ECLI:NL:RBZWB:2026:814

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
02-187364-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 261 SvArt. 231b SrArt. 326 SrArt. 140 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor grootschalige bankhelpdeskfraude en deelname criminele organisatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van grootschalige bankhelpdeskfraude, deelname aan een criminele organisatie, het voorhanden hebben van leads en medeplegen van computervredebreuk. De fraude betrof het bellen van voornamelijk oudere vrouwen met gebruik van aliassen, gespoofte telefoonnummers en het versturen van betaallinks via e-mail, waarbij slachtoffers werden bewogen geld over te maken. Verdachte was beller en betrokken bij 65 zaken.

De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding geldig was en verwierp het verzoek van de verdediging om alle aangevers als getuigen te horen, omdat voldoende compenserende factoren aanwezig waren en het proces als eerlijk werd beschouwd. De bewijsvoering bestond uit aangiftes, technische bewijzen zoals telefoongegevens, chatgesprekken, stemherkenning en financiële transacties.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het gebruik van identificerende gegevens, omdat niet was gebleken dat de aliassen daadwerkelijk bestonden of dat nadeel was ontstaan. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek van voorarrest, en tot betaling van schadevergoedingen aan slachtoffers en banken. De iPhone 7 van verdachte werd verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf voor medeplegen bankhelpdeskfraude en deelname aan criminele organisatie, met vrijspraak voor gebruik identificerende gegevens.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-187364-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [woonadres]
,
raadsman mr. J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3, 5, 6, 10, 12 en 13 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. C. de Pagter en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Op dezelfde zittingsdagen zijn inhoudelijk behandeld de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02/165966-23 en 02/016557-24), [medeverdachte 2] (02/187965-23), [medeverdachte 3] (02/155746-23), [medeverdachte 4] (02/111677-23), [medeverdachte 5] (02/111537-23) en [medeverdachte 6] (02/071660-25 en 16/238608-24).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is op 3 en 10 november 2025 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (samen met een of meer anderen):
feit 1:in de periode van 25 juli 2022 tot en met 11 juli 2023 meerdere personen heeft opgelicht door middel van bankhelpdeskfraude;
feit 2:in de periode van 31 juli 2021 tot en met 1 augustus 2023 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;
feit 3:in de periode van 25 juli 2022 tot en met 11 juli 2023 misbruik heeft gemaakt van persoonsgegevens;
feit 4:in de periode van 26 juni 2022 tot en met 13 juni 2023 lijsten met persoons- en adresgegevens, telefoonnummers, bankrekeningnummers en e-mailadressen (‘leads’) voorhanden heeft gehad, bestemd voor het plegen van die bankhelpdeskfraude;
feit 5:in de periode van 26 juni 2022 tot en met 1 juli 2022 computervredebreuk heeft gepleegd.

3.De voorvragen

3.1.
De geldigheid van de dagvaarding
3.1.1.
Het standpunt van de verdediging
Primair voert de verdediging aan dat de dagvaarding, voor zover die ziet op de tabel, nietig moet worden verklaard. De inhoud van die tabel is onduidelijk geformuleerd en onvoldoende feitelijk in het licht van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Subsidiair verzoekt de verdediging het Openbaar Ministerie te verplichten om alle aangevers over te nemen uit de tabel en te specificeren in de tenlastelegging.
3.1.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat de dagvaarding voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv Pro. Voor verdachte is voldoende duidelijk waartegen zij zich moet verdedigen.
3.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 261 Sv Pro moet de tenlastelegging, op straffe van nietigheid, een opgave behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, alsmede de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan, zodat duidelijk is waartegen de verdachte zich dient te verdedigen.
De begrijpelijkheid van de tenlastelegging moet verder worden bezien tegen de achtergrond van het dossier.
De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van het verweten feit voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv Pro. De omschrijving is, bezien tegen de achtergrond van het dossier en met name de ingevoegde tabel, voldoende duidelijk en feitelijk. In die tabel zijn immers de namen van de vermeende slachtoffers van de oplichting, de weggenomen bedragen en de pleegdata opgenomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging en is van oordeel dat de dagvaarding in zijn geheel geldig is. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om op het subsidiaire verweer van de verdediging in te gaan.
3.2.
De overige voorvragen
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

De rechtbank zal hierna meerdere aangiftes gebruiken in de bewijsconstructie. Om deze reden wordt hieronder eerst ingegaan op het voorwaardelijk verzoek van de verdediging, in de zaken [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , om alle aangevers als getuigen te horen.
4.1.
Het standpunt van de verdediging
In geval de rechtbank voornemens is de aangiftes voor het bewijs te gebruiken, verzoekt de verdediging om alle aangevers alsnog als getuigen te horen. Het gaat immers om belastende getuigen (zogenoemde ‘Keskin’-getuigen). Indien de rechtbank dit verzoek afwijst, dienen de aangiftes van het bewijs te worden uitgesloten. De verdediging heeft de aangevers immers niet kunnen ondervragen en er is geen sprake van compenserende factoren om te zorgen dat er toch sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen het (herhaalde) voorwaardelijk verzoek van de verdediging om alle aangevers als getuigen te horen. De aangiftes zijn niet ‘sole and decisive’, omdat het dossier ook voldoende ander (technisch) bewijs bevat waarover de verdediging onderzoekswensen had kunnen indienen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Procesverloop
De raadslieden van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben bij de rechter-commissaris en op de regiezitting van 10 april 2025 verzocht om alle aangevers in de zaken van hun eigen cliënten als getuigen te horen. De rechter-commissaris en de rechtbank hebben deze verzoeken afgewezen. De beslissing van de rechtbank van 18 april 2025 komt er in de kern op neer dat het horen van alle aangevers als getuigen onmiskenbaar irrelevant of overbodig is, omdat het (opnieuw) horen van deze getuigen voor de bewijsvoering of het ontkrachten daarvan geen toegevoegde waarde zal hebben. Ter zitting van 3 november 2025 is namens [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het voorwaardelijk verzoek gedaan om alle aangevers als getuigen te horen, indien de aangiftes voor het bewijs gebruikt worden. In de zaak van [verdachte] gaat het om 91 aangevers, in de zaak van [medeverdachte 1] om 202 aangevers en in de zaak van [medeverdachte 2] om 68 aangevers.
De raadslieden hebben ten opzichte van het eerder gedane verzoek voor de regiezitting, de onderbouwing enigszins aangevuld. Zo hebben zij thans grotendeels gesteld dat de wens bestaat deze aangevers zelf te bevragen over de betreffende personen die het (oplichtings)gesprek hebben gevoerd, en dan met name met hoeveel personen er is gesproken, of dit mannen en/of vrouwen betroffen, de namen die zij daarbij hanteerden en of er bepaalde kenmerkende accenten of stemmen werden gebruikt.
4.3.2.
Het juridisch kader
De rechtbank zal hierna verklaringen van meerdere aangevers onderdeel laten zijn van de bewijsconstructie voor de tenlastegelegde oplichting. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde die de verdediging aan de verzoeken heeft gesteld. Deze verzoeken hangen zodanig nauw samen met de vraag die de rechtbank (ambtshalve) dient te beantwoorden, namelijk of het proces eerlijk is verlopen in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM, dat de beoordeling daarvan hieronder gezamenlijk zal plaatsvinden.
De aangevers betreffen belastende getuigen (‘Keskin’-getuigen) waarvoor het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige moet worden verondersteld.
De verdediging heeft geen behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheden gehad, terwijl zij daar wel om heeft verzocht. De rechtbank dient daarom (ambtshalve) na te gaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen en overweegt daartoe het volgende. Hierbij zijn de volgende factoren van belang:
  • i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,
  • ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
  • iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd en gewogen. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat voldoende compenserende factoren bestaan.
In deze zaak leidt dit toetsingskader tot de volgende overwegingen.
(i) De reden dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend
De Hoge Raad heeft in haar arrest op 20 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:576) overwogen dat geen sprake is van strijd met artikel 6 van Pro het EVRM als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
In dit geval hebben de aangevers allen, onafhankelijk van elkaar, verklaard dat zij zijn gebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van een bank, waarna de aangevers zijn overgegaan tot het overmaken van een bepaald geldbedrag. Sommige aangevers hebben daarbij namen (aliassen) van de betreffende medewerkers genoemd, en soms alleen dat er sprake was van een man, een vrouw, twee mannen of een combinatie van deze personen (en namen).
De rechtbank constateert dat de inhoud van de verklaringen van aangevers dat zij zijn gebeld door een of meer personen die zich voordeden als bankmedewerkers en dat de aangevers hierdoor zijn bewogen geld over te maken en dus zijn opgelicht in zoverre niet is betwist. De kern van het verwijt, te weten de oplichting, wordt dus niet betwist. Gelet op de enigszins aangevulde onderbouwing kan op dit moment in het proces niet zonder meer gezegd worden dat het volstrekt irrelevant is om deze aangevers te horen. Om die reden dient de rechtbank te beoordelen wat het gewicht van deze verklaringen is in het licht van de gehele bewijsconstructie.
(ii) Het gewicht van de verklaring van de getuigen
Onderzoek ‘Lawrencium’ is gestart nadat veertien personen in een korte periode waren opgelicht, die met elkaar in verband konden worden gebracht. Na verder onderzoek zijn meerdere verdachten in beeld gekomen ( [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ). Uiteindelijk heeft de politie nog eens 290 aangiftes aan één of meer van deze verdachten gekoppeld.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van verdachten niet zozeer volgt uit de aangiftes op zich, maar met name uit andere (technische) bewijsmiddelen, zoals gegevens die uit de in beslag genomen telefoons/laptops van verdachten naar voren zijn gekomen, rekeningafschriften, e-mails met daarin betaallinks of een afspraakbevestiging, telefoonnummers (IMEI-nummers) waarmee de aangevers gebeld zijn en (facturen van) bestellingen die door aangevers betaald zijn. Bovendien heeft [verdachte] bekend gebruik te hebben gemaakt van een door aangevers genoemde alias en zich bezig te hebben gehouden met bankhelpdeskfraude.
Voor het bewijs van de betrokkenheid van de desbetreffende verdachten kent de rechtbank dan ook minder gewicht toe aan de aangiftes dan aan de in de vorige alinea genoemde bewijsmiddelen. Het gewicht van de verklaringen van aangevers is daarom niet aan te merken als ‘sole and decisive’. Anderzijds kunnen deze verklaringen ook niet als onbelangrijk (‘not insignificant’) worden aangemerkt, nu hieruit immers wel blijkt dat de betreffende aangever slachtoffer is geworden van bankhelpdeskfraude.
In de gevallen waarin het bewijs niet van onbelangrijk gewicht is, moet enige mate van compensatie worden geboden. Er moet niet in afzonderlijkheid gekeken worden naar het gewicht van de verklaring - en de vraag of een verklaring wel of niet beslissend is, is ook nooit als zodanig doorslaggevend - maar telkens, als spreekwoordelijke communicerende vaten, naar de beoordelingsfactoren in onderlinge samenhang.
De rechtbank dient daarom te beoordelen of er voldoende compenserende factoren bestaan.
(iii) Compenserende factoren
Bij compenserende factoren gaat het er in de kern om dat de betrouwbaarheid van de getuige zorgvuldig kan worden onderzocht. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige. Verspreid over het hele land hebben meerdere aangevers, onafhankelijk van elkaar en uit zichzelf, aangifte gedaan van oplichting bij de politie. Zij zijn hier in het merendeel van de gevallen nader door de politie over bevraagd. Deze aangiftes komen op belangrijke aspecten met elkaar overeen (zie paragraaf 5.4.1). Geen enkele aangever heeft daarbij een (echte) naam van een verdachte genoemd. Aangevers hebben hun verklaringen veelal ondersteund met afschrijvingen van de bankrekening en/of e-mailberichten en/of andere bewijsmiddelen. De rechtbank heeft dan ook geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid van de aangevers te twijfelen. Deze betrouwbaarheid kon aan de hand van door aangevers zelf overgelegde gegevens, maar ook aan de hand van andere objectieve gegevens die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, door de verdediging worden onderzocht. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat er voldoende compenserende factoren aanwezig zijn.
Dit betekent ook dat in de gevallen waarin die gegevens niet aanwezig zijn, onvoldoende compenserende factoren aanwezig zijn. In die specifieke gevallen, zal de rechtbank de betreffende aangiftes dan ook niet gebruiken voor het bewijs.
4.3.3.
Conclusie
Het dossier bevat naast de verklaringen van deze getuigen, die wel voor de bewezenverklaring zijn gebruikt, voldoende ander bewijs en er zijn factoren die voldoende compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De procedure voldoet daarmee in haar geheel aan het in artikel 6 van Pro het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de aangevers als getuigen daarom af.
Het gevoerde verweer strekkende tot integrale vrijspraak, vanwege uitsluiting van de aangiftes voor het bewijs, wordt gezien het voorgaande verworpen.

5.De beoordeling van het bewijs

5.1.
Medeplegen oplichting feit 1
5.1.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij vordert partiële vrijspraak van zaak 13.
5.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring ten aanzien van aangeefster [aangeefster 1] (zaaksdossier 102) aan het oordeel van de rechtbank. Voor de overige zaken/zaaksdossiers blijkt geen actieve betrokkenheid van verdachte bij de oplichtingen, zodat daar vrijspraak voor moet volgen.
5.4.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
De zaak gaat over een omvangrijke bankhelpdeskfraude. Over een periode van een groot aantal maanden zijn honderden meldingen bij banken binnen gekomen van klanten vanuit het hele land die slachtoffer waren geworden van deze specifieke vorm van oplichting. Naast Rabobank, ABN AMRO en ING hebben ook meerdere klanten aangifte gedaan.
De politie is strafrechtelijk onderzoek “Lawrencium” gestart om deze fraudegevallen te onderzoeken. De onderzoeksresultaten leidden ertoe dat er uiteindelijk 306 aangiftes met elkaar in verband zijn gebracht, waarbij een dadergroep in beeld is gekomen. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn hierbij als verdachten aangemerkt.
5.4.1.
Modus operandi
Uit het dossier Lawrencium blijkt dat in een groot aantal gevallen van de tenlastegelegde bankhelpdeskfraudes sprake is van eenzelfde modus operandi. Deze modus operandi was de volgende.
De aangevers waren steeds ouderen, met name vrouwen, variërend in de leeftijd van 60 tot en met 90 jaar. Zij werden gebeld met een gespooft of anoniem telefoonnummer. Degene die belde, deed zich voor als medewerker van de fraudeafdeling van de bank en stelde zich voor onder een alias ( [alias 1] , [alias 2] , [alias 3] , [alias 4] ). Tijdens het gesprek werd de aangevers voorgehouden dat er een verdachte transactie op hun rekening had plaatsgevonden of dat was geprobeerd geld van hun rekening af te halen en dat de bank hen wilde helpen om het geld terug te vorderen danwel veilig te stellen. Daarbij werd veelal de naam van [persoon 1] , al dan niet in combinatie met België, gebruikt als degene naar wie het geld zou worden overgemaakt.
De aangevers werden (uren)lang aan de telefoon gehouden en soms doorverbonden met een andere zogenaamde bankmedewerker. Tijdens het gesprek ontvingen de aangevers e-mails of WhatsApp-berichten met daarin (vaak via Marktplaats gegenereerde) betaallinks. Deze e-mails waren afkomstig van een e-mailadres, waarin de naam van de bank in combinatie met “fraudeafdeling” werden gebruikt. De aangevers werden verzocht om op die betaallinks in de e-mails te klikken. De aangevers waren in de veronderstelling dat zij daarmee de bedragen terugvorderden en/of veiligstelden. In werkelijkheid verrichtten zij zelf betalingen. De aangevers werden vervolgens verzocht om de volgende dag met een bepaalde code naar het dichtstbijzijnde filiaal van de bank te gaan, waar de bankmedewerker voor hen een afspraak had gemaakt om het geld terug te krijgen. De aangevers ontvingen van deze afspraak per e-mail een bevestiging met het adres van het filiaal waar de afspraak gepland stond. Op het moment dat de aangevers zich bij de bank meldden, bleek er helemaal geen afspraak te zijn.
De rechtbank beschouwt bovenstaande modus operandi als de basiswerkwijze, waarbij zij constateert dat in bepaalde periodes, binnen het tijdsbestek waarin deze 306 aangiftes zijn gedaan, op een andere manier hieraan invulling is gegeven. De rechtbank bedoelt daarmee bijvoorbeeld dat op sommige momenten pinpassen fysiek werden opgehaald waarmee werd gepind, dat op andere momenten gebruik werd gemaakt van de app Anydesk, of geld werd overgemaakt naar Online Payments Foundation, of met het geld bestellingen werden geplaatst bij online webshops. Zo werd een periode lang besteld bij Megekko en Dyson, een periode lang bij Arts & Craft en een periode lang bij Amazon en MediaMarkt. In meerdere gevallen werd aan de aangevers ook een persoonlijke code doorgegeven, bestaande uit een aantal letters met daarachter hun geboortedatum. De code begon vaak met het woord ‘ Thylon ’.
Aanknopingspunten voor deze dadergroep
Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een aangifte van [aangeefster 2] op 31 maart 2023. Zij werd gebeld door iemand die zich voorstelde als meneer [alias 1] van de fraudeafdeling van de Rabobank en zij ontving meerdere e-mails afkomstig van het e-mailadres [e-mailadres 1] , met daarin steeds een betaallink. In totaal heeft zij een bedrag van € 12.102,- overgeschreven naar het [rekeningnummer 1] op naam van Online Payments Foundation. Tussen 27 maart 2023 en 3 april 2023 (de “onderzoeksweek”) zijn nog dertien aangiftes gedaan waarin sprake was van een soortgelijke oplichting. Vaak werden bedragen in meerdere transacties overgeschreven, betrof het telkens een bedrag van € 2.500,40 en was sprake van twee of drie bellers waarbij voornamelijk de namen “ [alias 1] ” en “ [alias 2] ” werden genoemd en gebruik werd gemaakt van het gespoofte telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Soms was er een vrouw bij betrokken die zichzelf een enkele keer “ [alias 3] ” noemde.
Uit de geldstromen van Online Payments Foundation volgt dat in de onderzoeksweek een bedrag van € 230.950,- is doorgeboekt naar het [rekeningnummer 2] op naam van [medeverdachte 5] Dienstverlening. Aan dat rekeningnummer waren de persoonsgegevens van
[medeverdachte 5]gekoppeld met daarbij de e-mailadressen: [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] .
mailto:Deze e-mailadressen waren ook gekoppeld aan Marktplaatsadvertenties, waarmee betaallinks werden gecreëerd. Daarnaast is er door aangeefster [aangeefster 3] een rechtstreekse betaling gedaan op de rekening van [medeverdachte 5] Dienstverlening van € 17.469,-. Van het totaalbedrag van € 248.419,- werd in 32 betalingen een bedrag van € 185.610,- doorgeboekt naar het [rekeningnummer 3] op naam van
[medeverdachte 4]en 13 betalingen met een totaalbedrag van € 46.150,- doorgeboekt naar [rekeningnummer 4] op naam van [bedrijf 1] . Aan dit rekeningnummer zijn de persoonsgegevens van [medeverdachte 4] gekoppeld, met daarbij de e-mailadressen: [e-mailadres 4] en [e-mailadres 5] . Het e-mailadres [e-mailadres 4] dat aan [bedrijf 1] is gekoppeld, is gelinkt aan Marktplaatsadvertenties, waarmee betaallinks zijn gecreëerd. Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat aan dit e-mailadres is gekoppeld, blijkt te kunnen worden toegeschreven aan
[medeverdachte 3] .
Intussen was elders in het land een cybercrime-onderzoek opgestart genaamd Gamila. In dat onderzoek is [medeverdachte 3] als verdachte aangemerkt en zijn bij een doorzoeking in zijn woning 9 mobiele telefoons in beslag genomen, waaronder een iPhone13. Hierin stonden chatgesprekken met “ [alias 6] ” die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Tussen 14 februari 2022 en 11 mei 2022 worden er meerdere foto’s en screenshots gestuurd door “ [alias 6] ”, waarin bijvoorbeeld op de achtergrond een e-mail van “Rabobank” met daarin een vermoedelijke betaallink zichtbaar is. De e-mail komt qua opbouw overeen met de fraudemails die de aangevers ontvingen van [e-mailadres 1] . Uit gestuurde foto’s door “ [alias 6] ” van zichzelf leidt de politie af dat het telefoonnummer toebehoort aan
[medeverdachte 1] .
Op 24 maart 2023 is [aangeefster 1] (zaaknummer 102) opgelicht. Zij werd gebeld door ene mevrouw [alias 3] van de fraude-afdeling van de ING Bank. Deze alias was al in meerdere aangiftes naar voren gekomen, waarbij sprake was van eenzelfde modus operandi als hierboven omschreven. Van dat oplichtingsgesprek is een geluidsopname gemaakt. De politie heeft hierop de stem van “mevrouw [alias 3] ” herkend als de stem van
[verdachte] .[verdachte] was op dat moment de partner van [medeverdachte 1] . Ook de stem van [medeverdachte 1] wordt hierop herkend, terwijl hij zich voordoet als bankmedewerker onder de naam “ [alias 1] ”.
Op 16 september 2022 is aangeefster [aangeefster 4] opgelicht en op 12 april 2023 is [aangeefster 5] slachtoffer geworden van oplichting. In beide zaken zijn de aangevers gebeld door iemand die zich voordeed als een bankmedewerker met de naam “ [alias 4] ”. Hierbij is gebruik gemaakt van twee verschillende IMEI nummers, namelijk IMEI nummer [IMEI 1] (iPhone 7) en IMEI nummer [IMEI 2] (iPhone 11). Van beide IMEI nummers werd de telecommunicatie opgenomen om live oplichtingsgesprekken mee te kunnen luisteren en de gebruiker te kunnen lokaliseren. Voornoemde telefoons blijken in gebruik te zijn geweest bij
[medeverdachte 2].
Op 25 juli 2023 is met aangeefster [aangeefster 6] (zaaknummer 1) een oplichtingsgesprek gevoerd met genoemde iPhone 11, waarvan een geluidsopname is gemaakt. Zij werd gebeld door “ [alias 4] ”. Verbalisanten herkennen hierop de stem van [medeverdachte 2] in dat geluidsfragment.
Uit de bankafschriften van beide rekeningen van [medeverdachte 4] blijkt dat er meermalen overboekingen hebben plaatsgevonden naar Coinbase, buitenlandse rekeningen en naar diverse rekeningen in gebruik bij
[medeverdachte 6] .
[medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn op 1 augustus 2023 aangehouden. Daarbij zijn hun woningen doorzocht en zijn telefoons en laptops in beslag genomen en door de politie onderzocht. Sinds hun aanhouding is er geen enkele aangifte meer binnengekomen van bankhelpdeskfraude door medewerkers van banken met de namen [alias 1] , [alias 4] , [alias 2] en [alias 3] . Op een later moment zijn [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] aangehouden, waarbij ook gegevensdragers in beslag zijn genomen.
Op de in beslag genomen gegevensdragers zijn zaken aangetroffen die direct te relateren zijn aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. De bevindingen hiervan alsmede overige onderzoeksbevindingen (gebruikte telefoonnummers, e-mailadres, aliassen) zullen hierna worden besproken en dienen als vertrekpunt bij de beoordeling van het bewijs.
5.4.2.
Gebruikte telefoonnummers
Het nummer waarmee aangevers werden gebeld, betrof vaak een gespooft telefoonnummer.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] bij de bankhelpdeskfraude van onderstaande gespoofte telefoonnummers gebruik hebben gemaakt.
[medeverdachte 1]
Telefoonnummer
Genoemd in aangifte met zaaknummer
- [telefoonnummer 4]
- [telefoonnummer 5]
- [telefoonnummer 6]
- [telefoonnummer 7]
- [telefoonnummer 8]
- [telefoonnummer 9]
- [telefoonnummer 10]
- [telefoonnummer 1]
- [telefoonnummer 11]
- [telefoonnummer 12]
- [telefoonnummer 13]
- [telefoonnummer 14]
- [telefoonnummer 15]
- [telefoonnummer 16]
- [telefoonnummer 17]
- [telefoonnummer 18]
- [telefoonnummer 19]
- [telefoonnummer 20]
- [telefoonnummer 21]
- [telefoonnummer 22]
- [telefoonnummer 23]
- [telefoonnummer 24]
- [telefoonnummer 25]
- [telefoonnummer 26]
- [telefoonnummer 27]
- [telefoonnummer 28]
- [telefoonnummer 29]
- [telefoonnummer 30]
- [telefoonnummer 31]
- [telefoonnummer 32]
- [telefoonnummer 33]
- [telefoonnummer 34]
- [telefoonnummer 35]
- [telefoonnummer 36]
- [telefoonnummer 37]
- [telefoonnummer 38]
- [telefoonnummer 39]
2, 6, 10, 11, 17, 20, 32, 34, 43, 44, 47, 54, 56, 57, 59, 63, 66 en 67
21
34
34, 111 en 188
61
66
69 en 180
73, 76, 77, 80, 82, 84 en 85
77, 185, 186 en 190
81
88, 90 en 91
95, 107, 111, 118 en 119
99
100
104
112
129
129
129, 135 en 139
133, 148 en 150
141
142
145, 153, 154 en 155
161 en 169
188
188
189, 191, 194, 207 en 211
197
200
217
218 en 220
226
238
240, 241 en 243
261
275 en 277
276
[verdachte]
Telefoonnummer
Genoemd in aangifte met zaaknummer
- [telefoonnummer 4]
- [telefoonnummer 5]
- [telefoonnummer 7]
- [telefoonnummer 8]
- [telefoonnummer 10]
- [telefoonnummer 1]
- [telefoonnummer 12]
- [telefoonnummer 13]
- [telefoonnummer 14]
- [telefoonnummer 15]
- [telefoonnummer 17]
- [telefoonnummer 18]
- [telefoonnummer 24]
- [telefoonnummer 40]
- [telefoonnummer 22]
- [telefoonnummer 25]
- [telefoonnummer 34]
10, 11, 16, 17, 20, 22, 34, 38, 43, 54, 58, 59, 63, 67
21
34 en 111
61
69
70, 76, 77, 80, 82, 84 en 85
81
88, 91
95, 111, 118 en 188
99
104
112
142
144
148, 150 en 161
153 en 155
226
[medeverdachte 2]
Telefoonnummer
Genoemd in aangifte met zaaknummer
- [telefoonnummer 41]
- [telefoonnummer 8]
- [telefoonnummer 42]
- [telefoonnummer 35]
- [telefoonnummer 38]
- [telefoonnummer 39]
31
61
233
237
275
276
De gespoofte telefoonnummers komen terug in zaken waarin de aangevers met de aliassen [alias 1] , [alias 2] , mevrouw [alias 3] en/of de heer [alias 4] (of een variant daarop) hebben gesproken en/of e-mails hebben ontvangen afkomstig van één van de hierna te noemen e-mailadressen en/of een code beginnend met het woord ‘ Thylon ’ hebben doorgekregen.
In zaken waarin de aangevers zijn gebeld met het gespoofte telefoonnummer [telefoonnummer 4] en met een vrouwelijke bankmedewerker hebben gesproken maar geen alias hebben genoemd, gaat de rechtbank er vanuit dat de vrouwelijke bankmedewerker [verdachte] betreft. In een aantal zaken zijn immers met dit telefoonnummer gesprekken gevoerd door een vrouw die zich voorstelde als mevrouw [alias 3] . Zoals de rechtbank hierna zal overwegen, is deze alias uitsluitend door [verdachte] gebruikt.
5.4.3.
Gebruikte e-mailadressen
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] bij de bankhelpdeskfraude van onderstaande e-mailadressen gebruik hebben gemaakt.
[medeverdachte 1]
E-mailadres
Aangetroffen op/in
- [e-mailadres 1]
- [e-mailadres 6]
- [e-mailadres 7]
- [e-mailadres 8]
- [e-mailadres 9]
- [e-mailadres 10]
- [e-mailadres 11]
- [e-mailadres 12]
iPhone 14 Pro Max van [medeverdachte 1]
iPhone 14 Pro Max van [medeverdachte 1]
iPhone 14 Pro Max en laptop van [medeverdachte 1]
iPhone 14 Pro Max van [medeverdachte 1]
laptop Acer van [medeverdachte 1]
chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , p. 1749
[verdachte]
E-mailadres
Aangetroffen op/in
- [e-mailadres 1]
- [e-mailadres 7]
- [e-mailadres 6]
- [e-mailadres 10]
- [e-mailadres 11]
De eerste vier e-mailadressen zijn aangetroffen in het chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , p. 1749
[medeverdachte 2]
E-mailadres
Aangetroffen op/in
- [e-mailadres 13]
- [e-mailadres 14]
- [e-mailadres 15]
- [e-mailadres 16]
- [e-mailadres 17]
- [e-mailadres 8]
- [e-mailadres 1]
- [e-mailadres 18]
- [e-mailadres 19]
IMEI [IMEI 2]
IMEI [IMEI 2]
IMEI [IMEI 2]
en
IMEI [IMEI 1]
IMEI [IMEI 2]
IMEI [IMEI 1]
IMEI [IMEI 1]
IMEI [IMEI 1]
IMEI [IMEI 1]
IMEI [IMEI 1]
E-mailadressen waarop was ingelogd
Op de telefoons en laptops zijn chatgesprekken, belscripts, leads, notities met daarin namen van aangevers en e-mailadressen waarin de namen van ABN AMRO, ING en Rabobank zijn verwerkt, in combinatie met de term “fraudeafdeling”, aangetroffen.
De rechtbank gaat er vanuit dat de e-mailadressen die op die telefoons zijn aangetroffen en in de diverse aangiftes zijn genoemd bij die oplichtingsgesprekken zijn gebruikt. Uit afbeeldingen op de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] in die periode zelf met de e-mailadressen [e-mailadres 6] , [e-mailadres 7] , [e-mailadres 8] en [e-mailadres 20] was ingelogd. Ten aanzien van de e-mailadressen die zijn aangetroffen op de laptop van [medeverdachte 1] en in chatgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn genoemd, gaat de rechtbank er vanuit dat die ook door [verdachte] zijn gebruikt. De rechtbank wordt in die gedachte gesterkt doordat [verdachte] in een chatgesprek aan [medeverdachte 1] om inloggegevens heeft gevraagd en [medeverdachte 1] in reactie daarop de inloggegevens van de e-mailadressen [e-mailadres 9] , [e-mailadres 7] , [e-mailadres 6] en [e-mailadres 10] met haar heeft gedeeld.
E-mailadressen waarvan een afbeelding is aangetroffen op gegevensdragers
Van sommige e-mailadressen zijn enkel afbeeldingen aangetroffen en heeft de verdediging het verweer gevoerd dat dit niet direct betekent dat iemand dan ook daadwerkelijk van dat e-mailadres gebruik heeft gemaakt.
De rechtbank verwerpt dit verweer. In het licht van het voorgaande en in combinatie met de overige onderzoeksbevindingen kan de rechtbank het voorhanden hebben van een afbeelding van zo’n bankgerelateerd e-mailadres niet anders uitleggen dan dat daar ook daadwerkelijk gebruik van werd gemaakt in het kader van bankhelpdeskfraude door de verdachten. De rechtbank merkt daarbij op dat de betreffende e-mailadressen ook terugkomen in zaken waarin de aangevers hebben gesproken met bankmedewerkers die zich onder de aliassen uitgaven van [alias 1] , [alias 2] en/of mevrouw [alias 3] , aliassen die – zoals hieronder zal blijken – door [medeverdachte 1] en [verdachte] werden gebruikt. Een voorbeeld hiervan vormt het e-mailadres [e-mailadres 7] . Dit e-mailadres komt in negen zaken (zaken 35, 38, 51, 53, 55, 100, 107, 118 en 122) terug in combinatie met de door [medeverdachte 1] en/of [verdachte] gebruikte aliassen. Overigens is een plausibele andere verklaring over de reden waarom deze afbeeldingen op de gegevensdragers zijn aangetroffen uitgebleven.
Gelijkende e-mailadressen
De rechtbank gaat er vanuit dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ook gebruik hebben gemaakt van het
e-mailadres [e-mailadres 11] . Dit e-mailadres vertoont namelijk grote gelijkenissen met het e-mailadres [e-mailadres 7] dat op de telefoon en laptop van [medeverdachte 1] is aangetroffen. Het e-mailadres [e-mailadres 11] komt daarnaast voor in de aangiftes met zaaknummers 39, 40, 64, 65 en 67. De aangevers in die zaken verklaren te hebben gesproken met [alias 1] (of een variant daarop) (zaken 39, 64 en 65), [alias 2] (zaken 40 en 67) en/of mevrouw [alias 3] (zaken 64 en 67), aliassen waarvan de rechtbank hierna zal overwegen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hiervan gebruik maakten.
De rechtbank schrijft ook het e-mailadres [e-mailadres 12] aan [medeverdachte 1] toe. Dit e-mailadres wordt in de aangiftes met zaaknummers 32 en 33 genoemd. De beller stelde zich ook in die zaken voor als [alias 1] (zaak 32) respectievelijk [alias 2] (zaak 33). De aangever in zaak 33 heeft geld overgeboekt naar een rekening op naam van Larstal Limited. In zaak 34 is hier ook geld naartoe overgemaakt. In die laatste zaak ontving de aangever e-mails met betaallinks vanaf het e-mailadres [e-mailadres 7] , welk e-mailadres dus op de gegevensdragers van [medeverdachte 1] is aangetroffen.
Partiële vrijspraak
Te zien is dat bepaalde e-mailadressen door meerdere verdachten zijn gebruikt. Zoals bijvoorbeeld [e-mailadres 1] dat zowel op de iPhone van [medeverdachte 1] , als van [medeverdachte 2] is aangetroffen. De rechtbank zal daarom in de zaken waarin de aangevers hebben gesproken met een mannelijke beller maar geen alias hebben genoemd en e-mails hebben ontvangen vanaf één van de hierboven genoemde e-mailadressen die bij zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] voorkomen, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vrijspreken omdat zij niet kan vaststellen wie er in die zaken heeft gebeld.
5.4.4.
Gebruikte aliassen
Uit de aangiftes komen vier door de “bankmedewerkers” gebruikte aliassen naar voren, te weten [alias 1] , [alias 3] , [alias 2] en [alias 4] . De rechtbank koppelt deze aliassen aan de verdachten en licht dit toe.
Stemherkenning
In het dossier bevinden zich meerdere geluidsfragmenten. Ook zijn er van verschillende oplichtingsgesprekken geluidsopnames gemaakt. Zo is het gesprek van 20 maart 2023 met aangeefster [aangeefster 1] opgenomen. Zij werd gebeld door onder meer “ [alias 2] ” en “mevrouw [alias 3] ” van ING. Verbalisanten herkennen de stemmen van [medeverdachte 1] en [verdachte] ( [alias 3] ) in dat geluidsfragment. De stem van [medeverdachte 2] is door verbalisanten herkend tijdens het telefoongesprek met aangeefster [aangeefster 6] , waarin hij zich uitgaf als bankmedewerker [alias 4] .
Overig bewijs
-
T.a.v. [verdachte]
Ter zitting heeft [verdachte] verklaard gebruik te hebben gemaakt van de alias [alias 3] , in ieder geval in de zaak [aangeefster 1] .
In de telefoon van [verdachte] is een belscript voor een oplichtingsgesprek aangetroffen, waarin de naam “ [alias 3] ” wordt gebruikt in combinatie met de fraudeafdeling van Rabobank.
-
T.a.v. [medeverdachte 1]
In de telefoon van [medeverdachte 1] is een afbeelding aangetroffen waarop is te zien dat is ingelogd met het e-mailadres [e-mailadres 21] .
Voor wat betreft het gebruik van de alias “ [alias 2] ” door [medeverdachte 1] overweegt de rechtbank als volgt. In de zaak van aangever Veen (zaaknummer 24) heeft de aangever verklaard te zijn gebeld door [alias 2] , werkzaam bij ABN AMRO, waarna met zijn geld een bestelling bij Samsung is gedaan onder het e-mailadres [e-mailadres 22] . Dit e-mailadres is op de (MSI-)laptop van [medeverdachte 1] aangetroffen.
Voorts is bijvoorbeeld in de zaak [aangever 1] (zaaknummer 95) de aangever onder meer gebeld door [alias 2] , werkzaam bij Rabobank. De aangever kreeg een “terugvorderingsmail” van het e-mailadres [e-mailadres 1] , waarvan de tekst diezelfde dag door [medeverdachte 1] en [verdachte] was gestuurd, zo blijkt uit de telefoon van [verdachte] .
-
T.a.v. [medeverdachte 2]
De telefoon waarmee het hiervoor genoemde gesprek met [aangeefster 6] is gevoerd is bij [medeverdachte 2] aangetroffen.
Gelijkende aliassen
Ook in de gevallen waarin door een aangever niet de naam “ [alias 1] ”, maar bijvoorbeeld “ [alias 7] ”, “ [alias 8] ”, “ [alias 9] ”, “ [alias 10] ” of “ [alias 11] ”, dan wel een andere voornaam bij de achternaam “ [alias 1] ” is genoemd, is de rechtbank van oordeel dat ook in deze gevallen door [medeverdachte 1] is gebeld. Zij komt tot dit oordeel gezien de grote gelijkenissen in de gebruikte namen, mede in het licht van de aangetroffen data op de gegevensdragers in combinatie met de gehanteerde modus operandi. Ditzelfde geldt voor de alias “ [alias 12] ”, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat deze door [verdachte] is gebruikt.
Partiële vrijspraak
De rechtbank kan op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de alias “ [alias 2] ”
uitsluitenddoor [medeverdachte 1] is gebruikt. Aangeefster [aangeefster 1] (zaaknummer 102) heeft namelijk verklaard dat zij met zowel “ [alias 1] ” als met “ [alias 2] ” heeft gesproken en voor de rechtbank is onduidelijk of dit dezelfde persoon betreft. Ook is de alias een enkele keer door [verdachte] gebruikt. De rechtbank zal daarom enkel tot een bewezenverklaring komen indien er naast het noemen van de alias [alias 2] nog andere bewijsmiddelen in het dossier aanwezig zijn, waaruit betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de betreffende aangifte blijkt.
Conclusie:
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] gebruik heeft gemaakt van de aliassen [alias 1] en [alias 2] , dat [verdachte] zich heeft voorgedaan als [alias 3] en dat [medeverdachte 2] de alias [alias 4] heeft gebruikt (dan wel op genoemde aliassen gelijkende namen).
Bovendien zijn er na de aanhouding van deze verdachten geen aangiftes van oplichting meer in het politiesysteem voorgekomen waarbij door bellers de aliassen “ [alias 1] ”, “mevrouw [alias 3] ” of “ [alias 4] ” zijn gebruikt en is er geen enkele aanwijzing in het dossier dat een ander deze aliassen gebruikte.
5.4.5.
Verschillende rollen
De rechtbank stelt vast dat verdachten betrokken zijn geweest bij de ten laste gelegde oplichting en komt nu toe aan de bespreking van de wijze waarop en de mate waarin de verschillende verdachten betrokken zijn geweest bij de bankhelpdeskfraude. Die betrokkenheid blijkt uit het volgende.
[medeverdachte 1]
Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] zijn onder andere meerdere iPhones en laptops in beslag genomen. In de kelder was een soort “belcentrum” ingericht, waarin alle voorzieningen waren getroffen voor het plegen van bankhelpdeskfraude. Er stonden twee bureautafels, drie bureaustoelen, een PC met monitor, twee laptops, drie headsets, vier mobiele telefoons en er lagen meerdere simkaarten die nog in de verpakking zaten. Op de telefoons en de laptops van [medeverdachte 1] zijn zaken aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Hierbij valt te denken aan chatgesprekken met medeverdachten over aangevers, belscripts, leads en notities met persoonsgegevens en e-mailadressen van aangevers en daarbij de namen van ABN AMRO, ING en Rabobank en aanwijzingen dat van een spoof-programma gebruik werd gemaakt.
In een ander strafrechtelijk onderzoek Gamila is een iPhone 13 bij [medeverdachte 3] in beslag genomen. Hierin stonden chatgesprekken met “ [alias 6] ” die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Tussen 14 februari 2022 en 11 mei 2022 worden er meerdere foto’s en screenshots gestuurd door “ [alias 6] ”. Uit gestuurde foto’s door “ [alias 6] ” van zichzelf blijkt dat het telefoonnummer toebehoort aan [medeverdachte 1] . Uit deze chatgesprekken volgt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met elkaar bespraken welke bestellingen gedaan moesten worden met het weggenomen geld, dat over leads gesproken werd en dat [medeverdachte 3] degene was die dingen kon “fiksen”.
Uit de opgevraagde gegevens van Thuisbezorgd.nl volgt voorts dat medeverdachten, op dagen waarop oplichtingsgesprekken zijn gevoerd, eten bestelden op het adres van [medeverdachte 1] , alwaar het belcentrum was ingericht. De rechtbank wijst in dit verband bijvoorbeeld op de aangiftes van [aangeefster 8] en [aangeefster 9] , waarvan de rechtbank concludeert dat deze oplichtingsgesprekken zijn gevoerd door [medeverdachte 2] , onder de alias [alias 4] .
In veel gevallen werd aan de aangevers ook een code verstrekt beginnend met het woord ‘ Thylon ’. De aangevers werden verzocht om met die code naar het dichtstbijzijnde filiaal van de bank te gaan om het geld veilig te stellen. De code ‘ Thylon ’ komt vaak voor in combinatie met een door [medeverdachte 1] gebruikte alias. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [medeverdachte 1] als enige gebruik heeft gemaakt van deze code. Omdat de code ‘ Thylon ’ zo specifiek en kenmerkend is, gaat de rechtbank er ook vanuit dat [medeverdachte 1] zich als bankmedewerker heeft uitgegeven in die zaken waarin deze code is verstrekt en aangevers hebben gesproken met een mannelijke bankmedewerker, maar geen alias hebben genoemd.
De rechtbank concludeert, op basis van het voorgaande in samenhang bezien met de vaststellingen ten aanzien van de gebruikte e-mailadressen, telefoonnummers en aliassen, dan ook dat [medeverdachte 1] als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude, hetgeen nader is uitgewerkt in de bewijsmiddelen. Zijn rol bleef niet beperkt tot het louter voeren van oplichtingsgesprekken. Hij bemoeide zich ook actief met het voortraject (vergaren van leads) en het natraject (uitcashen). Hiervoor stond hij in nauw contact met meerdere medeverdachten, onder wie [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] .
[verdachte]
heeft ter zitting verklaard dat zij wel op enige manier betrokken is geweest bij deze bankhelpdeskfraude, maar zeker niet in alle tenlastegelegde gevallen. Ze heeft belgesprekken gevoerd en herkent haar eigen stem in het gesprek met [aangeefster 1] waarbij zij als alias “ [alias 3] ” heeft gebruikt. Dit gesprek heeft ze samen met [medeverdachte 1] gevoerd, met wie ze een relatie had en via wie ze hierbij betrokken is geraakt. Ze weet niet meer wanneer ze precies hiermee is begonnen en wil niet over anderen verklaren.
Op de telefoon van [verdachte] zijn meerdere zaken aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Hierbij valt te denken aan de grote hoeveelheid chatgesprekken met [medeverdachte 1] over aangevers en betaallinks, belscripts, leads en notities met persoonsgegevens en e-mailadressen van aangevers en daarbij de namen van ABN AMRO bank, ING en Rabobank. Uit de grote hoeveelheid aangetroffen chats blijkt dat [verdachte] nauw samenwerkte met [medeverdachte 1] , waarbij hij haar opdrachten gaf en ondersteunde als zij oplichtingsgesprekken voerde. Hieruit volgt dat [verdachte] door [medeverdachte 1] is opgeleid als beller en vervolgens als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude, waarbij zij een belscript hanteerde, gebruik maakte van leads en van specifiek voor oplichting gecreëerde e-mailadressen. Hierbij onderhield zij nauw contact met meerdere medeverdachten, en met name met [medeverdachte 1] , die op dat moment ook haar partner was. Tijdens het bellen maakte zij gebruik van een alias. Ook blijkt uit het dossier dat [verdachte] , zoals ten aanzien van de computervredebreuk zal worden overwogen, actief betrokken was bij het verwerven van nieuwe leads bij haar oude werkgever.
De rechtbank concludeert, op basis van het voorgaande in samenhang bezien met de vaststellingen ten aanzien van de gebruikte e-mailadressen, telefoonnummers en aliassen, dat [verdachte] - onder de alias [alias 3] - als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude, hetgeen nader is uitgewerkt in de bewijsmiddelen. Zij is “opgeleid” door [medeverdachte 1] , die haar aanstuurde bij het voeren van de oplichtingsgesprekken en met wie zij actief contact onderhield over (nieuwe) leads.
[medeverdachte 2]
In de woning van [medeverdachte 2] zijn onder meer twee telefoons aangetroffen, te weten een iPhone 7 (met IMEI nummer [IMEI 1] ) en een iPhone 11 (met IMEI nummer [IMEI 2] ). De rechtbank gaat er vanuit dat [medeverdachte 2] deze beide iPhones al in 2022 in gebruik had, gelet op onderstaande voorbeelden, waarbij de rechtbank er vanuit gaat dat wanneer [medeverdachte 1] en [verdachte] over “ [alias 13] ” spreken, hierbij [alias 13] wordt bedoeld, destijds een bekende van [medeverdachte 1] .
  • Op de iPhone11 van [medeverdachte 2] is een foto van het identiteitsbewijs van aangever [aangever 2] van 19 december 2022 20:36:02 uur aangetroffen. Deze aangever heeft verklaard dat zij op 19 december 2022 rond 20.30 uur is opgelicht. Zij was gebeld door een man en vrouw die zich voordeden als bankmedewerkers van ING.
  • Uit een op 20 december 2022 gevoerd chatgesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] onder de alias [alias 1] een oplichtingsgesprek voert en hij [medeverdachte 2] instructies geeft om dit gesprek aan hem door te verbinden.
  • In chatgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] wordt meerdere keren gesproken over [medeverdachte 2] ( [alias 13] ), waarbij het onder andere gaat over het voeren van oplichtingsgesprekken. Zo voeren [medeverdachte 1] en [verdachte] op 28 juni 2022 een chatgesprek over het meeluisteren met een oplichtingsgesprek. [verdachte] stuurt daarin: ‘
  • Op 5 juli 2022 probeert [verdachte] een belscript te maken maar [medeverdachte 1] vindt dat niet goed. Hij zegt tegen haar ‘
  • Op 16 september 2022 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] hoe het bij [alias 13] gaat. [medeverdachte 1] antwoordt daarop met ‘
  • Op 17 november 2022 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] ‘
Daarnaast blijkt uit de opgevraagde gegevens van Thuisbezorgd.nl dat [medeverdachte 2] , op dagen waarop oplichtingsgesprekken zijn gevoerd, eten bestelde op het adres van [medeverdachte 1] , alwaar het belcentrum was ingericht. De rechtbank wijst in dit verband bijvoorbeeld op de aangiftes van [aangeefster 8] en [aangeefster 9] , waarvan de rechtbank concludeert dat deze oplichtingsgesprekken zijn gevoerd door [medeverdachte 2] , onder de alias [alias 4] .
Op de iPhone 12 van [medeverdachte 2] zijn data aangetroffen die gerelateerd konden worden aan aangiftes van bankhelpdeskfraude waarin melding werd gemaakt van “ [alias 4] ”. Tevens blijkt uit deze telefoon dat gesprekken zijn gevoerd over leads, is een mapje met nieuwe leads (van Essent en Energiedirect) aangetroffen, is een afbeelding van een e-mail van “Rabobank Hoofdkantoor” aangetroffen en wordt gesproken (met [medeverdachte 3] onder de naam “ [alias 15] ”) over onder andere bestellingen bij MediaMarkt en Amazon.
De rechtbank concludeert, op basis van het voorgaande in samenhang bezien met de vaststellingen ten aanzien van de gebruikte e-mailadressen, telefoonnummers en aliassen, dat [medeverdachte 2] - onder de alias [alias 4] - als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude, hetgeen nader is uitgewerkt in de bewijsmiddelen. Ook zijn rol bestond niet louter uit het voeren van oplichtingsgesprekken, maar strekte zich ook uit tot het voortraject (onder andere het verkrijgen van leads) en het natraject (bijvoorbeeld het bestellen en/of het laten ophalen van pakketjes bij MediaMarkt en Amazon). Hij heeft daarbij e-mailberichten naar aangevers gestuurd door gebruikmaking van verschillende e-mailadressen van zogenaamde fraudeafdelingen van diverse banken. Hierbij onderhield hij - in periodes - nauw contact met meerdere medeverdachten, waaronder met name [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 3]
Op de iPhone 13 die in onderzoek Gamila in beslag is genomen zijn meerdere berichten, foto’s en screenshots aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Zo zijn er op de telefoon de gegevens van [persoon 2] aangetroffen. Op 28 december 2021 heeft slachtoffer [aangeefster 10] (zaak 297) geld overgemaakt naar een bankrekening op naam van [persoon 2] . Daarnaast blijkt uit de berichten met [persoon 3] , uit november 2021, dat [medeverdachte 3] zich als een regelaar/verbinder heeft gedragen en verschillende schakels in de keten van bankhelpdeskfraude heeft verzorgd.
Zoals hiervoor al is vastgesteld, waren aan het rekeningnummer van [medeverdachte 5] Dienstverlening twee e-mailadressen gekoppeld, te weten: [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] . Deze e-mailadressen zijn gebruikt voor Marktplaatsadvertenties waarmee betaallinks zijn gecreëerd. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 2] heeft zich geregistreerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 43] . Dat telefoonnummer komt terug in de telefoongegevens van [medeverdachte 6] , onder de naam ‘ [alias 16] ’. Van [alias 16] kreeg [medeverdachte 6] opdrachten om bestellingen bij MediaMarkt op te halen. Ook vroeg ’ [alias 16] ’ [medeverdachte 6] om zijn bankrekening ter beschikking te stellen, werden Marktplaats betaalverzoeken en betaallinks heen en weer gestuurd met een omschrijving: “annulering” en werd gevraagd om handelingen te doen op crypto.com of SwissBorg. Op basis van een audiogesprek dat is vergeleken met spraakberichten van [medeverdachte 3] is de rechtbank van oordeel dat [alias 16] [medeverdachte 3] betreft en daarmee de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op - [nummer] en het e-mailadres [e-mailadres 2] .
Voorts volgt uit het dossier dat [medeverdachte 3] - in ieder geval - op 1 april 2023 de pinpas van de zakelijke bankrekening van [medeverdachte 5] in zijn bezit had en daarmee geld heeft gepind.
In de iPhone 13 staan chatgesprekken met “ [alias 6] ”, van wie de rechtbank vaststelt dat dit [medeverdachte 1] betreft. Uit deze chatgesprekken volgt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met elkaar bespraken welke bestellingen gedaan moesten worden met het weggenomen geld, dat over leads gesproken werd en dat [medeverdachte 3] degene was die dingen kon “fiksen”. Dergelijke “fiks-gesprekken” volgen ook uit de aangetroffen chatgesprekken in de aangetroffen telefoon van [medeverdachte 2] .
De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 3] degene is geweest die [medeverdachte 5] heeft benaderd om zijn bankrekening ter beschikking te stellen, dat hij geld van die rekening heeft gepind en doorgesluisd, dat hij (“ [alias 16] ”) opdrachten aan [medeverdachte 6] heeft gegeven om pakketjes op te halen, dat hij ook anderen regelde om pakketjes op te halen, dat hij Marktplaatsaccounts heeft gegenereerd en betaallinks heeft gecreëerd, dat hij andere verdachten van leads heeft voorzien en dat hij (mede) heeft bepaald wat er werd besteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zijn rol kan worden geduid als “spin in het web” en dat deze daarmee van aanzienlijke en cruciale betekenis was.
[medeverdachte 4]
De rechtbank constateert op basis van het dossier dat [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij deze bankhelpdeskfraude.
[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is benaderd om zijn bankrekening ter beschikking te stellen en dat [medeverdachte 4] “ [alias 17] ” wordt genoemd. Dit volgt ook uit proces-verbaal nummer 75 waaruit blijkt dat ene “ [alias 18] ” gegevens in de app deelt, die rechtstreeks naar [medeverdachte 4] te herleiden zijn. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat “ [alias 18] ” en “ [alias 17] ” [medeverdachte 4] betreft.
Uit onder meer de chatgesprekken met [medeverdachte 6] , - en een geluidsfragment op de telefoon van [medeverdachte 6] - blijkt dat [medeverdachte 4] op meerdere data in rechtstreeks contact staat met [medeverdachte 6] en daarin opdrachten geeft, zoals:
  • “Zorg dat jullie klaarstaan (…) Blijf daar. Blijf Heerhugowaard. Tot ik je zag als je moet bewegen. We zijn daar nu op bezig. Heb je QR ontvangen? Je moet race (…) Die man wordt wantrouwig. Die vis. Zie die bestelling is opgehaald. Heerhugowaard staat ook op jouw naam. (…) Blijf appen met me” en
  • “Doe je kankercapuchon af en haal je foto weg. Er staat popo voor MediaMarkt”
  • “1 deze dagen lekkere doekoe. (…) Heb zelf ook gedaan. (…) Ik ging proefkonijn. (…) “Fiks allemaal mensen die willen”
  • “Pak 150 voor jezelf en geeft Turk 150. En bewaar de rest. (…) “Geef het door even aan [alias 16] ”
  • “Ik stuur jou met hun omdat ik je kan vertrouwen”
  • “Ik betaal jou wat hij hem geeft”
  • “100 K vandaag; gisteren 35 K”
In lijn met bovenstaande chats, blijkt uit de bankafschriften van beide BUNQ rekeningen van [medeverdachte 4] dat er in dezelfde periode ook daadwerkelijk betalingen worden verricht aan diverse rekeningen in gebruik bij [medeverdachte 6] .
Zoals eerder in dit vonnis al is overwogen zijn grote sommen geld van de rekening van [medeverdachte 5] Dienstverlening, waarop na het voeren van oplichtingsgesprekken geld van aangevers stond, doorgeboekt naar 2 BUNQ rekeningen van [medeverdachte 4] .
Verder blijkt uit de bankafschriften van beide rekeningen van [medeverdachte 4] dat er meermalen overboekingen hebben plaatsgevonden naar buitenlandse rekeningen op naam van [medeverdachte 4] . Hoewel [medeverdachte 4] de wetenschap van het bestaan van deze rekeningen ontkent, blijkt het tegendeel uit het dossier. In de telefoon van [medeverdachte 1] is een chatgesprek aangetroffen met [medeverdachte 3] , waarin reeds op 12 december 2022 een afbeelding is verstuurd van een e-mail, ondertekend door [medeverdachte 4] , waarin hij zelf vraagt om zijn salaris over te maken naar een buitenlandse rekening op zijn naam.
De rechtbank concludeert dan ook dat [medeverdachte 4] een aansturende en coördinerende rol heeft gehad. De rol van [medeverdachte 4] is daarom van groter gewicht dan die van [medeverdachte 5] , zoals de rechtbank hierna uiteen zal zetten.
[medeverdachte 5]
heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hem hadden gevraagd of zij geld op zijn rekening mochten storten. Ook werd afgesproken dat [medeverdachte 5] een percentage van dat geld zou krijgen. Hij heeft toen zijn bankpas en inloggegevens aan [medeverdachte 3] ter beschikking gesteld. [medeverdachte 5] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 4] “ [alias 17] ” wordt genoemd.
De rechtbank leidt uit de verklaring van [medeverdachte 5] af, dat hij in ieder geval tot op een zeker moment ook zelf nog toegang had tot zijn internet bankierenapp. Hij geeft immers aan dat hij de bedragen omhoog zag gaan en zelfs een bedrag van € 60.000,- heeft gezien. Ook is gebleken dat hij nadien nog met zijn eigen bankpas geld heeft gepind en dat er leefgeld op zijn rekening werd gestort.
Uit de geldstromen van Online Payments Foundation volgt dat een bedrag van € 230.950,- is doorgeboekt naar het [rekeningnummer 2] op naam van [medeverdachte 5] Dienstverlening. Aan dat rekeningnummer waren de persoonsgegevens van verdachte [medeverdachte 5] gekoppeld met daarbij de e-mailadressen: [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] . Daarnaast is er door aangeefster [aangeefster 3] een rechtstreekse betaling gedaan op de rekening van [medeverdachte 5] Dienstverlening van € 17.469,-. Van het totaalbedrag van € 248.419,- werd in 32 betalingen een bedrag van € 185.610,- doorgeboekt naar het [rekeningnummer 3] op naam van [medeverdachte 4] en 13 betalingen met een totaalbedrag van € 46.150,- doorgeboekt naar [rekeningnummer 4] op naam van [bedrijf 1] . De hiervoor genoemde e-mailadressen waren ook gekoppeld aan Marktplaatsadvertenties, waarmee betaallinks werden gecreëerd, die werden gebruikt bij de bankhelpdeskfraude.
De rechtbank concludeert dat de rol van [medeverdachte 5] beperkt is gebleven tot het ter beschikking stellen van zijn bankrekening aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Hij kon zien wat voor geldbedragen er op de bankrekening werden gestort en waar die geldbedragen vandaan kwamen.
[medeverdachte 6]
heeft verklaard dat hij pakketjes heeft opgehaald bij MediaMarkt in opdracht van anderen en dat hij deze vervolgens heeft afgestaan. Hij heeft voor ieder opgehaald pakketje € 150,- gekregen. Hij is in ieder geval bij MediaMarkt in Heerhugowaard, bij MediaMarkt in Leeuwarden en, samen met [persoon 4] , bij MediaMarkt in Utrecht geweest. De pakketjes konden alleen worden opgehaald als zijn naam erop stond. Hij moest zich namelijk telkens legitimeren. Hij heeft verklaard dat hij niet wist dat de pakketjes met geld afkomstig van oplichting waren betaald.
Van het door Online Payments Foundation via [medeverdachte 5] naar [medeverdachte 4] doorgestorte geld is uiteindelijk vanaf zowel de privé bankrekening als van de zakelijke bankrekening van [medeverdachte 4] geld op de rekening van [medeverdachte 6] gestort. Uit de chatgesprekken met “ [alias 18] ” ( [medeverdachte 4] ) en “ [alias 16] ” ( [medeverdachte 3] ) die zijn aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 6] volgt dat hij van hen opdrachten kreeg om bestellingen bij verschillende vestigingen van de MediaMarkt op te halen, adressen te fiksen en een betaalrekening te openen. Tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] werden Marktplaats betaalverzoeken en betaallinks heen en weer gestuurd met een omschrijving: “annulering”, en er werd gevraagd om handelingen te doen op crypto.com of SwissBorg.
De rechtbank concludeert dat deze rol als “ophaler van pakketten” en daarmee, ten opzichte van de andere verdachten, als een kleinere rol kan worden geduid.
5.4.6.
Gebruik schakelbewijs
Juridisch kader schakelbewijs
In de gevallen waarin de verklaringen van aangevers niet voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, rijst de vraag of de bewezenverklaring voor die feiten op voldoende grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen onder omstandigheden als steunbewijs is toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit, zoals een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte (ook wel aangeduid als modus operandi). Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen de feiten hebben plaatsgevonden, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, het handelen van de verdachte en de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als een feit afzonderlijk - dus los van de schakelbewijsconstructie - niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De rechtbank is van oordeel dat - anders dan door de verdediging bepleit - sprake is van een zodanig herkenbare, specifieke en op essentiële onderdelen overeenkomende werkwijze, dat gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs. De rechtbank zal daartoe dan ook in enkele gevallen bij de bewezenverklaring overgaan, zoals volgt uit de bewijsmiddelen.
5.4.7.
Medeplegen oplichting
5.4.7.1.
Het juridisch kader
Naar vaste jurisprudentie kan de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende verdachten. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
5.4.7.2.
Het oordeel van de rechtbank
Bij deze vorm van oplichting gaat de rechtbank er vanuit dat er een zekere vorm van organisatie noodzakelijk is, waarbij verschillende mensen betrokken zijn en eenieder een bepaalde rol vervult. De in het kader van deze oplichting te verrichten handelingen duiden op een gezamenlijk en vooropgezet plan. Het kopen van leads, het regelen van bankpassen en bankrekeningen om het geld weg te kunnen sluizen, het aanmaken van
e-mailadressen en betaallinks, het spoofen van telefoonnummers, het bellen met de aangevers, het met elkaar doorverbinden, het versturen van WhatsApp-berichten en
e-mails met daarin betaallinks en afspraakbevestigingen naar de aangevers, het plaatsen van bestellingen bij webshops, het klaar hebben staan van mensen die de bestelde pakketjes gaan ophalen en het contant opnemen van geld, zijn allemaal handelingen die een nauwgezette planning en afstemming vereisen. Vanaf het moment dat er contact wordt gelegd met de aangevers, is snelheid geboden. De hiervoor genoemde handelingen moeten immers worden verricht voordat de frauduleuze overboekingen en geldopnames met de bankpassen worden ontdekt, de betreffende geldbedragen kunnen worden teruggestort en/of de betreffende bankrekeningen kunnen worden geblokkeerd.
In de gehele keten van voornoemde handelingen, was het uiteindelijke doel om geld van de aangevers weg te nemen. Deze handelingen, die noodzakelijk zijn voor een geslaagde bankhelpdeskfraude, hangen in een zeer nauw, chronologisch verband samen. Deze werkwijze vergt een goed geplande en doordachte samenwerking, waarbij de betrokken verdachten, ieder in zijn of haar eigen rol, afhankelijk zijn van elkaar.
Uit de hiervoor beschreven rol die [verdachte] in het geheel van deze keten vervulde, volgt dat haar aandeel als medeplegen van oplichting moet worden beschouwd. Samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] heeft [verdachte] zich, gedurende een langere periode, op wisselende momenten en deels in wisselende samenstellingen, schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting.
Voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] komt de rechtbank tot een andere conclusie. De rol van [medeverdachte 5] is beperkt gebleven tot het ter beschikking stellen van zijn bankrekening. De rol van [medeverdachte 6] is beperkt gebleven tot het ophalen van pakketjes. Hoewel de handelingen op zich een essentiële schakel zijn in de keten, is de bijdrage van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] in dit geval, in zowel materiële als intellectuele zin, van onvoldoende gewicht geweest om hen te kunnen aanmerken als medepleger van oplichting.
In de gevallen waarin het geld is overgemaakt naar een betaalplatform zoals Online Payments Foundation of Pay.nl maar uiteindelijk is teruggestort, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen van oplichting. De aangevers zijn in dat geval immers al bewogen tot het overmaken van geld naar een ander. Dat geldt ook voor de gevallen waarin er een bestelling is geplaatst bij een webshop maar de bestelling (nog) niet is opgehaald.
De rechtbank gaat in zaken waarin de bank zelf de overboeking heeft tegengehouden er vanuit dat er geen sprake is van een voltooid delict. Zij zal verdachte daarom van die zaken vrijspreken.
5.4.8.
Vrijspraken
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de volgende zaak het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat [verdachte] daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken:
 zaak 13.
De rechtbank zal [verdachte] in de volgende zaken eveneens vrijspreken, omdat er ofwel geen sprake is van een voltooid delict (poging), ofwel bepaalde aangiftes niet voor het bewijs worden gebruikt (zie paragraaf 4.3.2.). Dit betekent dat [verdachte] zal worden vrijgesproken in de volgende zaken:
  • zaak 4;
  • zaak 37;
  • zaak 41;
  • zaak 42;
  • zaak 46;
  • zaak 52;
  • zaak 62;
  • zaak 72;
  • zaak 89;
  • zaak 90;
  • zaak 101;
  • zaak 110;
  • zaak 137;
  • zaak 149;
  • zaak 151;
  • zaak 168;
  • zaak 171;
  • zaak 188;
  • zaak 209;
  • zaak 219;
  • zaak 220;
  • zaak 258.
5.4.9.
Bewezenverklaringen
De rechtbank komt in de overige zaken tot een bewezenverklaring, ook in de zaken waarin door een ander dan het slachtoffer aangifte is gedaan en per abuis de naam van de aangever in de tenlastelegging is opgenomen. Uit de aangifte en de stukken blijkt voldoende duidelijk van wiens rekening geld is weggenomen.
5.5.
Medeplegen misbruik van identificerende gegevens feit 3
5.5.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] misbruik heeft gemaakt van identificerende gegevens van een ander door gebruik te maken van de aliassen “ [alias 1] ”, “ [alias 2] ”, “mevrouw [alias 3] ” en “ [alias 4] ”.
5.5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak van het ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de namen “ [alias 4] ”, “ [alias 7] ” en “ [alias 2] ” heeft gebruikt. Ook is het gebruik van de naam “mevrouw [alias 3] ” niet strafbaar in de zin van artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
5.5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 231b Sr is strafbaar degene die opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruikt met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan. Dit wetsartikel is ingevoerd om identiteitsfraude tegen te gaan, waarvan de mensen wiens identiteit wordt “gestolen” de dupe kunnen worden. Het moet dan gaan om personen die daadwerkelijk bestaan, niet om fictieve personen. Vast is komen te staan dat verdachte de alias “mevrouw [alias 3] ” heeft gebruikt en dat haar medeverdachten de aliassen “ [alias 1] ”, “ [alias 2] ” en “ [alias 4] ” hebben gebruikt. Echter, niet is gebleken dat deze personen daadwerkelijk bestaan dan wel dat enig nadeel kon ontstaan door het gebruik van de aliassen door [verdachte] en haar medeverdachten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.
5.6.
Voorhanden hebben/overdragen van leads feit 4
5.6.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte leads voorhanden heeft gehad, die zijn gebruikt voor het plegen van oplichtingen.
5.6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte leads voorhanden heeft gehad. Subsidiair wordt vrijspraak bepleit voor het subsidiair ten laste gelegde feit, omdat niet is gebleken dat verdachte de gegevens heeft verworven of voorhanden heeft gehad.
5.6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Uit het dossier volgt dat er door verdachte en de medeverdachten veel werd gesproken over leads. In een chatgesprek met [medeverdachte 1] op 25 juni 2022 stuurt verdachte dat ze weer wil gaan werken bij [bedrijf 2] en dan [medeverdachte 1] wat lijstjes kan geven. De dag erna heeft zij daadwerkelijk bij [bedrijf 2] ingelogd en stuurt ze naar [medeverdachte 1] een printscreen waarop de gegevens van een klant van [bedrijf 2] zichtbaar zijn en schrijft zij dat er heel veel gegevens beschikbaar zijn en ze mooi voor een autootje kan sparen. Ook op 13 en 14 juni 2023 stuurt verdachte een printscreen van leads en vraagt [medeverdachte 1] haar of de leads op zijn. Verdachte bevestigt dit en geeft aan dat zij nieuwe in de telefoon zal zetten. Daarnaast stuurt [medeverdachte 1] op 30 maart 2023 de persoons- en bankgegevens van [aangeefster 11] naar verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is hieruit onmiskenbaar af te leiden dat verdachte leads voorhanden heeft gehad. Bovendien blijkt uit de bewezenverklaring van het medeplegen van de oplichting dat het voorhanden hebben van deze leads geen ander doel heeft gediend dan het oplichten van mensen en zijn de oplichtingen in deze zaak ook met behulp van leads gepleegd.
5.7.
Medeplegen van computervredebreuk feit 5
5.7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] computervredebreuk bij [bedrijf 2] heeft gepleegd.
5.7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] heeft ingelogd of een bijdrage heeft geleverd aan het inloggen in de systemen van [bedrijf 2] door een ander in de ten laste gelegde periode.
5.7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Weliswaar hebben [bedrijf 2] en de politie niet kunnen vaststellen dat computervredebreuk kon plaatsvinden, maar uit de chatgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat dit wel is gelukt. Zo stuurde verdachte op 26 juni 2022 een printscreen met daarop de gegevens van een klant van [bedrijf 2] , vertelde zij dat er veel gegevens beschikbaar zijn en zij voor een autootje kon sparen. Op 1 juli stuurde [medeverdachte 1] naar verdachte een screenshot van de inlogpagina van [bedrijf 2] , waarop verdachte haar inloggegevens stuurde en [medeverdachte 1] uitlegde wat hij moest doen. Daarop stuurde [medeverdachte 1] vervolgens een screenshot waaruit blijkt dat hij was ingelogd. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] door middel van een valse sleutel computervredebreuk heeft gepleegd.
In de aangifte van [aangever 3] namens [bedrijf 2] (vanaf pagina 2066 in het dossier) is de datum “1 januari 2022” opgenomen. Gelet op de bevindingen in het dossier overweegt de rechtbank dat deze datum als een schrijffout moet worden beschouwd. Niet alleen blijkt uit de inhoud van de aangifte dat die ziet op data gelegen ná 1 januari 2022, maar ook blijkt uit de chatgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1] overduidelijk dat het gaat om medio 2022. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] in 2022 niet meer werkzaam was bij [bedrijf 2]
5.8.
Deelneming aan een criminele organisatie feit 2
5.8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben een crimineel samenwerkingsverband gevormd.
5.8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde feit, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
5.8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr Pro kan slechts dan sprake zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het samenwerkingsverband dient te bestaan uit twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet is vereist dat deelnemers met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen.
Zoals hiervoor is overwogen, is een aanzienlijke mate van organisatie en samenwerking inherent aan het plegen van bankhelpdeskfraude. De voor de keten noodzakelijke handelingen werden door verschillende verdachten verricht, die in contact met elkaar stonden, ieder om hun eigen rol bij de bankhelpdeskfraude te kunnen uitvoeren voor het gezamenlijke doel: in korte tijd zoveel mogelijk geld van de bankrekeningen van de aangevers halen. Vervolgens werd ‘de opbrengst’ verdeeld onder de verdachten.
Uit het dossier blijkt dat gedurende ruim anderhalf jaar vele bankhelpdeskfraudes met de hiervoor beschreven modus operandi zijn gepleegd en dat daarbij veelal dezelfde personen, te weten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , op wisselende momenten en in deels wisselende samenstelling, betrokken waren.
Binnen het samenwerkingsverband waren verschillende activiteiten te onderscheiden, zoals het kopen van leads, het regelen van bankpassen en bankrekeningen, het aanmaken van e-mailadressen en betaallinks, het bellen van de aangevers, het versturen van e-mails met betaallinks en afspraakbevestigingen naar de aangevers, het doorsluizen van het geld, het bestellen van goederen en het ophalen van die goederen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat ieder zijn eigen rol had binnen de organisatie. Daarom hadden zij elkaar ook nodig en voerden zij - zo blijkt uit chatgesprekken - regelmatig overleg, onder meer over (het veranderen van) de werkwijze, waar de goederen besteld en opgehaald moesten worden en het regelen van nieuwe leads. Ze gebruikten veelvuldig dezelfde e-mailadressen en gespoofte telefoonnummers. Leads werden onderling met elkaar gedeeld.
Uit voornoemde handelwijze blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid, dat tot oogmerk had om bankhelpdeskfraude te plegen. Dat sprake was van zo’n samenwerkingsverband, vindt steun in een chat van [medeverdachte 3] : ‘
Ik heb een organisatie die abn ophaaalt. 10k altijd gegarandeerd. Alleen ze betalen 33 p uit’en ‘
Broer, die bestelling is kanker heet. Bij reclassering hebben ze gezegd: we weten dat je dit en dat hebt gedaan. Maarja squid games, we hebben genoeg spelers. [persoon 5] . Hij kan geofferd worden. Geen probleem’. Vanaf januari 2022 werden er bijna dagelijks/wekelijks aangiftes gedaan van bankhelpdeskfraude gepleegd door [alias 1] , [alias 2] , mevrouw [alias 3] en de heer [alias 4] . In totaal werden er 306 aangiftes gevonden. De aangiftes zijn gestopt na hun aanhouding.
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] kan worden aangemerkt als een deelnemer van voornoemde organisatie. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [verdachte] de aangevers gebeld. Daarnaast heeft zij leads voorhanden gehad en ingelogd op haar oude werkaccount om toegang te krijgen tot gegevens van potentiële slachtoffers. Met deze gedragingen heeft [verdachte] een substantieel aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
PleegperiodeUit een chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 10 augustus 2022 over lijsten met persoonsgegevens hebben beschikt en de personen op die lijsten één voor één hebben gebeld. De rechtbank hanteert deze datum als startdatum voor de pleegperiode en zal bewezen verklaren dat [verdachte] in de periode van 10 augustus 2022 tot en met haar aanhouding op 1 augustus 2023 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.
5.9.
Samenloop
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van eendaadse samenloop, maar van meerdaadse samenloop en overweegt daarover als volgt.
Van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr is sprake indien de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt. De rechtbank is van oordeel dat de strekking van de strafbepalingen in dit geval te veel uiteenloopt om van eendaadse samenloop te kunnen spreken, omdat in de toepasselijke artikelen telkens verschillende belangen worden beschermd. Bovendien is sprake van een feitencomplex, waarbij de verschillende handelingen juist achtereenvolgens plaatsvinden en niet steeds op exact dezelfde wijze, laat staan op dezelfde plaats. De rechtbank heeft immers in het voorgaande vastgesteld dat verdachte niet telkens op dezelfde plek als de medeverdachten was. Aan verdachte wordt dus niet in wezen één verwijt gemaakt, zodat geen sprake kan zijn van een eendaadse samenloop.
5.10.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. medeplegen oplichting
in de periode
28 september 2022tot en met 11 juli 2023 in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de volgende personen
inde tabel heeft bewogen tot afgifte van:
Datum
Aangever
Schadebedrag
Paginanummer
3
11-7-2023
[aangever 4]
€ 3.524,00
2086
7
21-6-2023
[aangever 5]
€ 9.637,90
2100
8
6-7-2023
[aangever 6]
€ 2.575,99
2104
10
30-6-2023
[aangever 7]
€ 7.438,80
2111
11
29-6-2023
[aangever 8]
€ 482,40
2114
15
27-6-2023
[aangever 9]
€ 1.884,95
2126
16
27-6-2023
[aangever 10]
€ 7.506,20
2129
17
27-6-2023
[aangever 11]
€ 1.350,20
2131
20
26-6-2023
[aangever 12]
€ 2.541,25
2140
21
22-6-2023
[aangever 13]
€ 1.448,97
2143
22
22-6-2023
[aangever 14]
€ 2.336,20
2146
34
8-6-2023
[aangever 15]
€ 1.453,00
2189
36
7-6-2023
[aangever 16]
€ 2.901,00
2195
38
5-6-2023
[aangever 17]
€ 1.738,99
2204
40
1-6-2023
[aangever 18]
€ 3.356,00
2210
43
18-5-2023
[aangever 19]
€ 3.092,11
2219
51
15-5-2023
[aangever 20]
€ 4.978,00
2242
54
11-5-2023
[aangever 21]
€ 900,00
2256
55
12-5-2023
[aangever 22]
€ 791,00
2260
56
8-5-2023
[aangever 23]
€ 2.798,00
2264
58
4-5-2023
[aangever 24]
€ 6.941,00
2273
59
3-5-2023
[aangever 25]
€ 4.715,40
2279
61
1-5-2023
[aangever 26]
€ 3.067,95
2285
63
1-5-2023
[aangever 27]
€ 4.845,00
2292
64
20-4-2023
[aangever 28]
€ 22.957,22
2298
67
19-4-2023
[aangever 29]
€ 7.462,89
2309
69
11-4-2023
[aangever 30]
€ 1.472,34
2316
75
3-4-2023
[aangeefster 3]
€ 36.172,20
2340
76
2-4-2023
[aangever 31]
€ 2.500,40
2343
77
2-4-2023
[aangever 32]
€ 12.202,00
2346
78
1-4-2023
[aangever 33]
€ 15.002,40
2349
79
31-3-2023
[aangeefster 2]
€ 12.102,00
2353
80
31-3-2023
[aangever 34]
€ 20.353,60
2356
81
31-3-2023
[aangever 35]
€ 2.300,40
2362
82
30-3-2023
[aangeefster 12]
€ 19.403,20
2365
83
30-3-2023
[aangever 36]
€ 7.301,20
2369
84
30-3-2023
[aangever 37]
€ 7.301,20
2375
85
30-3-2023
[aangever 38]
ongeveer€ 45.000,00
2378
86
30-3-2023
[aangever 39]
€ 7.501,20
2382
87
28-3-2023
[aangever 40]
€ 2.500,40
2385
88
27-3-2023
[aangever 41]
€ 4.647,40
2387
91
27-3-2023
[aangever 42]
€ 1.398,00
2396
92
27-3-2023
[aangever 43]
€ 2.500,40
2402
95
22-3-2023
[aangever 1]
€ 4.472,00
2412
97
21-3-2023
[aangever 44]
€ 7.238,64
2418
99
20-3-2023
[aangever 45]
€ 3.968,00
2425
102
20-3-2023
[aangeefster 1]
€ 1.328,00
2438
103
17-3-2023
[aangever 46]
€ 12.243,00
2440
104
17-3-2023
[aangever 47]
€ 4.198,00
2444
111
14-3-2023
[aangever 48]
€ 7.454,00
2467
118
8-3-2023
[aangever 49]
€ 4.974,00
2491
122
6-3-2023
[aangever 50]
€ 3.000,00
2507
131
27-2-2023
[aangever 51]
€ 1.908,99
2539
142
20-2-2023
[aangever 52]
€ 5.791,98
2571
144
10-2-2023
[aangever 53]
€ 1.966,97
2577
148
7-2-2023
[aangever 54]
€ 1.958,00
2768
150
6-2-2023
[aangever 55]
€ 5.878,88
2594
153
2-2-2023
[aangever 56]
€ 1.178,00
2603
155
31-1-2023
[aangever 57]
€ 9.740,98
2611
157
27-1-2023
[aangever 58]
€ 1.930,00
2618
203
18-11-2022
[aangever 59]
€ 4.900,00
2778
208
15-11-2022
[aangever 60]
€ 2.100,00
279
3
226
7-10-2022
[aangever 61]
€ 2.920,00
2846
235
28-9-2022
[aangever 62]
€ 2.960,00
2886
236
28-9-2022
[aangever 63]
€ 2.930,00
2890
en/of de (digitale) gegevens van de (internet)bankrekening(en) en/of inloggegevens van deze bankrekening(en), door zich (telkens) via de telefoon uit te geven als bonafide bankmedewerker en (hierbij) door bedrieglijk en in strijd met de waarheid te zeggen/berichten dat -zakelijk weergegeven-
- er fraude en/of verdachte transacties plaatsvonden op de bankrekeningen van voornoemde personen en/of er geld van de bankrekeningen van voornoemde personen is/wordt gepind
en/of
- de bankrekening en/of het geld van voornoemde personen geblokkeerd en/of verzekerd en/of veiliggesteld moet
(en)worden
en/of
- ( het hoofdkantoor van) de Rabobank
en/ofABN AMRO Bank
en/ofING bank e-mails en/of een whatsappbericht naar voornoemde personen stuurt waarin een link staat en dat deze e-mails moeten worden geopend en/of voornoemde personen zijn/haar bankapplicatie dienen te openen
en/of
- voornoemde personen moeten inloggen op de internetbankierenaccount(s) waartoe zij toegang hadden en het geld van de spaarrekening over moeten boeken naar de betaalrekening zodat het geld veilig gesteld wordt en/of
- voornoemde personen de link moeten aanklikken en betalingen moeten bevestigen (met de random reader) zodat het geld veilig gesteld wordt,
waardoor bovengenoemde personen (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;
2 deelname criminele organisatie
in de periode
10 augustus 2022tot en met 1 augustus 2023 in Nederland en/of Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
[medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en/of onbekend gebleven anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van de misdrijven:
- oplichting (artikel 326 Wetboek Pro van Strafrecht),
- computervredebreuk (artikel 138ab Wetboek van Strafrecht),
- opzetwitwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht),
- voorbereidingshandelingen (artikel 234 Wetboek Pro van Strafrecht),
- diefstal door middel van een valse sleutel (artikel 311 Wetboek Pro van Strafrecht);
4 voorhanden hebben/overdragen leads
primair
in of omstreeks de periode 26 juni 2022 tot en met 13 juni 2023 in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), gegevens, te weten
persoonsgegevens en/of adresgegevens en/of telefoonnummers en/of bankrekeningnummers en/of e-mailadressen, namelijk data van natuurlijke personen en/of rechtspersonen (zie pagina’s 1691, 1709, 1713, 1734, 1736 en 1739)
heeft ontvangen
en/ofheeft overgedragen
en/ofheeft verspreid,
waarvan zij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van een misdrij
fomschreven in artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht terwijl dit feit betrekking had op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument;
5 Computervredebreuk
omstreeks de periode 26 juni 2022 tot en met 1 juli 2022 in Nederland en/of Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), tezamen en in vereniging met
eenander opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd wer
k, te weten een of meerdere servers toebehorende aan [bedrijf 2] , waarop het (oude) werkaccount van verdachte [verdachte] van voornoemde [bedrijf 2] . bereikbaar is,
is binnengedrongen
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel
door in te loggen in het bedrijfssysteem van voornoemde [bedrijf 2] middels de oude gebruikersnaam en het wachtwoord van verdachte [verdachte] , terwijl zij daar niet meer werkzaam was,
en (vervolgens) toegang verschaft tot gegevens die waren opgeslagen en/of verwerkt en/of overgedragen door middel van (delen van) dat geautomatiseerde werk waarin
zij zich wederrechtelijk bevond,
waaronder vertrouwelijke en/of gevoelige informatie (naam, adresgegevens, telefoonnummers, e-mailadressen en bankrekeninggegevens van klanten).
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van het voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft, al ruim twee jaar in een schorsingstoezicht loopt en de afgelopen periode haar leven heeft opgebouwd en stabiel heeft gekregen. Gelet hierop en op het feit dat de redelijke termijn is overschreden, acht de verdediging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het reeds ondergane voorarrest niet passend. Verzocht wordt te volstaan met een forse taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van een jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan grootschalige bankhelpdeskfraude. In totaal zijn er in dit onderzoek zeer veel slachtoffers gemaakt. Verdachte is bij de oplichting van 65 slachtoffers als medepleger betrokken geweest. Verdachte heeft hierbij deelgenomen aan een criminele organisatie met in de kern als doel het op bedrieglijke wijze afhandig maken van grote sommen geld van veelal kwetsbare slachtoffers. Verdachte heeft leads met daarop de NAW- en bankgegevens van potentiële slachtoffers van oplichting voorhanden gehad en heeft samen met [medeverdachte 1] computervredebreuk gepleegd bij haar oude werkgever.
Binnen deze bankhelpdeskfraude zijn de slachtoffers op een systematische en haast professionele wijze benaderd en is hen geld afhandig gemaakt. Ieder had daarbij een eigen rol; er waren bellers, personen die hun bankrekeningen ter beschikking stelden, personen die pakketten moesten ophalen en personen die een meer coördinerende rol hadden. De bellers deden zich voor als bankmedewerker en hebben langdurig met slachtoffers aan de telefoon gezeten. Om het vertrouwen van de slachtoffers te winnen, werden zij doorverbonden met een mededader, was het telefoonnummer waarmee werd gebeld verhuld en waren er speciale e-mailadressen aangemaakt.
In deze zaak is schrijnend om te zien dat de slachtoffers specifiek zijn uitgezocht op grond van hun hoge leeftijd. Zo is in één van de chatgesprekken te lezen: “Heb nieuwe leads. Die zijn 1930. Steen oud, die doen alles”. Zoals uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt, is het vertrouwen van de slachtoffers in de maatschappij ernstig geschaad en zijn zij in hun zelfstandigheid aangetast. In veel gevallen is hun spaargeld uitgegeven aan een luxe levensstijl (dure merkkleding, reizen naar het buitenland, Rolexen etcetera) die door de verdachten werd nagestreefd. Ook voelden de slachtoffers zich vernederd, beschaamd, wantrouwend en hebben zij vele slapeloze nachten gehad.
Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de verdachten hun handelen als hun dagelijkse werk zagen, waarbij sprake was van een zekere mate van professionaliteit. Dit blijkt alleen al uit het aangetroffen belcentrum. Dat de rechtbank het handelen van de verdachte verwerpelijk vindt, is dan ook evident.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 29 september 2025,
waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 7 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten met schulden kampte en in een ongezonde relatie met [medeverdachte 1] zat, waarin zij werd meegetrokken in ongewenst gedrag. Verdachte heeft haar leven inmiddels (weer) op de rit. Zij heeft huisvesting, werkt in loondienst en ontvangt inkomen. Zij heeft de relatie met [medeverdachte 1] beëindigd en al het contact verbroken. Verdachte kampt nog wel altijd met schulden, maar zij heeft hier inmiddels zelfstandig een afbetalingsregeling voor getroffen. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Verdachte is sinds de bewezenverklaarde feiten niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen. Omdat interventies en toezicht niet nodig worden geacht, wordt geadviseerd aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafoplegging
Deze feiten moeten naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een maatschappelijke plaag waartegen hard moet worden opgetreden. Bij de strafbepaling houdt de rechtbank rekening met de grote hoeveelheid slachtoffers die zij heeft opgelicht. Gelet op de aard en ernst van de feiten acht de rechtbank enkel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging verzocht, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond
met een eindvonnis binnen vierentwintig maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is
behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden die zijn gelegen in het aantal verdachten, de omvang van het politiedossier en het groot aantal aangiftes. Het onderzoek Lawrencium betreft een zevental verdachten en heeft betrekking op grootschalige bankhelpdeskfraude, waarbij ruim 300 aangiftes zijn onderzocht. Aan sommige verdachten is ook deelname aan een criminele organisatie, het voorhanden hebben van leads, het misbruiken van identificerende gegevens en computervredebreuk ten laste gelegd. De processen-verbaal van politie omvatten duizenden pagina’s en er zijn vele vorderingen – al dan niet door tussenkomst van de bank – ingediend van slachtoffers die schadeloos gesteld willen worden. Gelet op de verwevenheid van de verschillende dossiers was gelijktijdige behandeling daarvan onontkoombaar. Het groot aantal procespartijen heeft er mede toe bijgedragen dat het afstemmen van de agenda’s ten behoeve van het plannen van de inhoudelijke behandeling, langer heeft geduurd dan gebruikelijk, zonder dat daarvan overigens aan procespartijen een verwijt kan worden gemaakt.
De verdenking tegen verdachten is ontstaan als resultaat van het koppelen van aangiftes aan diverse gebruikte aliassen en aan onder andere onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers, zoals telefoons. Van deze telefoons zijn omvangrijke datasets veilig gesteld en nader onderzocht.
Diverse raadslieden hebben, herhaaldelijk, een groot aantal onderzoekswensen ingediend die voornamelijk betrekking hadden op het horen van aangevers en het horen van medeverdachten als getuigen. De rechtbank heeft uiteindelijk een regiezitting gehouden en op een later moment schriftelijk op die onderzoekswensen beslist. De rechtbank acht vanwege al deze bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van 30 maanden voor de zaken van alle verdachten in Lawrencium gerechtvaardigd.
In de zaak van [verdachte] betekent het voorgaande dat de redelijke termijn is aangevangen op het moment dat zij in verzekering is gesteld, te weten op 1 augustus 2023. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim 30 maanden verstreken en is de redelijke termijn met ongeveer één week overschreden. De rechtbank acht deze overschrijding dermate gering dat zij volstaat met de enkele constatering daarvan.
Conclusie
Alles afwegende, zal de rechtbank verdachte opleggen een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

8.Het beslag

8.1.
De verbeurdverklaring
De in beslag genomen iPhone 7 wordt verbeurdverklaard. De iPhone 7 is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat de iPhone 7 aan verdachte toebehoort en de bewezen feiten met behulp van de iPhone 7 zijn begaan.

9.De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1.
Algemene uitgangspunten en overwegingen
9.1.1.
Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen
Zesendertig benadeelde partijen, waaronder ABN AMRO, ING en Rabobank, hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Met het oog op de overzichtelijkheid heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen in een Excel-bestand verwerkt. Dit Excel-bestand is als bijlage III aan dit vonnis gehecht. De namen van de benadeelde partijen en de bijbehorende zaaknummers staan vermeld in kolom C en B. In kolom A staat vermeld wie de vordering heeft ingediend (de bank of de individuele rekeninghouder). De benadeelde partijen hebben de bedragen gevorderd die zijn vermeld in kolom D. Alle benadeelde partijen hebben tevens de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Alvorens tot een inhoudelijke bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen over te kunnen gaan, dient de rechtbank eerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen.
Voor zover het verweer is gevoerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, omdat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest om de inhoud van de vorderingen te bestuderen en daar adequaat op te reageren, overweegt de rechtbank als volgt.
De Hoge Raad heeft in haar overzichtsarrest uit 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) regels gegeven over hoe om te gaan met vorderingen van benadeelde partijen. Uitgangspunt is dat de strafrechter niet te snel gebruik mag maken van haar bevoegdheid om benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding, omdat de bedoeling van de wetgever is geweest om het voor benadeelde partijen eenvoudig te maken om schade in het strafproces te vorderen. De mogelijkheid voor benadeelde partijen om zich in het strafproces te voegen kent echter wel begrenzingen. Zo verplicht artikel 6, eerste lid, van het EVRM de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring als hij zich niet verzekerd acht dat alle procespartijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen.
In deze zaak heeft een groot aantal slachtoffers aangifte gedaan en te kennen gegeven dat zij vergoeding wensen van de door hen geleden schade. De verdediging heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad om deze vorderingen grondig te kunnen bestuderen en daartegen gemotiveerd verweer te kunnen voeren. De vorderingen zijn tijdig voor de zitting ingediend en op zitting is er voldoende tijd voor uitgetrokken. Dat er op zitting op verzoek van de rechtbank nog een nadere toelichting op de vorderingen van de banken is gekomen, maakt dat niet anders. Dit verzoek is immers gedaan uit het oogpunt van een zorgvuldige en complete behandeling van de ingediende vorderingen en daarmee dus ook in het belang van de verdediging. De verdediging heeft daarna ook de tijd gekregen om deze nadere toelichting te bestuderen en daar op zitting een standpunt over in te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen.
9.2.
Materiële schade
9.2.1.
Natuurlijke personen
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte bankhelpdeskfraude heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partijen in de zaken die aan haar kunnen worden gekoppeld en dat zij verplicht is de schade van deze benadeelde partijen te vergoeden.
De rechtbank zal de bedragen die hierna in het Excel-bestand in kolom F worden genoemd, toewijzen. Het gaat om geldbedragen die de benadeelde partijen hebben overgemaakt door op de betaallink(s) te klikken, geldbedragen die met de bankpassen van de benadeelde partijen zijn gepind en/of kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt om hun paspoort te vervangen. Deze schade is voldoende onderbouwd en staan in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
In een aantal gevallen is het gevorderde bedrag hoger dan het bewezenverklaarde bedrag, omdat de uiteindelijke schade hoger bleek te zijn dan het bedrag dat in de tenlastelegging is opgenomen. In die gevallen zal de rechtbank het hogere bedrag toewijzen.
De bedragen die in kolom J worden genoemd, zal de rechtbank in deze procedure niet toewijzen. De benadeelde partijen zullen hierin niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kunnen dit deel van hun vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig maken. Het gaat om gevallen waarin de banken de schade al hebben vergoed of de benadeelde partijen op een andere manier hun geld hebben teruggekregen en/of gevallen waarin om vergoeding van de kosten voor het opschonen van de computer is gevraagd. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de bankhelpdeskfraude en laatstgenoemde kosten.
9.2.2.
Banken
ABN AMRO, ING en Rabobank hebben zich ook zelf gevoegd als benadeelde partij in deze procedure en vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Deze vorderingen van de banken houden verband met de schadeloosstelling van hun klanten die slachtoffer zijn geworden van deze bankhelpdeskfraude en het onderzoek dat de banken zelf hebben uitgevoerd na meldingen van fraude door hun klanten.
De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde, strafbare, handelen van verdachte (de oplichting van de rekeninghouders) ook jegens de banken onrechtmatig is geweest. Door betaallinks aan te maken voor individuele rekeninghouders, om zo een betaling in gang te zetten door de bank met het oog op een oplichting van deze rekeninghouders, is in strijd gehandeld met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De banken hebben gesteld hierdoor schade te hebben geleden die bestaat uit de vergoeding door de banken van de geldbedragen die zijn ontvreemd van de individuele rekeninghouders. Verdachte is dan ook verplicht de schade van de banken te vergoeden.
De rechtbank zal alleen die onderdelen van de vorderingen van de banken toewijzen die zien op de zaaksdossiers waar verdachte blijkens het hiervoor bewezenverklaarde directe betrokkenheid bij heeft gehad en de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren voor het overige. De rechtbank is er daarbij vanuit gegaan dat, daar waar de banken een lager bedrag hebben gevraagd, het meerdere inmiddels is geretourneerd, waardoor het geen schade (meer) betreft. De toegewezen bedragen zijn vermeld in kolom F van bijlage III.
De rechtbank zal daarnaast de gemaakte onderzoekskosten van de banken toewijzen (kolom H van bijlage III). De banken hebben toegelicht op welke werkzaamheden de onderzoekskosten betrekking hebben. De rechtbank acht een forfaitair bedrag van € 120,- per dossier, welke kosten ook niet zijn betwist, redelijk en zal verdachte dan ook veroordelen tot betaling van deze bedragen aan de banken.
9.3.
Immateriële schade
Een aantal benadeelde partijen heeft ook immateriële schade gevorderd.
In artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat immateriële schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt in de limitatief in de wet opgesomde gevallen. In artikel 6:106 BW Pro worden de gevallen genoemd waarin vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend. Voor zover hier van belang, kan dat op grond van sub b van dat artikel aan de orde zijn indien de benadeelde partij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor de benadeelde zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Hoewel invoelbaar is dat het bewezenverklaarde slapeloze nachten, gevoelens van angst, onveiligheid, schaamte, stress en wantrouwen bij de benadeelde partijen teweeg heeft gebracht, is dit niet voldoende om voor immateriële schadevergoeding in aanmerking te komen. In geen van de gevallen is geestelijk letsel vastgesteld. Verder is onvoldoende onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en de mededaders dusdanige ingrijpende gevolgen bij de benadeelde partijen hebben veroorzaakt dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro. Ook liggen de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in (dat deel van) hun vordering (kolom J van bijlage III). Die vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
9.4.
Schadevergoedingsmaatregel
9.4.1.
Natuurlijke personen
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen bij toe te wijzen vorderingen van natuurlijke personen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De bedragen van de schadevergoedingsmaatregel zijn vermeld in kolom T van bijlage III. Het maximum aantal dagen gijzeling is vermeld in kolom U van deze bijlage.
9.4.2.
Banken
De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen bij toe te wijzen vorderingen van ABN AMRO, ING en Rabobank.
De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in dit geval niet passend. De rechtbank ziet geen aanleiding de kosten van inning via de schadevergoedingsmaatregel af te wentelen op de Staat. ABN AMRO, ING en Rabobank zijn professionele organisaties die goed in staat kunnen worden geacht zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen. Met de toewijzing van de vordering is de aansprakelijkheid van de verdachte immers een gegeven. Eventueel staat hen daarbij de mogelijkheid van lijfsdwang via artikel 585 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten dienste. Bovendien zijn de voordelen voor de banken bij deze maatregel in het onderhavige geval relatief gering.
9.5.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partijen van wie de vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, bepalen dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Deze data staan vermeld in kolom S van bijlage III. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen zal dit worden bepaald.
De rechtbank zal ten aanzien van de gevorderde onderzoekskosten de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van onderhavige vonnis.
9.6.
Proceskosten
Waar de vordering van een benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door die benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de eventuele kosten van tenuitvoerlegging.
9.7.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de toegekende schadevergoedingen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

10.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 138ab, 140, 234 en 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder 3 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.10 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
feit 2: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van
misdrijven;
feit 4 primair: gegevens ontvangen, zich verschaffen, overdragen, verwerven,
verspreiden waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een misdrijf omschreven in artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht voor zover het feit betrekking heeft op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument;
feit 5: medeplegen van computervredebreuk;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 54 (vierenvijftig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen van de in
kolom F en kolom Hvan bijlage III genoemde bedragen aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente voor wat betreft de bedragen in
kolom Fvanaf de data zoals genoemd in
kolom Svan bijlage III tot aan de dag der algehele voldoening en voor wat betreft de bedragen in
kolom Hvanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
-
veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in (het overige gedeelte van) de vorderingen, zoals vermeld in
kolom Jvan bijlage III, en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, ten behoeve van de slachtoffers de bedragen te betalen, zoals vermeld in
kolom Tvan bijlage III, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf de data zoals genoemd in
kolom Svan bijlage III tot aan de dag der algehele voldoening;
-
bepaalt dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast voor de duur van het aantal dagen zoals ten aanzien van elke vordering in
kolom Uvan bijlage III vermeld, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:
 iPhone 7 zwart in roze cover (goednummer: 780563).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter,
en mr. I.M.L. Felix en mr. P.E. van Althuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos en mr. D.W. Schalk, griffiers,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 februari 2026.
Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging
Tekst gewijzigde tenlastelegging d.d.10 november 2025
1
Medeplegen oplichting
zij in of omstreeks de periode
25 juli 2022 tot en met 11 juli 2023
te
Velp, Arnhem, IJsselstein, Groenlo, Aalten, Hillegom en/of Zundert,
althans in Nederland en/of in
Dubai(Verenigde Arabische Emiraten),
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid
en/of door listige kunstgrepen en/of
door een samenweefsel van verdichtsels,
De volgende personen op de tabel heeft bewogen tot afgifte van enig
geldbedrag
(afbeelding geanonimiseerd)
althans van enig (aanzienlijke/grote) geldbedrag(en) en/of de (digitale) gegevens van de (internet)bankrekening(en) en/of inloggegevens van deze bankrekening(en),
door zich (telkens) via de telefoon uit te geven als/voor (bonafide) bankmedewerker en (hierbij) door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid te zeggen/berichten dat -zakelijk weergegeven-
- er fraude en/of verdachte transacties plaatsvonden op de bankrekeningen van voornoemde personen en/of er geld van de bankrekeningen van voornoemde personen is/ wordt gepind,
- voornoemde personen veilig(er) zijn/haar bankzaken dient te doen en/of de bankrekening en/of het geld van voornoemde personen geblokkeerd en/of verzekerd en/of veiliggesteld moet worden,
- ( het hoofdkantoor van) de Rabobank, ABN AMRO Bank, ING bank, althans van een bank e-mails en/of een whatsappbericht naar voornoemde personen stuurt waarin een link staat en dat deze emails moeten worden geopend en/of voornoemde personen zijn/haar bankapplicatie dienen te openen,
- voornoemde personen moeten inloggen op de internetbankierenaccount(s) waartoe zij toegang hadden en het geld van de spaarrekening over moeten boeken naar de betaalrekening zodat het geld veilig gesteld wordt en/of
- voornoemde personen de link moeten aanklikken en betalingen moeten bevestigen met de random reader zodat het geld veilig gesteld wordt;
waardoor (een of meer van) bovengenoemde persoon/personen (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
(art 326 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
Tekst gewijzigde tenlastelegging d.d. 3 november 2025
2
Deelname criminele organisatie
zij in of omstreeks de periode
31 juli 2021 tot en met 1 augustus 2023te
Arnhem en/of Velp, althans in Nederland en/of
Dubai(Verenigde Arabische Emiraten),
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
[medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of onbekend gebleven anderen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van de misdrijven:
- oplichting (artikel 326 Wetboek Pro van Strafrecht),
- computervredebreuk (artikel 138ab Wetboek van Strafrecht),
- opzetwitwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht),
- voorbereidingshandelingen (artikel 234 Wetboek Pro van Strafrecht),
- gebruiken van identificerende persoonsgegevens van een ander (artikel 231h Wetboek van
Strafrecht),
- voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel, computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kan worden verkregen tot (een) (gedeelte van een) geautomatiseerd werk(en) (artikel 139d Wetboek van Strafrecht),
- diefstal door middel van braak/verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (artikel 311 Wetboek Pro van Strafrecht) en/of
- verwerven van niet openbare gegevens (artikel 139g Wetboek van Strafrecht);
(art 140 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
3
Medeplegen gebruik identificerende persoonsgegevens van een ander
zij in of omstreeks de periode
25 juli 2022 tot en met 11 juli 2023
te
Velp, Arnhem, IJsselstein, Groenlo, Aalten, Hillegom en/of Zundert, althans in Nederland en/of in
Dubai(Verenigde Arabische Emiraten),
opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische
persoonsgegevens, van een ander te weten
mevrouw [alias 3] , [alias 1] , [alias 2] en/of [alias 4]
heeft gebruikt door:
zich en/of haar mededaders gedurende oplichtingsgesprekken voor te doen als mevrouw [alias 3] , [alias 1] , [alias 2] en/of [alias 4]
met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
(art 231b Wetboek van Strafrecht)
4
Voorhanden hebben/overdragen leads
zij in of omstreeks de periode
26 juni 2022 tot en met 13 juni 2023 te Arnhem en/of Velp, althans in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),
een of meer stoffen, voorwerpen en/of gegevens, te weten
persoonsgegevens en/of adresgegevens en/of (bijbehorende) telefoonnummers en/of (bijbehorende) bankrekeningnummers en/of (bijbehorende e-mailadressen),
namelijk dataset(s) van natuurlijke personen en/of rechtspersonen (zie pagina’s 1691, 1709, 1713, 1734, 1736 en 1739)
heeft vervaardigd, heeft ontvangen, zich heeft verschaft, heeft verkocht, heeft overgedragen, heeft verworven, heeft vervoerd, heeft ingevoerd, heeft uitgevoerd, heeft verspreid. anderszins ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad,
waarvan zij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van een der in de artikelen 226, eerste lid, onderdelen 2’ tot en met 5’, 231, eerste lid, 231a, eerste lid, 231b en 232, eerste lid, omschreven misdrijven
dan wel een der misdrijven omschreven in de artikelen 310, 311, 312, 317, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht terwijl dit feit betrekking had op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument;
(art 234 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij in of omstreeks de periode 26 juni 2022 tot en met 13 juni 2023
te Arnhem en/of Velp, althans in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),
niet-openbare gegevens, te weten
persoonsgegevens en/of adresgegevens en/of (bijbehorende) telefoonnummers en/of (bijbehorende) bankrekeningnummers en/of (bijbehorende e-mailadressen),
namelijk dataset(s) van natuurlijke personen en/of rechtspersonen (zie pagina’s 1691, 1709, 1713, 1734, 1736 en 1739)
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad (sub a)
en/of
- aan een ander, te weten [medeverdachte 1] , bekend heeft gemaakt (sub b)
terwijl zij, verdachte, ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen:
(art 139g lid 1 onder a en b Wetboek van Strafrecht)
5
Computervredebreuk
zij in of omstreeks de periode
26 juni 2022 tot en met 1 juli 2022
te
Arnhem en/of Velp, althans in Nederland en/of
Dubai(Verenigde Arabische Emiraten),
tezamen en in vereniging met één of meer anderen
opzettelijk en wederrechtelijk
in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werd, te weten
een of meerdere servers toebehorende aan [bedrijf 2] en/of een ander dan de verdachtes, waarop het (oude) werkaccount van verdachte [verdachte] van voornoemde [bedrijf 2] wordt gehost, althans bereikbaar is
is binnengedrongen
a. door het doorbreken van een beveiliging,
b. door een technische ingreep,
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid,
door in te loggen in het bedrijfssysteem van voornoemde [bedrijf 2] middels de oude
gebruikersnaam en het wachtwoord van verdachte [verdachte] , terwijl zij daar niet meer werkzaam was
en/of (vervolgens) toegang verschaft heeft gekregen tot gegevens die waren opgeslagen en/of verwerkt en/of overgedragen door middel van (delen van) dat geautomatiseerde werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond, waaronder vertrouwelijke en/of gevoelige informatie (naam, adresgegevens, telefoonnummers, e-mailadressen en bankrekeninggegevens van klanten);
(art 138ab lid 1 Wetboek van Strafrecht)