ECLI:NL:RBZWB:2026:6742

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/7297
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21, eerste lid, Successiewet 1956Art. 7:15, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag erfbelasting wegens juiste waardering overbedelingsschuld nalatenschap

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting die was opgelegd naar aanleiding van de nalatenschap van zijn moeder, waarbij onenigheid bestond over de hoogte van de overbedelingsschuld van de moeder aan de erfgenamen in verband met de nalatenschap van de vader.

De rechtbank overwoog dat de waarde van de nalatenschap moet worden bepaald naar de waarde in het economisch verkeer op het tijdstip van verkrijging en dat de overbedelingsvorderingen moeten worden gewaardeerd naar de werkelijke civielrechtelijke waarde. Zowel de door belanghebbende als de inspecteur voorgestane bedragen waren gebaseerd op schattingen.

De rechtbank sloot aan bij het bedrag van €193.960 dat volgde uit de aangifte erfbelasting van de overige erfgenamen van de vader, omdat dit een betere indicatie gaf van de werkelijke waarde dan de schattingen. Op basis hiervan werd de belaste verkrijging verlaagd tot €27.739.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en verminderd de aanslag. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: De rechtbank vermindert de aanslag erfbelasting tot een belaste verkrijging van €27.739 en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7297

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 september 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende ter zake van een verkrijging in 2018 een aanslag erfbelasting opgelegd (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 369 opgelegd (de boetebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft hierbij de aanslag verminderd en de boetebeschikking vernietigd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, [partner van belanghebbende] (partner van belanghebbende), de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag, zoals vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar, naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslag, zoals vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar, naar een te hoog bedrag is vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. In 1991 is belanghebbende met zijn vader, [de vader] (de vader), een maatschap aangegaan.
3.1.
Op 21 december 2013 is de vader overleden. In het testament van de vader is bepaald dat de wettelijke verdeling van toepassing is. Inzake deze nalatenschap is destijds geen aangifte erfbelasting ingediend. De inspecteur heeft de aanslagen erfbelasting ambtshalve opgelegd. Hierbij is de inspecteur uitgegaan van een verkrijging van € 53.681 voor ieder van de zes erfgenamen (de moeder van belanghebbende en vijf kinderen, waaronder belanghebbende).
3.2.
Op 11 oktober 2018 is de moeder van belanghebbende, mevrouw [erflaatster] (erflaatster) overleden.
3.3.
Erflaatster was vanaf 12 mei 2014 onder bewind gesteld. De bewindvoerder trad tevens op als vereffenaar van de nalatenschap van de vader.
3.4.
Op 27 mei 2020 heeft rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat de economische eigendom van de onroerende zaken aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] (de onroerende zaken) is ingebracht in de maatschap, met uitzondering van het woongedeelte van de oude woning met bedrijfsruimte, 1.000 m² van de ondergrond van de oude woning en tuin en een oprit. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de maatschap op 21 december 2013 is ontbonden. Tijdens een zitting bij rechtbank Oost-Brabant op 27 oktober 2023 is tussen betrokken partijen onder meer overeengekomen dat de overige vier erfgenamen een bedrag van in totaal € 180.000 ontvangen uit de nalatenschappen van beide ouders, dat de bewindvoerder € 120.000 voor al zijn werkzaamheden ontvangt en dat het overige deel van de nalatenschappen aan belanghebbende toekomt.
3.5.
De onroerende zaken zijn getaxeerd op € 1.019.000 met peildatum 6 juli 2020.
3.6.
De inspecteur heeft ter zake van de nalatenschap van erflaatster ambtshalve een aanslag aan belanghebbende opgelegd naar een belaste verkrijging van € 79.629. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Nalatenschap
€ 500.000
Totale verkrijging (erfdeel 1/5)
€ 100.000
Vrijstelling
€ 20.371
Belaste verkrijging
€ 79.629
3.7.
Nadat de inspecteur de aanslag heeft opgelegd, heeft belanghebbende een aangifte erfbelasting ingediend. Hierin heeft belanghebbende de volgende bedragen opgenomen:
Bezittingen en vorderingen
€ 1.018.948
Schuld aan erfgenamen i.v.m. nalatenschap eerder overleden partner
€ 268.405
Schuld maatschapsvermogen zoon
€ 615.845
Schuld aan bewindvoerder
€ 60.000
Totaal schulden
€ 944.250
Kosten uitvaart
€ 7.825
Te verdelen erfenis
€ 66.873
Verkrijging (erfdeel 1/5)
€ 13.374
3.8.
Middels de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag verminderd tot een berekend naar een belaste verkrijging van € 52.531. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Onroerende zaken privé
€ 115.000
Aandeel in maatschapsvermogen van erflaatster
€ 369.838
Schuld aan erfgenamen i.v.m. nalatenschap eerder overleden partner
€ 112.500
Kosten uitvaart
€ 7.825
Nalatenschap
€ 364.513
Totale verkrijging (erfdeel 1/5)
€ 72.902
Vrijstelling
€ 20.371
Belaste verkrijging
€ 52.531
3.9.
Op 27 november 2024 heeft de inspecteur een aangifte erfbelasting ontvangen ter zake van de nalatenschap van de vader. De aangifte is niet mede namens belanghebbende ingediend, maar alleen namens de overige erfgenamen. De aangegeven waarde van de nalatenschap bedraagt € 232.751.

Motivering

4. Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de in aanmerking te nemen schuld aan de bewindvoerder tot aan het moment van overlijden van erflaatster. Het in aanmerking te nemen bedrag is vastgesteld op € 42.500. Tevens is het in aanmerking te nemen bedrag in verband met het aandeel van erflaatster in het maatschapsvermogen niet meer in geschil. Partijen zijn het erover eens dat de berekening die de inspecteur heeft opgesteld bij de uitspraak op bezwaar op dit punt kan worden gevolgd.
4.1.
Partijen verschillen nog van mening over de hoogte van de overbedelingsschuld van erflaatster aan de erfgenamen in verband met de nalatenschap van de vader. Belanghebbende heeft betoogd dat deze schuld op basis van de opgelegde aanslag erfbelasting ter zake van de nalatenschap van de vader moet worden vastgesteld op € 268.405. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard zich ook te kunnen vinden in het bedrag van € 193.960 dat volgt uit de aangifte erfbelasting van 27 november 2024.
4.2.
De rechtbank overweegt dat de nalatenschap in aanmerking dient te worden genomen naar de waarde in het economisch verkeer op het tijdstip van de verkrijging. [1] Bij het overlijden van een langstlevende worden de overbedelingsvorderingen in de dan openvallende nalatenschap gewaardeerd naar de werkelijke (civielrechtelijke) waarde van die vorderingen. [2] De omstandigheid dat deze schuld op basis van de geschatte bedragen waarvan de inspecteur is uitgegaan bij het ambtshalve opleggen van de aanslagen ter zake van de nalatenschap van de vader € 268.405 zou bedragen, maakt daarom niet dat bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap van erflaatster ook van dit bedrag moet worden uitgegaan.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank dient evenmin uit te worden gegaan van het bedrag van € 112.500, zoals de inspecteur voorstaat. Ook het bedrag van € 112.500 berust op een schatting, namelijk op basis van het totaalbedrag van € 180.000 dat is voortgekomen uit de vaststellingsovereenkomst in de procedure bij rechtbank Oost-Brabant (3.5). De inspecteur heeft bij gebrek aan informatie aangenomen dat dit aan de overige erfgenamen toegekende bedrag voor de helft voortvloeit uit de nalatenschap van de vader en voor de helft uit de nalatenschap van erflaatster en dat de overbedelingsschuld daarom moet worden vastgesteld op 5/4e deel van € 90.000.
4.4.
De rechtbank ziet aanleiding om aan te sluiten bij het bedrag van € 193.960 [3] dat volgt uit de aangifte erfbelasting van 27 november 2024 (3.10). Weliswaar ontbreekt een nadere onderbouwing van de in de aangifte opgenomen bedragen en is ook niet zeker of de inspecteur de aangifte zal volgen, maar naar het oordeel van de rechtbank geeft deze aangifte een betere indicatie van de werkelijke waarde van de overbedelingsschuld dan de schatting van de inspecteur. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aangifte is ingediend namens de overige erfgenamen van vader. Belanghebbende was niet betrokken bij de aangifte en had er in zoverre geen belang bij. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat er geen andere concrete gegevens zijn met betrekking tot de werkelijke waarde van de nalatenschap van de vader.
4.5.
Het voorgaande brengt mee dat de belaste verkrijging € 27.739 bedraagt. Deze belaste verkrijging is als volgt berekend:
Onroerende zaken privé
€ 115.000
Aandeel in maatschapsvermogen van erflaatster
€ 369.838
Schuld aan erfgenamen i.v.m. nalatenschap eerder overleden partner
€ 193.960
Schuld aan bewindvoerder
€ 42.500
Kosten uitvaart
€ 7.825
Nalatenschap
€ 240.553
Totale verkrijging (erfdeel 1/5)
€ 48.110
Vrijstelling
€ 20.371
Belaste verkrijging
€ 27.739

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag tot een berekend naar een belaste verkrijging van € 27.739.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868. De rechtbank kent geen vergoeding toe voor de kosten in de bezwaarfase, nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat uitspraak op bezwaar is gedaan. [4]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belaste verkrijging van € 27.739;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, voorzitter, en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
voorzitter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

1.Artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956.
2.Hoge Raad 13 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3167.
3.5/6 deel van € 232.751.
4.Artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.