ECLI:NL:HR:1995:AA3167
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardering eigen woning en overbedelingsvorderingen bij ouderlijke boedelverdeling in successierecht
De zaak betreft een cassatieberoep van de erven tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage over de waardering van verkrijgingen uit de nalatenschap van hun overleden ouder, die gehuwd was in algehele gemeenschap van goederen. De erflater had bij testament een ouderlijke boedelverdeling gemaakt waarbij de eigen woning aan de langstlevende echtgenote werd toegedeeld, en de kinderen vorderingen op haar kregen wegens overbedeling.
De Inspecteur had de eigen woning voor 60% van de leegwaarde gewaardeerd, maar de kinderen moesten hun vorderingen waarderen tegen de volledige leegwaarde, wat tot hogere aanslagen leidde. Het Hof bevestigde dit standpunt, maar de Hoge Raad vernietigt het arrest en oordeelt dat de waardering van de overbedelingsvorderingen moet aansluiten bij de waarde van de eigen woning volgens artikel 21 lid 4 van Pro de Successiewet 1956, dus ook voor de kinderen een forfaitaire waardering geldt.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de waardering van courante effecten in de nalatenschap eveneens forfaitair moet plaatsvinden volgens artikel 21 lid 3 van Pro de Successiewet. De Hoge Raad herrekent de aanslagen successierecht en vermindert deze aanzienlijk. Ook wordt geoordeeld over de proceskosten en het succesierechtelijke effect van testamentaire bepalingen over de betaling van het recht. Het arrest verduidelijkt de fiscale behandeling van ouderlijke boedelverdelingen en de waardering van vorderingen die afhankelijk zijn van de waarde van de eigen woning.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslagen successierecht door toepassing van forfaitaire waardering van overbedelingsvorderingen en effecten.