Eiseres heeft op 7 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden een besluit genomen en heeft deze termijn onrechtmatig verlengd. Eiseres stelde verweerder op 11 november 2025 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit moet nemen. De rechtbank verwijst naar een eerdere lijn waarin een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn wordt gehanteerd, maar stelt dat in dit individuele geval de wettelijke termijn van twee weken na uitspraak geldt.
Verweerder wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de beslissing uitblijft na de gestelde termijn. Tevens moet verweerder het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 9 januari 2026.