ECLI:NL:RVS:2005:AU2968
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- A.W.M. Bijloos
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens niet-ononderbroken samenwoning
Appellant verzocht om naturalisatie, maar de minister wees dit verzoek af omdat appellant niet ten minste vijf jaar onafgebroken in Nederland had verbleven, noch ten minste drie jaar ononderbroken gehuwd en samenwonend was met een Nederlandse echtgenoot. Appellant was sinds 1988 gehuwd met een Nederlandse en had in november 2000 het land verlaten om een machtiging tot voorlopig verblijf aan te vragen, waarna hij in februari 2002 terugkeerde en in augustus 2002 zijn verzoek indiende.
Appellant voerde aan dat de onderbreking van de samenwoning niet substantieel was en dat artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) geen ononderbroken periode eiste. De Raad van State oordeelde echter dat de wet een ononderbroken periode van huwelijk en samenwoning vereist en dat de onderbreking van zestien maanden substantieel was, ongeacht de reden van vertrek.
De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. De Raad van State bevestigde deze uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.