Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda
Samenvatting
Procesverloop
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling door de rechtbank
€ 6.086,85 van eiseres terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is geweest van afkoop van een nabestaandenpensioen en dat eiseres op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht op drie adressen. Door hiervan geen mededeling aan het college te doen, heeft eiseres de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.
Voor de [adres 1] is het college, gegeven de verklaring van eiseres over de frequentie (om de week) en de verklaring van de bewoner over de duur en frequentie van de werkzaamheden (drie tot vier keer per maand), uitgegaan van werkzaamheden gedurende ongeveer één jaar, drie keer per maand, telkens drie uur, tegen een (in beide verklaringen genoemd) tarief van € 12,50 per uur.
Voor de [adres 3] is het college, op basis van de verklaring van eiseres over de gewerkte uren (drie à vier uur per week) en het tarief (€ 12,50) en de waarnemingen over de relevante periode, uitgegaan van werkzaamheden in de periode juni 2024 tot en met september 2024, wekelijks vier uur, eveneens tegen een tarief van € 12,50 per uur.
Voor de [adres 2] is het college, op basis van de verklaring van eiseres over het tarief (€ 15,00) en de frequentie van de werkzaamheden (2 uur per week) en de verklaring van de bewoner over de duur en (gelijkluidende) frequentie van de werkzaamheden, uitgegaan van wekelijkse werkzaamheden van twee uur tegen een tarief van € 15,00 per uur gedurende de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024.
Deze uitgangspunten zijn door het college gebruikt bij de vaststelling van de inkomsten die in mindering zijn gebracht op het recht op bijstand.