Uitspraak
200205257/1, JB 2003/293, het belang van de eigenaar van een naburig pand rechtstreeks betrokken is bij het verlenen van een vergunning tot wijziging van een monument ten behoeve van werkzaamheden met een ruimtelijke uitstraling voor naastgelegen panden. De rechtbank heeft dan ook terecht betekenis toegekend aan dit begrip. Door onder ruimtelijke uitstraling echter alleen een visuele wijziging te verstaan, heeft de rechtbank dit begrip te beperkt opgevat. Onder ruimtelijke uitstraling in het kader van een te verlenen monumentenvergunning dient over het algemeen te worden verstaan de waarneembare invloed die de te vergunnen werkzaamheden zullen hebben op de omgeving. Hoewel het aan de orde zijnde funderingsherstel geen visuele wijziging veroorzaakt, kan niet worden ontkend dat het herstel, waarbij funderingspalen in de bodem onder het pand [locatie 1] worden aangebracht, waarneembare invloed kan hebben op het belendende pand van appellant, zoals hij heeft betoogd. Hij dient dan ook, anders dan de rechtbank heeft overwogen, beschouwd te worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de monumentenvergunning. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van appellant dan ook ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.