Betrokkene was verkoopmedewerkster en meldde zich ziek op 3 december 2020. Zij vroeg in september 2022 een WIA-uitkering aan. Het UWV legde appellante op 25 november 2022 een loonsanctie op wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen, met name in het tweede spoor.
In bezwaar en beroep werd vastgesteld dat de bedrijfsarts ten onrechte uitging van een urenbeperking, wat leidde tot een onjuist zoekprofiel in het trajectplan. Hoewel het UWV in bezwaar zijn standpunt wijzigde en de belastbaarheid alsnog juist achtte, werd de loonsanctie gehandhaafd wegens vermeende tekortkomingen in het tweede spoor.
De rechtbank bevestigde de loonsanctie, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV ten onrechte de in bezwaar vastgestelde tekortkomingen als grondslag heeft gebruikt, terwijl deze niet in het primaire besluit waren opgenomen. Hierdoor was appellante onvoldoende in staat het gebrek te herstellen.
De Raad vernietigt het besluit en veroordeelt het UWV tot vergoeding van schade van €22.807,71 en tot betaling van proceskosten van €5.829,-. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit herroepen.