Uitspraak
200508246/1, artikel 8 van Pro de Wvg ertoe strekt dat de raad reeds voor aanvang van de procedure tot vaststelling van een structuur- of bestemmingsplan een voorkeursrecht kan vestigen op gronden waaraan een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht die afwijkt van het gebruik, opdat hij reeds in een vroeg stadium slagvaardig kan optreden teneinde te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte bestemming wordt belemmerd. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 maart 2004 in zaak no.
200304767/1is inherent aan de toepassing van artikel 8 van Pro de Wvg dat van de toekomstige bestemming nog slechts een globaal beeld bestaat.
200306698/1heeft de raad het belang bij het vestigen van het voorkeursrecht voldoende gemotiveerd indien hij daarbij verwijst naar het belang van het houden van de regierol bij de ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente. Anders dan appellante ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het algemeen belang dat met dit voorkeursrecht is gediend zwaarwegender heeft kunnen achten dan de belangen van appellante, nu de raad bij het bestreden besluit heeft aangegeven te hebben gehandeld vanuit een actieve grondpolitiek en een maximale waarborging van de regiefunctie van de gemeente. Voorts deelt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat door de vestiging van het gemeentelijk voorkeursrecht de mogelijkheid van zelfrealisatie niet teloor is gegaan. Appellante blijft bevoegd de aan haar eigendom toegekende of toegedachte bestemming zelf te verwezenlijken.