, hem oriënterend psychisch onderzocht en contact gehad met de bedrijfsarts. Verder heeft de verzekeringsarts b&b informatie van [neuroloog] betrokken. Daarmee is het onderzoek van de verzekeringsartsen naar het oordeel van de rechtbank voldoende zorgvuldig verricht. Dat de primaire verzekeringsarts geen contact heeft gehad met de bedrijfsarts maakt dat niet anders. De rechtbank leidt uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts af dat hij tweemaal heeft geprobeerd contact te leggen met de bedrijfsarts maar dat die niet heeft teruggebeld. Dat kan de verzekeringsarts niet worden aangerekend. Bovendien heeft de verzekeringsarts b&b wel (telefonisch) contact gehad met de bedrijfsarts en daarmee het (eventuele) gebrek hersteld.
6.5.2.
In dit contact heeft de bedrijfsarts, blijkens de rapportage van de verzekeringsarts b&b, aangegeven dat de flinke pijn die de (ex-)werknemer ervaart, hetgeen ook blijkt uit de therapie/TENS, de beperkingen in het belastbaarheidsprofiel rechtvaardigen. Verder heeft hij aangegeven dat de verslechtering van de psychische problematiek in augustus 2022 snel opklaarde. Daarom was er geen noodzaak om op een aanvullende behandeling aan te dringen. Daarbij is er tijdens het verzuimtraject aandacht geweest om onder behandeling te gaan via de huisarts of HSK en zijn afspraken met psychologen besproken. Die zijn niet doorgegaan door de voorgeschiedenis van de (ex-)werknemer met diverse teleurstellingen in contacten met psychologen. Tot slot geeft de bedrijfsarts aan dat een multidisciplinair traject aan het eind van de 2 jaar te overwegen was. In de maanden daarvoor liep de re-integratie volgens de bedrijfsarts naar omstandigheden redelijk met uitzicht op toewerken naar ander werk.
6.5.3.
De verzekeringsarts b&b heeft in reactie hierop gesteld dat hoesten, niezen en persen geen negatief effect hebben op de beenpijn en dat de neuroloog vermeldt dat zwaar tillen (dat de verzekeringsarts b&b vertaalt als zware belasting) te vermijden is. Verder is van een ernstig depressief beeld geen sprake, gelet op de psychische observatie. Net als de fysieke klachten zijn de door (ex-)werknemer vermelde psychische klachten forser dan op basis van de observatie reëel lijkt. Volgens de verzekeringsarts b&b zijn er zeker geen forse beperkingen en zijn de beperkingen door de bedrijfsarts te fors ingeschat.
6.5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b voldoende gemotiveerd dat de bedrijfsarts is uitgegaan van te forse (fysieke en psychische) beperkingen, terwijl die niet blijken uit de beschikbare medische informatie of het eigen onderzoek van verzekeringsartsen. Uit de informatie van de neuroloog van 7 april 2022 blijkt alleen dat overmatige belasting door werkdruk en zwaar tillen vermeden zouden moeten worden. Bij psychisch onderzoek worden door de primaire arts geen heel bijzondere beperkingen vastgesteld, zo leidt de rechtbank uit zijn rapportage af, en bij lichamelijk onderzoek zijn er door de arts onder meer duidelijke aanwijzingen voor bewegingsangst waargenomen. Ook de verzekeringsarts b&b stelt bij oriënterend psychisch onderzoek geen bijzonderheden vast.
De informatie van de neuroloog waarin naar voren komt dat de fysieke beperkingen van de (ex-)werknemer minder ernstig zijn dan door de bedrijfsarts aangenomen, had naar het oordeel van de rechtbank voor de bedrijfsarts aanleiding moeten vormen om het belastbaarheidspatroon aan te passen of voor nader onderzoek: een fysiek onderzoek en daarna (eventueel) bijstelling van het belastbaarheidspatroon. De informatie van de neuroloog heeft echter niet geleid tot enige actie van de bedrijfsarts.
Überhaupt blijkt uit het dossier niet dat de bedrijfsarts de (ex-)werknemer op enig moment tijdens een fysiek spreekuurcontact heeft gezien en hem zelf in persoon (lichamelijk en psychisch) heeft onderzocht. De rechtbank leidt uit het dossier af dat de bedrijfsarts zijn inschatting van de belastbaarheid van de (ex-)werknemer alleen heeft gebaseerd op de anamnese: het eigen verhaal van de (ex-)werknemer.
Met betrekking tot de psychische belastbaarheid van de (ex-)werknemer acht de rechtbank nog relevant dat de bedrijfsarts in het telefoongesprek met de verzekeringsarts b&b aangeeft dat de verslechtering van de psychische problematiek /terugval van de (ex-)werknemer in augustus 2022 snel opklaarde. De rechtbank vindt dat niet te rijmen met het advies van de bedrijfsarts dat er geen benutbare mogelijkheden waren, op grond waarvan de activiteiten op spoor 2 tot half januari 2023 feitelijk stil hebben gelegen. Dat de bedrijfsarts in september 2022 aangeeft dat de gesprekken met de jobcoach ter oriëntatie op de toekomst door kunnen gaan, maakt dat niet anders.
Gezien het voorgaande heeft de bedrijfsarts naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid, ook als de professionele marge in acht wordt genomen, over zo’n lange periode tot zijn inschatting van de geringe dan wel (niet)belastbaarheid van de (ex-)werknemer kunnen komen. Een adequate medische onderbouwing daarvoor ontbreekt.
6.5.5.
Deze tekortkoming in het handelen van de bedrijfsarts komt op grond van de wet en vaste rechtspraak voor rekening en risico van eiseres. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor eiseres onrechtvaardig voelt, ook omdat uit het dossier en wat ter zitting is besproken duidelijk naar voren komt dat eiseres zelf veel inspanningen heeft verricht om alternatieven te bedenken. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om in dit geval af te wijken van de vaste rechtspraak van de CRvB, zoals die begin dit jaar nog is bevestigd. [4]
6.5.6.
Doordat de belastbaarheid van de (ex-)werknemer niet juist is vastgesteld heeft het UWV kunnen stellen dat er (mogelijk) op spoor 1 en spoor 2 re-integratiekansen gemist zijn, dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn en dat daarvoor geen deugdelijke grond bestaat.
Schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn
7. In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk langer dan twee jaar heeft geduurd.
7.1.
Het bezwaarschrift van eiseres is door het UWV ontvangen op 27 juni 2023. Vanaf de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift door het UWV tot de datum van deze uitspraak zijn (naar boven afgerond) 37 maanden verstreken. De redelijke termijn is daarmee met 13 maanden overschreden.
7.2.
In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit leidt in deze zaak tot een schadevergoeding van € 1.500,-. Omdat de bezwaarfase (afgerond) 7 maanden heeft geduurd en daarmee 1 maand te lang, komt 1/13 (dus € 115,38) voor rekening van het UWV en de rest (€ 1.384,62) voor rekening van de Staat der Nederlanden.
7.3.
Eiseres heeft in verband hiermee ook recht op een proceskostenvergoeding van € 467,- (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De Staat en het UWV dienen hiervan elk de helft te betalen.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank komt tot de slotsom dat de loonsanctie standhoudt. Het beroep is daarom ongegrond. Eiseres heeft als gevolg daarvan geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten. Zij heeft wel recht op schadevergoeding en proceskostenvergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het primaire besluit van 25 mei 2023 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 25 januari 2024 ongegrond;
  • veroordeelt het UWV tot betaling aan eiseres van € 115,38 aan vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiseres van € 1.384,62 aan vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 25
9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en Pro de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt Pro dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. Indien op het moment van verlenging van het tijdvak, bedoeld in de eerste zin, recht bestaat op verlof op grond van artikel 3:1, van de Wet arbeid en zorg, vangt het verlengde tijdvak aan met ingang van de dag waarop dat verlof eindigt. Indien tijdens het verlengde tijdvak, bedoeld in de eerste zin, recht ontstaat op verlof als bedoeld in de derde zin, wordt het tijdvak onderbroken voor de duur van dat verlof.
Artikel 65
De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een re-integratieverslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voorzover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet en de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:12
Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

Voetnoten

2.Uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2023 (ECLI:NLRBROT:2023:2990), rechtbank Noord-Holland van 3 april 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:3628), rechtbank Amsterdam van 11 januari 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:538) en rechtbank Oost-Brabant van 11 februari 2022 (ECLI:NL:RBOBR:2022:415)
3.bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:95)
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:95)