Uitspraak
200407795/1geoordeeld dat het op 15 december 1980 krachtens de Hinderwet aangevraagde en vergunde veebestand neerkomt op 54 stuks grootvee en 10 pinken in de destijds nieuw op te richten stal en 31 stuks grootvee, 49 stuks jongvee, 25 kalveren en 30 mestvarkens in de op dat moment reeds bestaande stallen. De Afdeling ziet geen aanleiding hier thans anders over te oordelen. De in 1980 verleende vergunning had derhalve betrekking op het houden van 169 stuks melk- en kalfkoeien en 30 mestvarkens. Hiervan uitgaande bestaat het in 1980 vergunde veebestand gezien de verhouding tussen melkkoeien en vrouwelijk jongvee van 1:0,7 uit 99 melk- en kalfkoeien en 70 stuks vrouwelijk jongvee. In hetgeen appellant voor het overige op dit punt heeft aangevoerd, waaronder het vervallen van een gedeelte van de in 1980 verleende vergunning op grond van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.