Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen
V.O.F. [eisers sub 1], te [vestigingsplaats],
[eisers sub 4], uit [woonplaats],
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland om een natuurvergunning te weigeren voor de uitbreiding van hun melkrundveehouderij. De aanvraag dateert uit 2016 en is na vernietiging door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opnieuw beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is en dat de Wet natuurbescherming van toepassing is vanwege de datum van de aanvraag. Het college heeft de weigering gebaseerd op het ontbreken van een passende beoordeling die aantoont dat de stikstofdepositie door de uitbreiding de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet aantast. Eisers hebben hun standpunt dat geen vergunning nodig is ingetrokken.
Eisers betogen dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld en het evenredigheidsbeginsel is geschonden, mede door het gebrek aan robuuste natuurherstelmaatregelen en de toepassing van de AERIUS-calculator. De rechtbank verwerpt deze argumenten en stelt dat het college de geldende wet- en regelgeving correct heeft toegepast. De rechtbank oordeelt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de dwingende wettelijke bepalingen buiten toepassing worden gelaten.
Verder is er discussie over de wijze van berekening van de referentiesituatie met betrekking tot het vergunde veebestand. De rechtbank volgt het college in de gehanteerde splitsing tussen melkkoeien en jongvee. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de natuurvergunning voor uitbreiding wordt geweigerd.