ECLI:NL:RVS:2006:AZ3641
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning wegens beëindiging categoriale bescherming voor asielzoekers uit Centraal-Irak
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter had het beroep ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft het beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers uit Centraal-Irak. De minister had dit beleid beëindigd op basis van de zogenoemde c-indicator uit artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarbij het beleid van andere EU-landen als doorslaggevend werd beschouwd. Appellant stelde dat de minister ook andere indicatoren uit dat artikel had moeten betrekken en dat de verslechterde situatie in Irak een heroverweging rechtvaardigde.
De Raad van State oordeelde dat hoewel de minister bij heroverweging ook andere indicatoren moet betrekken, de afstemming met het beleid van omringende EU-landen een redelijke grondslag biedt voor het beëindigen van categoriale bescherming. Het ambtsbericht van 27 april 2006 gaf geen aanleiding te veronderstellen dat de situatie in Centraal-Irak zodanig was verslechterd dat het beleid moest worden herzien.
Daarom werd het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning omdat het beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers uit Centraal-Irak terecht is beëindigd.