ECLI:NL:RVS:2006:AZ0338
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- R.I.Y. Lap
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroepen tegen vergunning op grond van Wet milieubeheer voor afvalopslag
Bij besluit van 18 april 2006 verleende het college van gedeputeerde staten van Utrecht een vergunning aan een vergunninghouder voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de opslag van bouw-, sloop- en bedrijfsafval, asbest en huisraad op een perceel te een plaats.
Appellant sub 1 en appellanten sub 2, allen omwonenden, stelden beroep in tegen dit besluit. De Raad van State oordeelde dat appellant sub 1 zijn zienswijzen niet binnen de wettelijke termijn had ingediend en dat dit hem redelijkerwijs verweten kon worden. Appellanten sub 2 hadden geen zienswijzen ingediend, terwijl ook voor hen geen omstandigheden waren die dit redelijkerwijs konden verhinderen.
De Raad van State stelde vast dat appellanten die op meer dan 200 meter afstand wonen wel als belanghebbenden moeten worden aangemerkt vanwege mogelijke milieugevolgen. Desondanks werden de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig of geheel niet naar voren brengen van zienswijzen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 18 oktober 2006.
Uitkomst: De beroepen tegen de vergunningverlening zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig of niet indienen van zienswijzen.