ECLI:NL:RVS:2005:AU5867

Raad van State

Datum uitspraak
9 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200502934/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • R.E.A. Matulewicz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking jachtakte seizoen 2004/2005

Bij besluit van 10 juni 2004 werd aan wederpartij de jachtakte voor het seizoen 2004/2005 ingetrokken en een nieuwe jachtakte geweigerd. Appellant, de korpschef van de politieregio Utrecht, verklaarde het bezwaar van wederpartij tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank Utrecht oordeelde op 18 februari 2005 dat het beroep van wederpartij gegrond was, vernietigde het besluit op bezwaar en bepaalde dat appellant binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen. Tevens werd het besluit van 10 juni 2004 geschorst.

Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de behandeling stelde wederpartij dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep omdat het jachtseizoen inmiddels was geëindigd op 31 maart 2005. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat de uitkomst van het geding geen toekomstig beslissingsbelang meer had.

De Raad van State veroordeelde appellant tot vergoeding van de proceskosten van wederpartij, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand door een derde, ter hoogte van € 644,00. Het vonnis werd uitgesproken door een enkelvoudige kamer op 9 november 2005.

Uitkomst: Het hoger beroep van de korpschef is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

200502934/1.
Datum uitspraak: 9 november 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Korpschef van de politieregio Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. SBR 04/2667 van de rechtbank Utrecht van 18 februari 2005 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats]
en
appellant.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2004 is een aan [wederpartij] verleende jachtakte voor het seizoen 2004/2005 ingetrokken en hem een jachtakte voor dat seizoen geweigerd.
Bij besluit van 30 september 2004 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 februari 2005, verzonden op 21 februari 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, bepaald dat appellant binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt en het besluit van 10 juni 2004 geschorst tot de bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef en G.B.A. van der Wulp, respectievelijk juridisch medewerker en inspecteur van politie bij de politieregio Utrecht, en [wederpartij], bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    [wederpartij] betoogt terecht dat appellant niet langer belang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep omdat de periode van een jaar waarop de onderhavige jachtakte zag, inmiddels op 31 maart 2005 is geëindigd. Nu niet is gebleken dat de uitkomst van het onderhavige geding bepalend zal zijn voor in de toekomst ten aanzien van [wederpartij] of anderen te nemen beslissingen, acht de Afdeling het feit dat de rechtbank de korpschef heeft veroordeeld in de kosten onvoldoende grond om  procesbelang aan te nemen bij het instellen van het hoger beroep.
2.2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.3.    Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.    veroordeelt de Korpschef van de politieregio Utrecht tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de politieregio Utrecht aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin    w.g. Matulewicz
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2005
45-497.