ECLI:NL:CRVB:2025:463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterechte ziekengeldsanctie wegens onvoldoende professionele marge bedrijfsarts bij re-integratie
Appellante, eigenrisicodrager voor de Ziektewet, kreeg een ziekengeldsanctie opgelegd door het UWV omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht voor een werkneemster met psychische klachten. De bedrijfsarts had een geleidelijke opbouw van werkuren voorgestaan, rekening houdend met de fragiele psychische toestand van de werkneemster.
De rechtbank had het besluit van het UWV in stand gelaten, stellende dat de bedrijfsarts onvoldoende had onderbouwd waarom de werkneemster niet meer uren kon werken. Appellante ging in hoger beroep, stellende dat de bedrijfsarts binnen zijn professionele marge had gehandeld en voldoende re-integratie-inspanningen waren geleverd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV ten onrechte alleen de medisch objectiveerbare belastbaarheid als uitgangspunt heeft genomen en daarmee de professionele marge van de bedrijfsarts niet heeft erkend. De Raad stelt dat de bedrijfsarts rekening hield met de psychische kwetsbaarheid en het risico op terugval, en dat het werk bij de kringloopwinkel passend was.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit van het UWV dat de ziekengeldsanctie oplegde, en stelt dat appellante onterecht is gesanctioneerd. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: De ziekengeldsanctie wordt vernietigd omdat de bedrijfsarts binnen zijn professionele marge heeft gehandeld.