ECLI:NL:RVS:2004:AR4234

Raad van State

Datum uitspraak
3 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200404726/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Vlasblom
  • H.G. Lubberdink
  • D. Roemers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:6 AwbArt. 44 Wet op de Raad van State
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak en terugwijzing in zaak verblijfsvergunning asiel

Appellant heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen bij besluit van 16 mei 2004. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen plaats was voor beoordeling van nieuwe feiten en omstandigheden die appellant bij de zienswijze heeft aangevoerd. Volgens de Algemene wet bestuursrecht is het mogelijk om op een later moment in de besluitvormingsfase nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren.

De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank. De rechtbank wordt opgedragen alsnog een oordeel te geven over het subsidiaire standpunt van de minister met betrekking tot de aangevoerde zienswijze en stukken. Tevens wordt bepaald dat de minister de proceskosten van appellant dient te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

200404726/1.
Datum uitspraak: 3 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 3 juni 2004 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 juni 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 17 juni 2004 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de enige grief klaagt appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat geen plaats is voor beoordeling van hetgeen hij bij de zienswijze heeft aangevoerd en overgelegd.
2.2. Het gehoor naar aanleiding van de herhaalde aanvraag is naast de indiening van de aanvraag bij uitstek de gelegenheid om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren te brengen. In de tekst van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht noch in enige andere rechtsregel kan echter een algemeen beletsel worden gevonden om op een later moment in de fase van de besluitvorming alsnog nieuwe feiten of veranderde omstandigheden te stellen. Met de overweging dat geen plaats is voor een beoordeling van hetgeen appellant bij de zienswijze heeft aangevoerd en overgelegd, heeft de voorzieningenrechter dit miskend. De grief slaagt.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen opdat de rechtbank alsnog een oordeel geeft over het door de minister in zijn besluit van 16 mei 2004 subsidiair ingenomen standpunt over hetgeen appellant in de zienswijze, onderbouwd met de daarbij overgelegde stukken, heeft aangevoerd.
2.4. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 3 juni 2004 in zaak nr. AWB 04/22821;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00, en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Van Gastel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2004
261.