ECLI:NL:RBZWB:2026:953

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
BRE 24/6549
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WIAArt. 65 WIAArt. 7:658a BWArt. 7:660a BWArt. 629 Boek 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen verlengde loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen

Eiseres, werkgever van een sales support medewerker die sinds januari 2022 ziek was door langdurige COVID-19 klachten en een TIA, kreeg van het UWV een verlengde loondoorbetalingsverplichting opgelegd tot 9 januari 2025. De werkgever voerde beroep aan tegen deze loonsanctie, stellende dat zij voldoende re-integratie-inspanningen had verricht en dat de zogenaamde 'voor rekening en risico-benadering' te streng werd toegepast.

De rechtbank oordeelt dat tot 22 mei 2023 en van 1 augustus tot 26 september 2023 voldoende re-integratie-inspanningen zijn geleverd. Echter, in de periode van 22 mei tot 1 augustus 2023 heeft eiseres slechts een arbeidskundig rapport laten opstellen zonder daadwerkelijke inzet op het eigen werk, en na 11 september 2023 zijn er helemaal geen re-integratie-inspanningen meer verricht. De kantelmomenten die het UWV hanteert zijn voldoende gemotiveerd en de medische informatie is adequaat betrokken.

De rechtbank wijst het beroep af omdat eiseres geen deugdelijke grond heeft aangevoerd voor de tekortkomingen in de re-integratie. Ook het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel zijn niet geschonden. De loonsanctie blijft daarom in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de verlengde loonsanctie tot 9 januari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6549

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. D.H.C. van de Laar),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het UWV – op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) – tot 9 januari 2025 verlengde loondoorbetalingsverplichting (loonsanctie) van eiseres aan haar werkneemster. Eiseres is het hier niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de loondoorbetalingsverplichting op goede gronden heeft verlengd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Werkneemster heeft de rechtbank laten weten dat zij niet als derde belanghebbende aan de procedure wil deelnemen. Werkneemster heeft toestemming verleend voor kennisneming door eiseres van stukken die medische gegevens bevatten.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Bij besluit van 28 december 2023 heeft het UWV aan eiseres tot 9 januari 2025 een verlengde loondoorbetalingsverplichting opgelegd. Zowel eiseres als werkneemster hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 december 2023. In het bestreden besluit van 22 juli 2024 heeft het UWV de opgelegde loonsanctie in stand gelaten. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het UWV is vertegenwoordigd door [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Werkneemster is bij eiseres voor 31,95 uur per week werkzaam geweest als sales support medewerker. Zij meldde zich, na een besmetting met het Coronavirus, ziek op
13 januari 2022. Aanvankelijk is er sprake van een combinatie van griepverschijnselen en vermoeidheid. De griepverschijnselen verdwenen, maar de vermoeidheid niet. Klachten als gebrek aan concentratie, vergeetachtigheid, niet uit de woorden kunnen komen en hoofdpijn stonden op de voorgrond. Rond juni 2022 test werkneemster opnieuw positief op Corona en krijgt zij vanaf juli 2022 ergotherapeutische begeleiding. Door de lichamelijke klachten ontwikkelt werkneemster ook psychische beperkingen. Er is bewust afgezien van psychologische ondersteuning, maar uit bloedonderzoek volgt dat zij een tekort heeft aan vitamine B12 en vitamine D. Hiervoor neemt zij supplementen, wat leidt tot het fysiek aansterken, maar nog niet cognitief. De therapie met vitamine B12 is in december 2022 intensiever geworden door een verwijzing naar het zogenaamde [expertisecentrum] in Rotterdam.
3.1.
Eiseres heeft zich bij de verzuimbegeleiding van werkneemster laten bijstaan door een bedrijfsarts. Een in het tweede ziektejaar aangevraagd deskundigenoordeel wordt door het UWV niet in behandeling genomen, omdat de re-integratie tot dat moment nog geen concrete vorm heeft gekregen. Na het spreekuur op 22 mei 2023 heeft de bedrijfsarts een inzetbaarheidsprofiel opgemaakt: werkneemster is tot twee uur per dag inzetbaar (rekening houdend met de beperkingen uit het inzetbaarheidsprofiel) en moet na elk half uur inspanning pauze nemen. Eiseres heeft daarna een arbeidsdeskundige ingeschakeld. Deze concludeert dat het eigen werk van werkneemster niet passend is, dat het niet passend te maken is, dat eiseres geen ander passend werk voor werkneemster heeft en dat de mogelijkheden in het tweede spoor extern onderzocht moeten worden. De arbeidsdeskundige van eiseres adviseert een twee sporenbeleid. Op het moment van het opstellen van het actueel oordeel is werkneemster aan het bijkomen van een TIA op
1 augustus 2023. Op 11 september 2023 is de probleemanalyse (ten opzichte van het in mei 2023 opgestelde inzetbaarheidsprofiel) bijgesteld. Op 12 september 2023 laat de loopbaanadviseur aan eiseres weten dat het tweede spoortraject, na overleg met de bedrijfsarts, tot nader order is opgeschort.
3.2.
Werkneemster vraagt op 17 oktober 2023 een WIA-uitkering aan. Bij besluit van
28 december 2023 heeft het UWV aan eiseres een verlengde loondoorbetalingsverplichting opgelegd. De rechtbank verwijst verder naar rechtsoverweging 2.
Omvang van het geding
4. De rechtbank beoordeelt – onder meer op basis van de beroepsgronden – of het UWV in het bestreden besluit op goede gronden de tot 9 januari 2025 verlengde
loondoorbetalingsverplichting in stand heeft gelaten.
5. Eiseres voert in beroep aan dat de bedrijfsarts in de periode vanaf 22 mei 2023 tot 1 augustus 2023 en vanaf 26 september 2023 terecht een marginale belastbaarheid als uitgangspunt heeft genomen. De verlengde loondoorbetalingsverplichting is gebaseerd op een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts en het UWV heeft de zogenaamde ‘voor rekening en risico-benadering’ te stringent toegepast. De beoordeling van de re-integratiebegeleiding gaat om de vraag of eiseres er in redelijkheid alles aan heeft gedaan om de mogelijkheden van werkneemster te benutten; het nog adequater inzetten van het eerste en het tweede spoor zou niet tot een ander resultaat hebben geleid. Werkneemster was door de TIA op 1 augustus 2023 weer ‘terug bij af’ en was vervolgens tot het einde van de wachttijd niet of nauwelijks tot re-integratie in staat. De door het UWV gestelde gemiste re-integratiemogelijkheden zijn niet aannemelijk gemaakt. Verder heeft het UWV in het besluit van 28 december 2023 de medische informatie van 29 december 2023 ten onrechte niet meegenomen en heeft het UWV alleen contact opgenomen met de bedrijfsarts die enkel het actueel oordeel heeft opgesteld en niet met de bedrijfsarts die werkneemster de hele voorgaande periode heeft begeleid. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook zijn de door het UWV aangenomen ‘kantelmomenten’ per 23 mei 2023 en per 26 september 2023 onvoldoende gemotiveerd.
5.1.
Het UWV stelt dat in het bestreden besluit met alle beschikbare informatie rekening is gehouden en dat dit ook in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar & beroep (verzekeringsarts b&b) is aangegeven. Het UWV acht werkneemster in het bestreden besluit vanaf 26 september 2023 belastbaar overeenkomstig de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 december 2023. Werkneemster heeft geen restgevolgen overgehouden aan de TIA. Tussen het moment van de vaststelling van het ontbreken van restgevolgen en de aanvraag van de WIA-uitkering hadden er re-integratiemogelijkheden ingezet kunnen worden. Dit is niet gebeurd. Het UWV verwijst verder naar de arbeidskundige beoordeling die mede aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.
5.2.
Artikel 25, negende lid, van de WIA bepaalt dat het UWV de loondoorbetalingsverplichting onder andere verlengt als bij de behandeling van de aanvraag blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht. Op grond van artikel 65 van Pro de WIA beoordeelt het UWV aan de hand van het re-integratieverslag (RIV) of de werkgever en de werkneemster in redelijkheid tot de verrichte re-integratie inspanningen hebben kunnen komen. Voor de wijze van beoordeling hanteert het UWV de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels).
Volgens deze Beleidsregels moet bij de beoordeling worden ingezoomd op dat wat door de werkgever en de werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Daarbij geldt als volgorde dat eerst wordt ingezet op hervatting in eigen werk (al dan niet aangepast), dan wel in een andere passende functie bij de werkgever dan wel een andere passende functie bij een andere werkgever. Als er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Ook wordt de loondoorbetalingsverplichting niet verlengd als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werkneemster worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werkneemster geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.
5.3.
De verantwoordelijkheid voor de re-integratieresultaten is door de wetgever bij de werkgever gelegd. Een werkgever kan niet met vrucht betogen, dat hij mocht vertrouwen op het oordeel van de arbodienst, als dit oordeel achteraf bezien onjuist blijkt te zijn. Dit wordt ook wel aangeduid als de ‘voor rekening en risico-benadering’ [1] . Bij de toetsing door het UWV van de re-integratie inspanningen is het uitgangspunt dat de verzekeringsarts zich (bij het toetsen van het RIV) achteraf een oordeel moet vormen, waarbij de destijds aanwezige context in ogenschouw moet worden genomen. Deze zogeheten RIV-toets is geen claimbeoordeling en aan de bedrijfsarts moet bij deze toets een professionele marge worden gegund. De verzekeringsarts moet toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal-medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werkneemster heeft kunnen komen. Het enkele feit dat de verzekeringsarts achteraf oordelend in sociaal-medisch opzicht zelf anders zou hebben gehandeld of tot een afwijkende inschatting van de belastbaarheid komt, is in dit verband onvoldoende om te kunnen komen tot de conclusie dat de bedrijfsarts de hem toekomende professionele marge heeft overschreden en daarmee sprake is van een tekortkoming in het sociaal-medisch handelen van de bedrijfsarts [2] . De bedrijfsarts en de verzekeringsarts hebben beiden een eigen taak in de re-integratie. Omdat de RIV-toets geen claimbeoordeling is, kan een bedrijfsarts bij de re-integratie van een zieke werkneemster een vanuit professioneel oogpunt aanvaardbare afweging maken, die afwijkt van wat bij een claimbeoordeling en de daarbij vastgestelde functionele mogelijkheden als uitgangspunt heeft te gelden [3] .
Het besluit tot het verlengen van de loondoorbetalingsverplichting is een voor eiseres belastend besluit. Dit betekent dat het UWV aannemelijk moet maken dat eiseres onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht en daarbij deugdelijk en concreet moet motiveren waaruit de tekortkoming bestaat [4] .
5.4.
Partijen zijn het erover eens dat er in ieder geval tot 22 mei 2023 en vanaf
1 augustus 2023 tot 26 september 2023 voldoende re-integratie inspanningen zijn ondernomen. Ook zijn partijen het erover eens dat de re-integratie inspanningen niet tot een gunstig resultaat in het kader van de Beleidsregels hebben geleid. Dat betekent dus dat het UWV per einde wachttijd moest beoordelen of eiseres voldoende re-integratie inspanningen heeft ondernomen en, voor zover dat niet zo is, of eiseres daar een deugdelijke grond voor heeft. Als tenminste een van deze vragen bevestigend moet worden beantwoord, bestaat er geen grondslag om een loonsanctie op te leggen. In dat kader zijn twee verschillende perioden van belang: de periode vanaf 22 mei 2023 tot 1 augustus 2023 en de periode vanaf 26 september 2023. De rechtbank zal hierna deze perioden beoordelen.
Periode 22 mei 2023 tot 1 augustus 2023
5.5.
De rechtbank maakt uit het dossier op dat de bedrijfsarts en de verzekeringsarts b&b voor deze periode van dezelfde belastbaarheid uitgaan. Dat betekent dat de door eiseres aangevoerde grond over de professionele marge van de bedrijfsarts niet van toepassing is op deze periode. Namens eiseres is op de zitting aangegeven dat de belastbaarheid van werkneemster voor twee uur per dag is gebruikt voor de re-integratie in het tweede spoor. De rechtbank kan uit het dossier alleen maar afleiden dat een door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige aan eiseres heeft gerapporteerd, maar dat er verder geen inspanningen in het eerste en het tweede spoor zijn verricht. Ondanks het gegeven dat werkneemster gedurende twee uur per dag belastbaar was (rekening houdend met het inzetbaarheidsprofiel) heeft eiseres geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de taken uit het eigen werk op te delen op een wijze dat werkneemster in ieder geval een deel van deze taken kon uitvoeren [5] . Het UWV heeft dan ook terecht aangenomen dat de re-integratie inspanningen in deze periode onvoldoende zijn en eiseres heeft hiervoor geen deugdelijke grond aangevoerd.
Periode vanaf 26 september 2023
5.6.
Voor deze periode (die doorloopt tot einde wachttijd) geldt dat werkneemster volgens de bedrijfsarts niet kan re-integreren, terwijl de verzekeringsarts b&b uitgaat van een belastbaarheid gelijk aan de FML van 20 december 2023. In deze periode speelt de discussie over de professionele marge van de bedrijfsarts dus wel. De rechtbank leidt uit het dossier af dat werkneemster, na de TIA op 1 augustus 2023, op 26 september 2023 door de neuroloog is onderzocht. Hierbij zijn geen restverschijnselen van de TIA vastgesteld. Werkneemster werd naar de revalidatiearts doorverwezen. Deze heeft werkneemster op
24 oktober 2023 onderzocht. De revalidatiearts concludeert dat er geen indicatie is voor een medisch specialistisch revalidatietraject, omdat de klachten van werkneemster niet voortkomen uit hersenletsel. Er lijkt sprake te zijn van meerdere factoren die een instandhoudende rol spelen en waarbij de psychologische factoren tot dan onderbelicht zijn gebleven.
5.7.
Werkneemster heeft op 11 september 2023 voor het laatst het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht en de re-integratieactiviteiten in het tweede spoor zijn vanaf
12 september 2023 opgeschort. In de medische informatie bij het re-integratieverslag is weliswaar aangegeven dat ingestoken moet worden op een multidisciplinair revalidatietraject, maar de bedrijfsarts heeft gedurende de begeleidingsperiode geen informatie bij de behandelend sector van werkneemster opgevraagd. Na 12 september 2023 hebben er überhaupt geen re-integratie inspanningen meer plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank had van de bedrijfsarts verwacht mogen worden dat er na 26 september 2023 nog actie zou worden ondernomen. Eiseres heeft in dat verband gewezen op de gelijkluidende berichten die zij over de belastbaarheid van werkneemster van de bedrijfsarts en werkneemster ontving. Dat neemt niet weg dat eiseres geen contact meer met de bedrijfsarts heeft opgenomen en deze niet heeft aangespoord tot het regelen van een nieuw spreekuurcontact.
5.8.
Eiseres heeft ook aangevoerd dat het UWV de re-integratie inspanningen maar tot het moment van de indiening van de aanvraag zou moeten beoordelen [6] . De aanvraag is op
17 oktober 2023 ingediend. Volgens eiseres was de periode tussen 26 september 2023 en de aanvraag van de WIA-uitkering te kort om nog nieuwe re-integratie inspanningen te treffen. Naar het oordeel van de rechtbank – en onder verwijzing naar de overwegingen in 5.5 – slaagt deze grond niet, omdat eiseres in de periode hiervóór ook al (zonder deugdelijke grond) onvoldoende re-integratie inspanningen heeft ondernomen.
5.9.
Eiseres heeft in beroep ook nog een beroep gedaan op de uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant van 14 mei 2025 [7] . In die uitspraak nuanceert die rechtbank de in
overweging 5.3 aangehaalde ‘voor rekening en risico-benadering’. Die rechtbank verwijst in dat kader onder meer naar een inmiddels aanhangig wetsvoorstel om bij de beoordeling van het re-integratieverslag enkel uit te gaan van de beoordeling door de bedrijfsarts [8] . Verder wil die rechtbank niet onnodig vasthouden aan de oorspronkelijke interpretatie van de wettekst, terwijl de maatschappelijke verhoudingen zich meer naar een situatie van
equality of armslijken te ontwikkelen en tot slot wijst die rechtbank op de door een werkgever te maken (proces)kosten om een bedrijfsarts aansprakelijk te stellen. De rechtbank overweegt dat voor zover de ‘voor rekening en risico-benadering’ in deze zaak al genuanceerd zou moeten worden, dat niet wegneemt dat er na 11 september 2023 geen re-integratie inspanningen meer zijn ondernomen. De grond slaagt dan ook niet. Daar komt bij dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 26 januari 2026 op het hoger beroep tegen de hiervoor genoemde uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant onder meer heeft geoordeeld dat het aangehaalde wetsvoorstel geen reden is om de ‘voor rekening en risico-benadering’ te nuanceren [9] .
5.10.
Voor wat betreft de door eiseres aangevoerde onderbouwing voor de gestelde schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel oordeelt de rechtbank als volgt.
Het UWV heeft in de rapportage van de arbeidsdeskundige b&b en in het bestreden besluit opgenomen dat er
wellichtre-integratie kansen zijn gemist. Volgens eiseres heeft het UWV daarmee onvoldoende gemotiveerd dat er reden is voor een loonsanctie omdat ‘wellicht’ een verkeerd criterium is en het UWV aannemelijk moet maken dat onvoldoende re-integratie inspanningen zijn verricht. Het UWV heeft ter zitting toegelicht dat de term ‘wellicht’ overbodig is en dat het UWV vindt dat er re-integratie kansen zijn gemist. Naar het oordeel van de rechtbank levert het overbodige woord ‘wellicht’ in het bestreden besluit, mede gezien de toelichting van het UWV op de zitting, geen gebrekkig besluit op. Het UWV heeft aan de beoordeling immers wel de juiste maatstaf ten grondslag gelegd en de rechtbank kan deze overweging volgen gelet op wat is opgenomen in 5.5 tot en met 5.9.
Eiseres stelt ook dat het UWV de in de beoordeling aangenomen ‘kantelmomenten’ per 23 mei 2023 en per 26 september 2023 onvoldoende heeft gemotiveerd. De eerste datum, 23 mei 2023, heeft het UWV kunnen aanhouden. Per die datum is immers door de bedrijfsarts het inzetbaarheidsprofiel opgesteld. Ook de tweede datum, 26 september 2023, heeft het UWV als ‘kantelmoment’ kunnen aanhouden. De behandelend sector van werkneemster, in het bijzonder de neuroloog, heeft immers na de TIA geen restverschijnselen gediagnosticeerd. Daarom zijn er, als gevolg van de TIA, ook geen nadere beperkingen geobjectiveerd. De rechtbank kan dit volgen. Eiseres heeft ter zitting weliswaar nog gewezen op een tweetal onderzoeken waaruit volgt dat er na een TIA nog restklachten (kunnen) zijn, maar die onderzoeken zijn niet gebaseerd op onderzoekshandelingen bij werkneemster. Gelet op de gestelde diagnose en het feitelijk onderzoek door de behandelend sector volgt de rechtbank het oordeel van het UWV. De rechtbank neemt dan ook geen motiveringsgebrek aan.
5.11.
Bij het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel beroept eiseres zich erop dat het UWV – zowel voorafgaand aan het nemen van het besluit van 28 december 2023 als voorafgaand aan het bestreden besluit – geen contact heeft gelegd met bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] . Deze bedrijfsarts heeft werkneemster inhoudelijk beoordeeld en begeleid in het kader van de re-integratie. Eiseres heeft op zitting aangegeven dat zij als werkgeefster, ten tijde van het nemen van het besluit van 28 december 2023, niet wist dat het UWV geen contact met bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV alle spreekuurcontacten met bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] en – in het bestreden besluit – ook alle medische informatie van 29 december 2023 in de beoordeling betrokken. Eiseres heeft deze grond ook in bezwaar aangevoerd. Op dat moment wist eiseres dat het UWV – voorafgaande aan het nemen van het besluit van 28 december 2023 – alleen met bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] contact heeft gehad. Eiseres heeft in bezwaar, en overigens ook in beroep, nagelaten om alsnog een verklaring van bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] in te brengen. In dat licht neemt de rechtbank geen strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel aan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de tot 9 januari 2025 opgelegde verlengde loondoorbetalingsverplichting in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 februari 2026 door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl..
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Artikel 25, negende lid:
9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en Pro de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt Pro dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. (….)
Artikel 65:
De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voorzover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet en de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.
Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels)
Artikel 1:
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de beoordeling van de door werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (….), het beoordelingskader zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.
Bijlage:
1. Inleiding
(….)
Voorafgaande aan de beoordeling van het recht op uitkering verricht het UWV eerst de poortwachterstoets. In dit kader beoordeelt het UWV allereerst of er voldoende re-integratieresultaat is bereikt, en als dat niet zo is of werkgever en werknemer samen gedurende de eerste twee jaar van ziekte voldoende inspanningen hebben verricht om de functionele mogelijkheden zo veel mogelijk te vergroten en de bestaande arbeidsmogelijkheden zo goed mogelijk te kunnen benutten in het eigen bedrijf of bij een ander bedrijf. Na een positief oordeel over de geleverde inspanningen wordt het recht op uitkering beoordeeld; na een negatief oordeel wordt de beoordeling van het recht op uitkering opgeschort en loopt de loondoorbetalingsplicht van de werkgever maximaal 52 weken door totdat de vereiste re-integratie-inspanningen hebben plaatsgevonden.
3. Uitgangspunten beoordeling
Redelijkheid
Van werkgever en werknemer wordt verwacht dat zij al het mogelijke doen met het oog op de re-integratie. Dit uiteraard binnen de grenzen van de redelijkheid. Artikel 65 Wet Pro WIA bepaalt dat het UWV achteraf beoordeelt of werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. De redelijkheid is ook het belangrijkste uitgangspunt in de bovengenoemde artikelen 7:658a en 7:660a BW en in de arbeidsrechtelijke jurisprudentie.
Het resultaat staat voorop
Bij de beoordeling door het UWV van de geleverde re-integratie-inspanningen staat het bereikte resultaat voorop. Dat resultaat hoeft niet optimaal te zijn. Een bevredigend resultaat is voldoende. (….)
Bevredigend resultaat
Bij de UWV-beoordeling van de geleverde re-integratie-inspanningen is sprake van een bevredigend resultaat wanneer gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer.
(….)
Is geen bevredigend resultaat behaald dan zal het UWV beoordelen of er door werkgever en door werknemer in de eerste twee ziektejaren voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.
Geen bevredigend resultaat maar wel voldoende re-integratie-inspanningen of een deugdelijke grond
Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van dit beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft.
Geen bevredigend resultaat en onvoldoende re-integratie-inspanningen
Is de werkgever naar het oordeel van het UWV in zijn re-integratie-inspanningen in gebreke gebleven en heeft hij daarvoor geen deugdelijke grond, dan wordt de WIA-aanvraag van de werknemer opgeschort. De werkgever moet dan loon blijven doorbetalen. Dit is de zgn. loonsanctie. Doel daarvan is dat de werkgever alsnog de nodige re-integratie-inspanningen levert. De sanctie beoogt herstel van wat eerder nagelaten is. (….)
4. De aspecten waarop het UWV de beoordeling uitvoert
(….)
Het UWV zal bij zijn beoordeling aan de volgende aspecten aandacht besteden:
(….)
b. Medische aspecten:
(….)
Is voorzien in adequate begeleiding op weg naar vergroting van de functionele mogelijkheden?
Is de beoordeling van de bedrijfsarts met betrekking tot de functionele mogelijkheden van de werknemer ten aanzien van eigen arbeid en eventuele passende, andere arbeid plausibel?
c. Arbeidsdeskundige aspecten en werkinpassing
(….)
Zijn de mogelijkheden tot herplaatsing in de eigen functie, zo nodig met aanpassingen, onderzocht?
Zijn de mogelijkheden tot een andere functie bij de eigen werkgever, zo nodig met aanpassingen en scholing, in voldoende mate verkend?
(….)

Voetnoten

1.CRvB 18 november 2009, ECLI:NL:CR VB:2009:BK3717.
2.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:789.
3.CRvB 26 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:463.
4.Onder meer CRvB 11 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:861 en CRvB 17 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1373.
5.Onderdeel 5.8 van de Werkwijzer Poortwachter.
6.Onderdeel 9.1 van de Werkwijzer Poortwachter.
7.Rechtbank Oost-Brabant 14 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2759.
8.Op grond van het rapport van februari 2024 van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS).
9.CRvB, ECLI:NB:CRVB:2026:95, r.o. 5.6.