ECLI:NL:RBZWB:2026:74

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
24/6224 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke zaak tussen verzoekster en UWV

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, in de zaak met nummer BRE 24/6224 WIA, beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de proceskosten. Verzoekster had eerder beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV van 24 juni 2024, maar trok dit beroep in nadat het UWV op 4 september 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar had genomen. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, waarbij het UWV zich niet verzette tegen de betaling van het griffierecht en de kosten van rechtsbijstand, maar vroeg om matiging van de deskundigenkosten.

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe, omdat het UWV geheel aan verzoekster is tegemoetgekomen door de WIA-uitkering alsnog toe te kennen. De rechtbank berekent de proceskostenvergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Verzoekster krijgt een vergoeding van € 934,- voor de rechtsbijstand en een totale vergoeding van € 2.523,76 voor de deskundigenkosten, wat resulteert in een totaalbedrag van € 3.457,76 dat het UWV aan verzoekster moet betalen. De rechtbank wijst ook op de verplichting van het UWV om het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Deze uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet tegen de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6224 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A. van den Os),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het UWV van 24 juni 2024. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV op 4 september 2025 dit besluit heeft vervangen door een nieuwe beslissing op bezwaar.
1.1.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft zich niet verzet tegen betaling van het door verzoekster in beroep betaalde griffierecht en de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het UWV heeft verzocht om de vergoeding voor de deskundigenkosten van verzoekster te matigen.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 30 juli 2024 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoekster ongegrond is verklaard en de WIA-uitkering werd geweigerd. Het UWV heeft op 4 september 2025 het bezwaar gegrond verklaard en besloten om alsnog per 25 juli 2023 een IVA-uitkering toe te kennen aan verzoekster. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend.
5.1.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
5.2.
Verzoekster heeft daarnaast verzocht om een vergoeding van de door haar gemaakte deskundigenkosten (een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige). Deze kosten vallen onder in artikel 1, sub b, van het Bpb. Volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en artikel 8:36, tweede lid, van de Awb wordt de vergoeding van kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts) en het daarop gebaseerde Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts). De werkzaamheden van de door verzoekster ingeschakelde deskundigen vallen onder artikel 6 van het Bts. In 2024 bedroeg de vergoeding maximaal € 154,50 per uur.
5.3.
Verzoekster heeft een urenspecificatie van deze kosten ingediend voor een bedrag van in totaal € 3.327,50 inclusief BTW op basis van 16 uren en een uurtarief van € 154,40. De werkzaamheden van de verzekeringsarts omvatten 11 uren en de werkzaamheden van de arbeidsdeskundige betreffen 5 uren. Het UWV is bereid om 8 uren voor de werkzaamheden van de verzekeringsarts als redelijk gemaakte kosten te vergoeden. De opgevoerde administratiekosten komen volgens het UWV niet voor vergoeding in aanmerking.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de door verzoekster gemaakte deskundigenkosten gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten voor het opvragen van de medische dossiers en het arbeidskundig dossier komen niet voor vergoeding in aanmerking. [3] Dat betekent dat de rechtbank de vergoeding voor de werkzaamheden van de door verzoekster ingeschakelde verzekeringsarts matigt tot 9,5 uur en van de arbeidsdeskundige tot 4 uren. In totaal komen 13,5 uren voor vergoeding in aanmerking tegen een uurtarief van € 154,50, te vermeerderen met BTW. De administratiekosten van € 278,- wijst de rechtbank af onder verwijzing naar de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [4] De totaal toe te wijzen vergoeding voor de kosten van deskundigen bedraagt dan € 2.523,76 inclusief BTW.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. [5] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het UWV wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 3.457,76 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
5.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.