ECLI:NL:RBZWB:2026:828

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2521
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.S.S. Obispo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding bij uitkeringsbesluit UWV

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het overschrijden van de bezwaartermijn. Het primaire besluit dateert van juni 2019, terwijl het bezwaar pas in januari 2025 werd ingediend, ruim vier jaar te laat.

Eiser voerde aan dat nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder een nieuwsbericht over onjuiste berekeningen van uitkeringen, reden waren voor de termijnoverschrijding. De rechtbank oordeelt echter dat deze omstandigheden niet leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding volgens artikel 6:11 Awb Pro. Het UWV heeft het bezwaar tevens als verzoek tot herziening opgevat en daarop beslist, maar dit staat los van de beroepsprocedure.

De rechtbank concludeert dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het besluit van het UWV blijft in stand, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter N.S.S. Obispo op 10 februari 2026 en is openbaar gemaakt.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2521

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV),

(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een besluit van het UWV waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft daartoe een aantal beroepsgronden aangevoerd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het door eiser ingestelde bezwaar is onverschoonbaar te laat. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 juni 2019 (primair besluit) is aan eiser een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW), vanaf 12 juni 2019.
2.1.
Op 22 januari 2025 heeft het UWV een bezwaarschrift van eiser ontvangen. Aan het UWV werd gevraagd de uitkering opnieuw te berekenen en een nieuw besluit te nemen.
2.2.
Het UWV heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit van 21 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard en overwogen dat eiser niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. De bezwaartermijn liep namelijk tot en met 8 augustus 2019.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het UWV heeft op 7 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
3. Als een bezwaar- of beroepschrift na de termijn is ingediend, dan blijft de niet-ontvankelijkverklaring achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In dit kader wordt in de eerste plaats gekeken of er bijzondere omstandigheden zijn die niet aan eiser toe te rekenen zijn. Als de termijnoverschrijding aan de indiener kan worden verweten, dan is deze niet verschoonbaar. Kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden verweten, dan wordt vervolgens gekeken of het bezwaar of beroep zo spoedig als mogelijk is ingediend. Is dat het geval, dan is de termijnoverschrijding verschoonbaar.
3.1.
De wet biedt met de uitleg van artikel 6:11 van Pro de Awb de ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. [1] Hierdoor zou bij een geringe overschrijding of verwijtbaarheid dus nog sprake kunnen zijn van verschoonbaarheid. De specifieke omstandigheden van het geval spelen bij de beoordeling een grote rol.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
4. Niet ter discussie staat dat het bezwaar is ingediend na het verstrijken van de bezwaartermijn. Het bezwaarschrift is ruim vier jaar na het verstrijken van de bezwaartermijn ingediend. Eiser onderkent dit. Als reden voor de termijnoverschrijding voert eiser aan dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die een gerede twijfel geven over de juistheid van de berekening van de uitkering. Eiser verwijst daarbij naar een nieuwsbericht waaruit blijkt dat er in veel gevallen uit is gegaan van een verkeerde berekening bij verschillende uitkeringen, waardoor er mensen zijn die een te hoge of juist te lage uitkering hebben gekregen. Het UWV heeft toegezegd de gemaakte fouten te zullen herstellen, zodat iedereen krijgt waar men recht op heeft.
4.1.
Dat een groot aantal uitkeringen onjuist zou zijn berekend, is geen omstandigheid die kan leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dit valt buiten het juridisch kader van artikel 6:11 van Pro de Awb. Nieuw gebleken feiten en omstandigheden – voor zover daar al sprake van is – kunnen aanleiding zijn voor herziening. Ter zitting heeft het UWV verklaard dat hij het bezwaarschrift van eiser tevens heeft opgevat als een verzoek tot herziening (en daar ook al op heeft beslist), maar dat staat los van deze beroepsprocedure. Verder zijn er, ook ter zitting, geen andere bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die de termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen. Hierdoor is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
4.2.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit waarbij het UWV het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit waartegen alleen door een of meer bepaalde belanghebbenden administratief beroep kon worden ingesteld, vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn ongebruikt is verstreken.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit, inhoudende de goedkeuring van dat besluit, op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat tot een of meer belanghebbenden is gericht en dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2024:935, met verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.