ECLI:NL:RBZWB:2026:836

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
23/11805
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h AWRArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag BPM wegens onjuiste CO2-uitstootregistratie

Belanghebbende deed op 28 februari 2022 aangifte voor de inschrijving van een Mini Countryman met een CO2-uitstoot van 136 gram per kilometer, gebaseerd op een taxatierapport en een Certificaat van Overeenstemming (CVO). De RDW had echter bij keuring een hogere CO2-uitstoot van 195 gram vastgesteld volgens de Scandinavische rekenmethode, waarop de inspecteur een naheffingsaanslag BPM baseerde.

In bezwaar stelde belanghebbende dat de CO2-uitstoot conform het CVO moest worden gehanteerd. De rechtbank oordeelt dat het CVO het brondocument is voor de CO2-uitstoot en dat de RDW de uitstoot in het kentekenregister had moeten aanpassen. De naheffingsaanslag is daarom onterecht opgelegd en wordt vernietigd.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaar met 16 maanden is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500, waarvan € 656 voor rekening van de inspecteur en € 844 voor de Staat komt.

De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal € 3.200. De uitspraak is onherroepelijk tenzij binnen zes weken hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt vernietigd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11805
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, [B.V.] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.338 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 592.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam] , verbonden aan [B.V.] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 28 februari 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mini Countryman 1.5. Cooper All4 SUV met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.161.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 136 gram per kilometer met een bijbehorend bedrag aan bruto Bpm van € 7.151.
3.2.
De auto is door de RDW gekeurd op 22 februari 2022. De RDW heeft de CO2-uitstoot vastgesteld op 195 gram per kilometer, gebaseerd op de Scandinavische rekenmethode. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat moet worden uitgegaan van de CO2-uitstoot zoals door de RDW is bepaald. De bruto Bpm bedraagt in dat geval € 27.707. Hij heeft naar aanleiding daarvan de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 4.499 en de naheffingsaanslag opgelegd.
3.3.
In de bezwaarfase heeft de inspecteur het tarief gewijzigd en de bruto Bpm naar beneden bijgesteld tot € 17.434. Hij is daarbij uitgegaan van een WLTP-uitstoot van 195 gram per kilometer.
3.4.
Belanghebbende heeft als nader stuk op 30 december 2025 een Certificaat van Overeenstemming (CVO) overgelegd van de auto waarop een CO2-uitstoot staat vermeld van 136 gram per kilometer.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en de hoogte van de CO2-uitstoot. Verder is in geschil of voor de bezwaarfase een hogere kostenvergoeding moet worden toegekend.
Herleidingsmethode
4.1
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
CO2-uitstoot
4.1.
Belanghebbende stelt dat de CO2-uitstoot op 136 gram per kilometer moet worden vastgesteld conform het door haar overgelegde CVO. Zij heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij bij de RDW een verzoek heeft ingediend voor het wijzigen van de CO2-uitstoot in het kentekenregister. Dit verzoek is in 2024 afgewezen.
4.2.
De inspecteur stelt dat de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot van 195 gram per kilometer leidend is en dat het enkel in beroep overleggen van een CVO waarin een lagere CO2-uitstoot is vastgesteld niet voldoende is om tot een wijziging van de bij de RDW vastgestelde CO2-uitstoot te komen.
4.3.
De rechtbank overweegt dat uit de van toepassing zijnde regelgeving blijkt dat het CVO het brondocument is waarin de CO2-uitstoot staat vermeld. De fabrikant van de auto heeft die CO2-uitstoot vastgesteld in het kader van de Europese typegoedkeuring.
4.4.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat de RDW op het moment van keuring van de auto nog niet in het bezit was van het CVO en de CO2-uitstoot daarom volgens de Scandinavische rekenmethode heeft vastgesteld. Dit neemt echter niet weg dat belanghebbende de hoogte van de CO2-uitstoot op een later moment alsnog ter discussie kan stellen indien blijkt dat de geregistreerde CO2-uitstoot niet juist is [2] . In dit geval heeft belanghebbende het CVO na de registratie in Nederland overgelegd en de RDW verzocht de CO2-uitstoot aan te passen in het kentekenregister, tot nu toe nog zonder resultaat. Nu tussen partijen verder ook niet in geschil is dat het door belanghebbende overgelegde CVO deze auto betreft is de rechtbank van oordeel dat de RDW gehouden was om de CO2-uitstoot in het kentekenregister aan te passen conform het CVO. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen de Raad van State in haar uitspraak van 24 september 2025 heeft geoordeeld. [3] Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur dan ten onrechte uitgegaan van een CO2-uitstoot van 195 gram per kilometer en dient conform het CVO te worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van 136 gram per kilometer. De bruto Bpm bedraagt in dat geval € 7.151. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm € 1.161 bedraagt zoals belanghebbende reeds op aangifte heeft voldaan. De naheffingsaanslag dient daarom te worden vernietigd.
Immateriële schadevergoeding
4.6.
Belanghebbende heeft op 14 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 2 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.8.
Omdat de bezwaarfase afgerond 13 maanden heeft geduurd en daarmee 7 maanden te lang, komt € 656 (7/16e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 844) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.
5.2.
De rechtbank merkt op dat in de bezwaarfase een kostenvergoeding is toegekend van € 592. Indien dit bedrag al aan belanghebbende is uitbetaald, komt het in mindering op de (nog) door de inspecteur te betalen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 656;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 844;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Vgl ECLI:NL:RBZWB:2025:186 r.o. 4.9 tot en met 4.13
4.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.