ECLI:NL:RBZWB:2026:971

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
25/2340
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 30c Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden en pensioenafkoop

Eiseres ontvangt sinds 1996 bijstand en werd door het college onderzocht vanwege vermoedens van niet gemelde inkomsten. Het college herzag de bijstand over de periode 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024 en vorderde € 6.086,85 terug wegens niet gemelde schoonmaakwerkzaamheden en pensioenafkoop.

Eiseres betwistte de duur en aard van de werkzaamheden en stelde dat het om vrijwilligerswerk ging. Het college baseerde zich op verklaringen van bewoners, waarnemingen en dossieronderzoek. De rechtbank achtte de verklaring van een bewoner, opgemaakt door sociaal rechercheurs en ondertekend, betrouwbaar en vond dat eiseres onvoldoende objectief bewijs leverde om dit te betwisten.

De rechtbank concludeerde dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door de werkzaamheden en pensioenafkoop niet te melden. Het college mocht de inkomsten schatten op basis van beschikbare gegevens. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, en zij kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van bijstand is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Klootwijk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de bijstand van eiseres. Eiseres is het niet eens met de periode waarover de bijstand is herzien en met de hoogte van de inkomsten die daarbij op de bijstand in mindering zijn gebracht. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen gelijk heeft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 17 januari 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (PW) herzien over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024 en een bedrag van € 6.086,85 teruggevorderd.
2.1.
Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. P.F.M. Gulickx (waarnemend voor de gemachtigde van eiseres) en de gemachtigde van het college.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college terecht heeft beslist tot herziening van de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024 en of het college terecht een bedrag van € 6.086,85 heeft teruggevorderd.
3.1.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
4. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
4.1.
Eiseres ontvangt sinds 1 maart 1996 een bijstandsuitkering, thans naar de norm voor een alleenstaande.
4.2.
Door het college is een onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is Suwinet geraadpleegd en zijn bankgegevens opgevraagd en na verkrijging daarvan geanalyseerd. Verder zijn er waarnemingen verricht nabij het adres van eiseres, is er onderzoek gedaan op internet en zijn zowel eiseres, als de bewoners van [adres 1] en [adres 2] gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport administratief rechtelijk onderzoek van 8 oktober 2024.
4.3.
De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 17 januari 2025, na bezwaar gehandhaafd met het besluit van 3 april 2025, de bijstand van eiseres over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024 te herzien en de over die periode te veel verleende bijstand van
€ 6.086,85 van eiseres terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is geweest van afkoop van een nabestaandenpensioen en dat eiseres op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht op drie adressen. Door hiervan geen mededeling aan het college te doen, heeft eiseres de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.
Standpunten van partijen
5. Eiseres voert aan dat zij niet gedurende de gehele periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024 werkzaamheden heeft verricht. Volgens haar ging het om incidentele schoonmaakwerkzaamheden en heeft het college de duur daarvan te ruim vastgesteld. Voor de adressen aan de [adres 1] voert zij aan dat het om vrijwilligerswerk ging waarvoor zij slechts af en toe een vrijwilligersbijdrage kreeg. Deze is ten onrechte aangemerkt als inkomen uit werkzaamheden. Ten aanzien van de [adres 2] stelt zij dat de verklaring van de bewoner, waarin staat dat zij daar al ongeveer drie jaar wekelijks schoonmaakte, niet klopt. Eiseres vindt verder dat het college bij de berekening van haar inkomsten is uitgegaan van te veel uren en het besluit daardoor onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet voldoende is gemotiveerd.
5.1.
Het college stelt dat uit het onderzoek is gebleken dat er sprake is van structurele, op geld waardeerbare werkzaamheden op drie adressen. Het college voert aan dat eiseres haar stelling dat sprake was van vrijwilligerswerk, dat zij de werkzaamheden voor een kortere periode heeft verricht en voor de [adres 2] tegen een uurtarief van € 12,50 en pas later € 15,00 niet met objectieve en/of controleerbare gegevens heeft onderbouwd. Het college merkt ten aanzien van de juistheid van de verklaring van de bewoner van de [adres 2] op dat deze verklaring door twee medewerkers op ambtseed is opgesteld, is voorgelezen en door de bewoner ondertekend. Het college meent daarom dat de bewoner aan deze afgelegde verklaring kan worden gehouden. Het college vindt dat het besluit dan ook zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende gemotiveerd.
Is het college terecht tot herziening en terugvordering overgegaan?
6. Een besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting is een voor eiseres belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat eiseres gedurende de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van op geld waardeerbare werkzaamheden in de vorm van schoonmaakwerkzaamheden en het niet melden van de afkoop van het nabestaandenpensioen.
6.1.
Niet in geschil is dat eiseres schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht en dat dit werkzaamheden zijn die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Evenmin is in geschil dat eiseres deze werkzaamheden niet heeft gemeld bij het college, zodat sprake is van schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 PW Pro. Ook is niet in geschil dat het college terecht de afkoop van een nabestaandenpensioen als inkomen heeft betrokken. In geschil is alleen in hoeverre het college aannemelijk heeft mogen achten dat eiseres gedurende de gehele periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024 werkzaamheden heeft verricht, en of de hoogte van de inkomsten uit die werkzaamheden, zoals opgenomen in de berekening die aan de herziening en terugvordering ten grondslag ligt, juist is vastgesteld.
6.2.
De rechtbank overweegt dat het college de aanvang van de werkzaamheden (per 1 oktober 2021) baseert op de op 1 oktober 2024 afgelegde verklaring van de bewoner van de [adres 2] . Deze bewoner heeft verklaard dat eiseres daar al ongeveer drie jaar wekelijks op donderdag gedurende twee uur schoonmaakt. Uit deze verklaring volgt een doorlopende periode die terugvoert tot 1 oktober 2021.
6.3.
Eiseres betwist de juistheid van de verklaring van de bewoner van de [adres 2] , in het bijzonder de daarin genoemde duur van ongeveer drie jaar. Het verslag van deze verklaring is door twee sociaal rechercheurs op ambtseed opgemaakt en door de bewoner, na te zijn voorgelezen of zij deze had gelezen en volhardde bij de inhoud daarvan, ondertekend. De rechtbank overweegt dat in het algemeen ervan uit mag worden gegaan dat een verslag dat sociaal rechercheurs van een afgelegde verklaring hebben opgemaakt juist is, als de betrokkene dat verslag heeft gelezen of als het aan haar is voorgelezen en zij het zonder voorbehoud heeft ondertekend. Dit uitgangspunt geldt ook als een betrokkene later geheel of gedeeltelijk van de inhoud van haar verklaring terugkomt zoals eiseres stelt dat het geval is. [1] Eiseres heeft geen objectieve gegevens overgelegd die haar betwisting ondersteunen. Het door haar gedane aanbod tot het overleggen van een nadere verklaring van de bewoner van de [adres 2] , geeft de rechtbank geen aanleiding tot nader onderzoek. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres ter zitting heeft aangegeven dat de bewoner niet bereid is een nadere verklaring af te leggen, zodat dit bewijsaanbod feitelijk niet kan worden gerealiseerd. De reeds afgelegde verklaring is bovendien voldoende duidelijk en consistent. En overigens komt de verklaring van de bewoner over het aantal gewerkte uren per week overeen met de eigen verklaring van eiseres dat zij op donderdag twee uur op dit adres schoonmaakte. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Het ontbreken van nadere objectieve gegevens komt in dit geval voor rekening van eiseres.
6.4.
De rechtbank acht daarmee aannemelijk dat eiseres gedurende de gehele periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024 schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht op de [adres 2] . Verder is niet in geschil dat eiseres in deze periode gedurende een jaar op de [adres 1] en gedurende vier maanden op de [adres 3] schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Nu niet in geschil is dat eiseres geen melding heeft gedaan van de schoonmaakwerkzaamheden, staat vast dat zij gedurende de gehele door het college gestelde periode haar inlichtingenplicht heeft geschonden.
6.5.
Voor de vaststelling van de omvang van de werkzaamheden en de daarmee samenhangende inkomsten is het college uitgegaan van zes weken vakantie per jaar waarin geen werkzaamheden zijn verricht en heeft het college gebruikgemaakt van de verklaring van eiseres zelf, de verklaringen van de bewoners en de bevindingen uit de waarnemingen.
Voor de [adres 1] is het college, gegeven de verklaring van eiseres over de frequentie (om de week) en de verklaring van de bewoner over de duur en frequentie van de werkzaamheden (drie tot vier keer per maand), uitgegaan van werkzaamheden gedurende ongeveer één jaar, drie keer per maand, telkens drie uur, tegen een (in beide verklaringen genoemd) tarief van € 12,50 per uur.
Voor de [adres 3] is het college, op basis van de verklaring van eiseres over de gewerkte uren (drie à vier uur per week) en het tarief (€ 12,50) en de waarnemingen over de relevante periode, uitgegaan van werkzaamheden in de periode juni 2024 tot en met september 2024, wekelijks vier uur, eveneens tegen een tarief van € 12,50 per uur.
Voor de [adres 2] is het college, op basis van de verklaring van eiseres over het tarief (€ 15,00) en de frequentie van de werkzaamheden (2 uur per week) en de verklaring van de bewoner over de duur en (gelijkluidende) frequentie van de werkzaamheden, uitgegaan van wekelijkse werkzaamheden van twee uur tegen een tarief van € 15,00 per uur gedurende de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024.
Deze uitgangspunten zijn door het college gebruikt bij de vaststelling van de inkomsten die in mindering zijn gebracht op het recht op bijstand.
6.6.
Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij haar werkzaamheden als vrijwilligerswerk of vriendendienst heeft verricht, zij daar af en toe een vrijwilligersbijdrage voor kreeg en dat zij niet altijd werkzaamheden verrichtte op de momenten dat zij op de drie adressen werd gezien. Zij heeft verder verklaard dat het uurtarief van € 15,00 per uur op de [adres 2] pas later zou zijn gaan gelden en dat zij de (andersluidende) verklaring getekend heeft, omdat zij overdonderd was nadat zij hoorde dat zij al maandenlang gevolgd werd. Deze toelichting geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de op 1 oktober 2024 afgelegde en door eiseres ondertekende verklaring. Daarbij is van belang dat er geen aanwijzingen zijn dat eiseres bij het afleggen van die verklaring onder druk heeft gestaan of de inhoud daarvan niet heeft begrepen. Bovendien wordt haar verklaring op essentiële onderdelen ondersteund door de verklaringen van de bewoners. Eiseres heeft haar toelichting verder niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.
6.7.
Omdat eiseres geen administratie heeft bijgehouden van haar werkzaamheden en geen objectieve gegevens heeft kunnen overleggen waaruit de exacte omvang van haar werkzaamheden en de ontvangen bedragen blijken, kon het college de inkomsten niet exact vaststellen. Het college mocht de inkomsten daarom schattenderwijs bepalen op basis van de beschikbare verklaringen en waarnemingen en deze inkomsten betrekken bij de vaststelling van het recht op bijstand over de betreffende periode.
6.8.
Het eventuele nadeel dat voor eiseres voortvloeit uit deze schatting komt daarbij voor haar rekening. Zij heeft immers de inlichtingenplicht geschonden waardoor achteraf haar recht op bijstand, indien mogelijk, moet worden geschat. [2] Doordat eiseres geen inzicht heeft kunnen geven in de exacte omvang en vergoeding van haar werkzaamheden, kan achteraf niet met zekerheid worden vastgesteld of zij in (delen van) de periode minder heeft gewerkt of lagere bedragen heeft ontvangen dan waarvan het college is uitgegaan. De rechtbank ziet daarom geen reden om van de door het college toegepaste schatting af te wijken.
6.9.
De rechtbank is verder van oordeel dat het bestreden besluit van het college met voldoende zorgvuldigheid is voorbereid en afdoende is gemotiveerd. Het besluit bevat een inzichtelijke en navolgbare toelichting op de wijze waarop de inkomsten van eiseres zijn vastgesteld, inclusief het onderscheid tussen de verschillende adressen, de verwerking van de afkoop van het nabestaandenpensioen en het (in het voordeel van eiseres) achterwege laten van brutering. De rechtbank concludeert dat het college de in mindering te brengen inkomsten terecht op € 6.086,85 heeft vastgesteld.
6.10.
Uit het voorgaande volgt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college was daarom gehouden de bijstand over de te beoordelen periode te herzien en heeft dus terecht de vastgestelde inkomsten op de bijstand van eiseres in mindering gebracht. Tegen de terugvordering heeft eiseres geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen afzonderlijke bespreking behoeft.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 17 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 17. Inlichtingenplicht
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54. Onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58. Terugvordering
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2095.
2.Bijvoorbeeld de uitspraken van 16 januari 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:133, r.o. 4.7.2) en van 16 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1387, r.o. 4.7).