ECLI:NL:RVS:2001:AD6140
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- M. Vlasblom
- E.A. Alkema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning op grond van Dublin-overeenkomst en Vreemdelingenwet 2000
Appellant verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland, maar deze werd afgewezen omdat Duitsland als eerste lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek volgens artikel 8 van Pro de Overeenkomst van Dublin (OvD).
Appellant stelde dat zijn overdracht aan Duitsland zou leiden tot schending van het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), vanwege de jurisprudentie omtrent Turks-Koerdische dienstweigeraars in Duitsland. De rechtbank en de Raad van State oordeelden echter dat appellant onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet zou nakomen.
De Raad van State benadrukte dat het aan de asielzoeker is om aannemelijk te maken dat het verantwoordelijke Dublinland zijn verplichtingen niet naleeft, wat appellant niet deed. Ook werd meegewogen dat appellant zijn dienstweigering pas laat in de Nederlandse procedure aanvoerde, waardoor dit aspect niet in Duitsland aan de orde kwam.
De Raad van State concludeerde dat de staatssecretaris niet onredelijk heeft gehandeld en dat het beleid omtrent de toepassing van de Dublin-overeenkomst rechtens aanvaardbaar is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.