Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2001:AD4379

Raad van State

Datum uitspraak
26 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
199902099/1.
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.A.M. van Angeren
  • B. van Wagtendonk
  • C.A. Terwee-van Hilten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet openbaarheid van bestuurArt. 7:12 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:73 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wijze van openbaarmaking bijstandsdossier ex-echtgenote

In deze bestuursrechtelijke procedure staat de wijze van openbaarmaking van delen van het bijstandsdossier van de ex-echtgenote van appellant centraal. Appellant verzocht om kopieën van de documenten te ontvangen, terwijl burgemeester en wethouders slechts inzage wilden bieden onder begeleiding van een ambtenaar op een afgesproken tijdstip.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het maken van kopieën van reeds geschoonde documenten niet tijdrovender is dan het bieden van inzage onder begeleiding. Daarmee werd het eerdere oordeel van de president van de rechtbank verworpen. De motivering van burgemeester en wethouders om kopieën te weigeren was onvoldoende en strijdig met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de president van de rechtbank en het besluit van burgemeester en wethouders voor zover daarin alleen inzage werd geboden. Burgemeester en wethouders moeten opnieuw beslissen over het bezwaar waarbij kopieën verstrekt kunnen worden. Tevens werd een proceskostenvergoeding aan appellant toegekend.

De uitspraak benadrukt het belang van een correcte toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur en de zorgvuldige afweging tussen het belang van de verzoeker en de voortgang van werkzaamheden van het bestuursorgaan.

Uitkomst: Burgemeester en wethouders moeten opnieuw beslissen waarbij appellant kopieën van het bijstandsdossier ontvangt in plaats van alleen inzage.

Uitspraak

Raad
van State
199902099/1.
Datum uitspraak: 26 september 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
A, wonend te B,
appellant,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 28 juli 1999 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Heel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 1998 hebben burgemeester en wethouders van Heel (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend beslist op een verzoek van appellant hem een afschrift te doen toekomen van documenten uit het bijstandsdossier van zijn ex-echtgenote X (hierna: X).
Bij besluit van 26 augustus 1998 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 mei 1999, verzonden op 12 mei 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders een nieuw besluit nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is gesteld.
Bij besluit van 31 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard en bepaald dat de door appellant gevraagde documenten uit het bijstandsdossier van X, al dan niet in geschoonde vorm, kunnen worden ingezien, nadat hiertoe een afspraak is gemaakt met het buro sociale zaken.
Bij uitspraak van 28 juli 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de president van de rechtbank (hierna: de president) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 september 1999, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 december 1999. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 15 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant van repliek gediend. Daarna zijn van appellant nog enkele brieven ontvangen, welke in afschrift naar de andere partij zijn toegestuurd.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door H.M. Burgman, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door W.J.L. Rühl, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Voorop gesteld dient te worden dat de juistheid van de beslissing van burgemeester en wethouders om tot openbaarmaking over te gaan van delen van het bijstandsdossier van X, hier niet ter discussie staat.
Uitsluitend in geschil is thans nog op welke wijze de openbaarmaking geschiedt.
2.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:
a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken;
b. kennisneming van de inhoud toe te staan;
c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of
d. inlichtingen daaruit te verschaffen.
Ingevolge het tweede lid houdt het bestuursorgaan bij het kiezen tussen de vormen van informatie, genoemd in het eerste lid, rekening met de voorkeur van de verzoeker en met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden.
2.3. Appellant wenst de gevraagde informatie in kopievorm te ontvangen. Burgemeester en wethouders willen, onder verwijzing naar het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden, slechts inzage geven.
2.4. Ter zitting is komen vast te staan dat volgens burgemeester en wethouders inzage moet plaatsvinden op een vantevoren afgesproken tijdstip, in aanwezigheid van een ambtenaar van de gemeente. Voorafgaand aan de inzage zullen de documenten, voor zover nodig, worden geschoond. Anders dan de president is de Afdeling van oordeel dat niet valt in te zien dat het maken van kopieën van reeds geschoonde documenten - ongeveer 130 pagina's - tijdrovender is dan het, onder begeleiding van een ambtenaar, bieden van inzage in deze documenten. De beslissing op bezwaar kan, voor zover daarbij is geweigerd om kopieën te verstrekken, niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en is derhalve strijdig met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De president heeft dit miskend.
2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beslissing op bezwaar van 31 mei 1999 vernietigen, voor zover hierbij is besloten appellant uitsluitend inzage te bieden in de daar genoemde documenten. Burgemeester en wethouders zullen in zoverre opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.
2.6. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling als hieronder vermeld. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht, dat een limitatieve en forfaitaire regeling geeft voor de vergoeding van in de beroepsfase en hoger beroepsfase gemaakte proceskosten. Een vergoeding van deze kosten kan niet op basis van artikel 8:73 van Pro genoemde wet worden gevorderd, ook niet voorzover het proceskosten betreft die niet op grond van artikel 8:75 worden Pro vergoed.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 28 juli 1999, 99/587 BESLU K1;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Heel van 31 mei 1999, bz/soza/wr, voorzover hierbij is besloten appellant uitsluitend inzage te bieden in de daar genoemde documenten;
V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Heel in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal ƒ 3.285,95, waarvan een gedeelte groot ƒ 3.195,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Heel te worden betaald aan appellant;
VI. gelast dat de gemeente Heel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (in totaal ƒ 565,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. C.A. Terwee-van Hilten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Angeren w.g. Haverkamp
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2001
306.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,