Uitspraak
200306585/1dat de rechtbank heeft miskend dat handhaving, gelet op de doelstelling van de aan de verleende vrijstelling verbonden voorwaarde, onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort legde op 20 februari 2004 een last onder dwangsom op aan [vennoot A] en [vennoot B] wegens het gebruik van een kapsalon in strijd met het bestemmingsplan "De Berg 2003". Dit gebruik werd niet beperkt tot de bewoners/eigenaars, wat in strijd was met een eerder verleende vrijstelling uit 1997.
De rechtbank Utrecht verklaarde de beroepen tegen de handhavingsbesluiten ongegrond. Appellanten stelden onder meer dat het college ten onrechte het nieuwe bestemmingsplan als grondslag gebruikte, dat er sprake was van een toezegging niet handhavend op te treden, en dat handhaving onevenredig zou zijn. De Raad van State oordeelde dat het college terecht het recente bestemmingsplan hanteerde en dat het overgangsrecht niet van toepassing was. De vermeende toezegging door een ambtenaar bindt het college niet, en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
Verder is vastgesteld dat het gebruik door derden in de kapsalon in strijd is met de verleende vrijstelling en het bestemmingsplan. Het college mocht handhavend optreden omdat geen uitzicht op legalisatie bestond en het belang van handhaving zwaarder woog. De hoogte van de dwangsom en de termijn werden als redelijk beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.