ECLI:NL:RVS:2007:AZ7564
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en taalbeheersing bij inbewaringstelling
De vreemdeling werd op 30 oktober 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het ontbreken van geldige identiteitspapieren en het risico op onttrekking aan uitzetting. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat hij onvoldoende Nederlands beheerste om zich adequaat te laten horen, waardoor de bewaring onzorgvuldig was opgelegd en kende schadevergoeding toe.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de verklaringen van de politieambtenaren, opgesteld onder ambtseed, voldoende bewijs vormen dat de vreemdeling de Nederlandse taal voldoende beheerst. De rechtbank had onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de vreemdeling door taalproblemen niet adequaat kon worden gehoord.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af. De bewaring was terecht opgelegd omdat de vreemdeling niet meewerkte aan zijn terugkeer en het risico bestond dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.
Er werd geen aanleiding gezien tot toekenning van proceskosten. De uitspraak is gedaan op 16 januari 2007 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt bevestigd.