Uitspraak
200302138/1, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.
Raad van State
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân om op grond van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer een voorschrift te verbinden aan de vergunning voor een jachtverhuurbedrijf, specifiek gericht op het in- en uitvaren van vaartuigen. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde vervolgens het besluit, waarna verweerder het verzoek interpreteerde als een aanvraag tot gedeeltelijke intrekking van de vergunning, welke opnieuw werd afgewezen.
Appellant klaagde over overlast door het manoeuvreren van vaartuigen, dat volgens hem buiten de inrichting plaatsvindt en schade veroorzaakt aan zijn perceel, waaronder afkalving van de oever en aantasting van zijn privacy. Hij stelde dat het verwijderen van een steiger noodzakelijk was om deze problemen te verhelpen en betoogde dat artikel 8.23 van de Wet milieubeheer geen redelijke oplossing biedt.
Verweerder stelde dat de inrichting geen ontoelaatbare milieuschade veroorzaakt, dat het manoeuvreren binnen het openbare vaarwater plaatsvindt en dat er geen bewijs is van schade aan het perceel van appellant. De Afdeling oordeelde dat manoeuvreren buiten de inrichting niet per definitie in strijd is met de vergunning en dat het verzoek tot intrekking niet redelijk was. Er was geen aannemelijk bewijs van ontoelaatbare milieuschade, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juli 2004.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om een milieuvast voorschrift en gedeeltelijke intrekking van de vergunning is ongegrond verklaard.