ECLI:NL:RVS:2004:AO3890
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.A.M. van Angeren
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake openbaarmaking processtukken bij politie-inval in moskee
Verzoeker vroeg op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) om afschrift van processtukken van een kortgedingprocedure over een politie-inval in de Ulu Camii moskee. Appellant, de Minister van Justitie, wees dit verzoek af en verklaarde bezwaar ongegrond. De rechtbank Utrecht oordeelde dat de WOB van toepassing was en vernietigde het besluit van appellant.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat artikel 28 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (WRv) een bijzondere en uitputtende regeling bevat voor de openbaarmaking van processtukken bij civiele procedures. Deze regeling staat toepassing van de WOB in dit kader in de weg.
De Afdeling stelt dat de griffier exclusief bevoegd is om te beslissen over verzoeken om afschrift van processtukken en dat het verzoek van verzoeker daarom niet via de WOB kan worden ingewilligd. Het hoger beroep van appellant wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van verzoeker ongegrond verklaard.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 februari 2004.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank Utrecht vernietigd.