ECLI:NL:RVS:2002:AE7571
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van Dublin-overeenkomst en Vreemdelingenwet 2000
De staatssecretaris van Justitie wees een aanvraag tot verblijfsvergunning af op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Oostenrijk verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek volgens de Dublin-overeenkomst. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het beleid van de staatssecretaris, waarbij een aanvraag met toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst van Dublin (OvD) wordt behandeld indien niet binnen zes maanden na ontvangst van het claimakkoord een beslissing is genomen, niet kennelijk onredelijk is. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het beleid geen rekening hield met het tijdsverloop tussen asielaanvraag en verzoek om overname.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er was geen grond voor toepassing van artikel 3, vierde lid, OvD en de staatssecretaris had de aanvraag terecht afgewezen. Ook de stelling dat Nederland verantwoordelijk was vanwege de aanvraag van de echtgenoot van de vreemdeling faalde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sprak het vonnis uit op 11 juli 2002, waarbij geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.