ECLI:NL:RVS:2006:AY1770
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid hoger beroep vreemdeling en gegrondverklaring hoger beroep minister inzake verblijfsvergunning Irak
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, welke door de minister werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna zowel de minister als de vreemdeling hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De Raad overweegt dat het hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk is omdat hij door het instellen van hoger beroep niet in een gunstiger positie kan komen. De minister klaagde dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat de veiligheidssituatie in Irak sinds het ambtsbericht van december 2005 ernstig was verslechterd, terwijl het ambtsbericht zelf de situatie al als zorgwekkend bestempelde.
De Raad oordeelt dat de minister in redelijkheid kon concluderen dat de aanvullende stukken van de vreemdeling geen wezenlijk ander beeld geven van de veiligheidssituatie dan het ambtsbericht. Tevens werd het beleid van andere Europese landen ten aanzien van Iraakse asielzoekers besproken, waarbij werd vastgesteld dat geen van deze landen een vergelijkbaar categoriaal beschermingsbeleid voert. De Raad verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep van de minister gegrond, met vernietiging van de uitspraak van de voorzieningenrechter en ongegrondverklaring van het beroep van de vreemdeling.