Uitspraak
200300168/1(AB 2003, 388), dat de voor een inrichting verleende milieuvergunning bepalend is voor de reikwijdte van de zorgplicht die bij het drijven van die inrichting in acht genomen moet worden. Mede gelet op het systeem van de Wet milieubeheer levert de omstandigheid dat vergunde activiteiten, naar naderhand verkregen inzicht van het bevoegd gezag, zeer nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben, zodat de vergunning geen toereikend beschermingsniveau biedt, geen schending op van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer. Indien het bevoegd gezag meent dat een voor het drijven van een inrichting verleende milieuvergunning niet langer toereikende bescherming biedt tegen nadelige gevolgen die deze inrichting voor het milieu kan veroorzaken, dient het na te gaan of deze vergunning met toepassing van artikel 8.22, 8.23 of 8.25 van de Wet milieubeheer voor wijziging dan wel intrekking in aanmerking komt. Vaststaat dat de activiteiten die volgens verweerder een overtreding van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer vormen, niet in strijd zijn met de vergunning. Derhalve was verweerder niet bevoegd terzake handhavend op te treden.
200303650/1ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat, nu de kans op herhaling van de calamiteit niet is uit te sluiten, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu in de zin van artikel 8.25 van de Wet milieubeheer. De Afdeling heeft daarbij in aanmerking genomen dat verweerder geen toepassing aan artikel 8.23 van de Wet milieubeheer kon geven, omdat hij met het in dat kader voorschrijven van de blijkens een rapport van TNO noodzakelijke aanpassing van het bedrijfsproces de grondslag van de aan de vergunning ten grondslag liggende aanvraag zou hebben verlaten.