ECLI:NL:RVS:2006:AX7041

Raad van State

Datum uitspraak
7 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200507120/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • M. Oosting
  • J.R. Schaafsma
  • H.Ph.J.A.M. Hennekens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit terugvordering subsidie Streekgewest Westelijke Mijnstreek

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij besluit van 30 september 2004 een bedrag van €156.751,53 teruggevorderd van het Streekgewest Westelijke Mijnstreek wegens niet-gesanctioneerde bestedingen aan het project Hoofdstraat III te Schinnen in 2001. Het college van burgemeester en wethouders van Schinnen, als appellant, maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister richtte de beslissing op bezwaar onterecht aan het college in plaats van aan het Streekgewest.

De Raad van State oordeelde dat het belang van het Streekgewest rechtstreeks bij het besluit betrokken is en dat het college van burgemeester en wethouders slechts een afgeleid belang heeft. Daarom had de minister het bezwaar van het college niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met de artikelen 7:1, 8:1 en 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad van State vernietigde het besluit van 13 juli 2005 en verklaarde het bezwaar van het college tegen het besluit van 30 september 2004 niet-ontvankelijk. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van het college. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd wegens onontvankelijkheid van het bezwaar.

Uitspraak

200507120/1.
Datum uitspraak: 7 juni 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Schinnen,
appellant,
en
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2004, gericht aan het dagelijks bestuur van het Streekgewest Westelijke Mijnstreek (hierna: het Streekgewest), heeft verweerder een door het Streekgewest terug te storten bedrag vastgesteld van € 156.751,53 in verband met bestedingen ten aanzien van het project Hoofdstraat III te Schinnen in 2001 die niet ten laste van het budget voor sanering gebracht kunnen worden.
Bij besluit van 13 juli 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het terug te storten bedrag vastgesteld op € 145.154,61. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2005, beroep ingesteld.
Bij brief van 10 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. B.H.J.M. Weijenberg-Habets, ambtenaar van de gemeente, en ing. M. Schipperen, medewerker van het bureau NIBAG te Uden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F.A.G. van Kuijen, ambtenaar van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en mr. P. Wink en B. Vennemann, beiden werkzaam bij Bureau Sanering Verkeerslawaai te Woerden, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellant stelt dat de beslissing op bezwaar ten onrechte aan hem is gericht. Volgens hem dient de beslissing op bezwaar te worden gericht aan de budgethouder, namelijk het Streekgewest.
2.1.1.    Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb, worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.
2.1.2.    Blijkens de stukken heeft het Streekgewest op 27 mei 1998 een subsidieaanvraag voor 2001 in het kader van de Budgetregeling Verkeerslawaai ingediend. Bij besluit van 27 augustus 1998 is de subsidie aan het Streekgewest verleend; de subsidie is ook aan het Streekgewest betaald. Niet appellant, maar het Streekgewest is geadresseerde van het primaire besluit. Zoals de Afdeling bij uitspraak van heden, no.
200507312/1, heeft geoordeeld, is bij een besluit als het onderhavige het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken.
Aannemelijk is dat appellant in zijn financiële belang kan worden geraakt door het onderhavige besluit, maar dit is een afgeleid belang en geen rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder de bezwaren van appellant niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:1 in Pro samenhang met artikel 8:1, eerste lid, en artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Deze beroepsgrond treft derhalve doel.
2.2.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 september 2004 niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het beroep gegrond;
II.    vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting,     Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 juli 2005, kenmerk LMV 2005122048;
III.    verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 september 2004 niet-ontvankelijk;
IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde     besluit;
V.    veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en     Milieubeheer tot vergoeding van bij appellant in verband met de     behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 360,01 (zegge: driehonderdzestig euro en één cent); het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VI.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van     Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.
w.g. Oosting    w.g. Fransen
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006
407-518.