Uitspraak
200507312/1, heeft geoordeeld, is bij een besluit als het onderhavige het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken.
Raad van State
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij besluit van 30 september 2004 een bedrag van €156.751,53 teruggevorderd van het Streekgewest Westelijke Mijnstreek wegens niet-gesanctioneerde bestedingen aan het project Hoofdstraat III te Schinnen in 2001. Het college van burgemeester en wethouders van Schinnen, als appellant, maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister richtte de beslissing op bezwaar onterecht aan het college in plaats van aan het Streekgewest.
De Raad van State oordeelde dat het belang van het Streekgewest rechtstreeks bij het besluit betrokken is en dat het college van burgemeester en wethouders slechts een afgeleid belang heeft. Daarom had de minister het bezwaar van het college niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met de artikelen 7:1, 8:1 en 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad van State vernietigde het besluit van 13 juli 2005 en verklaarde het bezwaar van het college tegen het besluit van 30 september 2004 niet-ontvankelijk. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van het college. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd wegens onontvankelijkheid van het bezwaar.