ECLI:NL:RBZWB:2026:6850

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
26/635
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. de Weijze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij ontzegging toegang opvanglocatie

Eiser was de toegang tot een opvanglocatie in Breda ontzegd omdat hij de 28-dagen regeling had overtreden. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond, maar handhaafde het besluit. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

Tijdens de zitting bevestigde eiser dat hij inmiddels in een andere opvanglocatie verblijft en niet wenst terug te keren naar Breda. De rechtbank oordeelde dat het beroep feitelijk geen betekenis meer heeft omdat het gewenste resultaat, terugkeer naar de opvang in Breda, niet kan worden bereikt. Ook het argument van eiser dat hij schadevergoeding wil vorderen werd verworpen omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij schade had geleden door het besluit.

De rechtbank concludeerde dat eiser geen voldoende procesbelang heeft bij het beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor werd het beroep niet inhoudelijk beoordeeld en kreeg eiser geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/635

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college van 3 december 2025 (het bestreden besluit). Eiser heeft de [opvanglocatie] moeten verlaten omdat hij de 28-dagen regeling heeft overtreden. Eiser is het niet eens met het besluit van het college. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 12 juni 2025 is eiser de toegang ontzegd tot de [opvanglocatie] in Breda ( [locatie] ) omdat eiser de 28-dagen regeling heeft overtreden. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 3 december 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar gegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met bijstand van een tolk Arabisch [tolk] , de gemachtigde van eiser en [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser voldoende procesbelang heeft bij het voorliggende beroep. Uit vaste rechtspraak [1] vloeit voort dat pas sprake is van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het college opvang moet bieden. Het college heeft toegelicht dat er geen plaatsen meer beschikbaar zijn in de gemeentelijke opvang in Breda. Vaststaat dat het college heeft zorg gedragen voor opvang in een andere gemeente, namelijk [plaats] . Eiser heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat hij momenteel verblijft in de opvanglocatie in de gemeente [plaats] en ook niet wenst terug te keren naar de opvanglocatie in Breda. Ook heeft hij bevestigd dat hij vanuit [plaats] weliswaar verder van zijn vriendin woont, maar dichter bij zijn werk. Deze procedure heeft voor eiser dan ook feitelijk geen betekenis meer. De rechtbank stelt vast dat zelfs indien zij tot de conclusie zou komen dat het college ten onrechte de toegang tot [locatie] heeft ontzegd, dit oordeel eiser niet in een betere positie brengt omdat daar geen plek beschikbaar is en eiser daar niet meer wenst te verblijven. De grotere afstand tot zijn vriendin leidt niet tot een ander oordeel over zijn procesbelang, omdat met deze procedure geen opvang in Breda kan worden bereikt.
3.2.
Voor zover eiser betoogt dat hij belang heeft omdat hij een schadevergoeding wil vorderen, gaat de rechtbank daar niet in mee. Volgens vaste rechtspraak [2] van de Afdeling kan er procesbelang bestaan als de insteller van het beroep stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. De enkele stelling ter zitting dat eiser kosten heeft gemaakt omdat aan hem de toegang is ontzegd, acht de rechtbank onvoldoende. Eiser heeft dit niet aangevoerd in bezwaar en ook ter zitting niet concreet gemaakt waaruit de gestelde geleden schade bestaat en op welke wijze hij die schade heeft geleden.
3.3.
Nu de rechtbank van enig belang niet is gebleken, dient het beroep naar het oordeel van de rechtbank niet ontvankelijk te worden verklaard. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, krijgt eiser zijn griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier, op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3251.