Uitspraak
200602308/1.
Raad van State
Bij besluit van 1 februari 2006 stelde het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de ernst en spoedeisendheid van bodemverontreiniging vast op de locatie Okkernootstraat 70 en 82-104 te Den Haag. Appellante, eigenaar van de locatie, stelde beroep in tegen dit besluit. De Raad van State heeft het beroep behandeld en overwogen dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is over de organisatorische samenhang van de verontreinigingsgevallen, terwijl dit essentieel is voor de vaststelling van het geval van verontreiniging.
Daarnaast was de voorbereiding van het besluit niet zorgvuldig omdat verweerder onvoldoende rekening hield met nieuwe onderzoeksgegevens die een actualisatie van de saneringsnoodzaak rechtvaardigen. De gebruikte gegevens daterden deels uit 1994, terwijl recentere metingen lagere concentraties aantoonden. Verweerder heeft deze aanwijzingen niet adequaat verwerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. Tevens veroordeelt zij de gemeente Den Haag tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering en zorgvuldige voorbereiding bij besluiten over bodemverontreiniging en sanering.
Uitkomst: Het besluit tot spoedeisende sanering van bodemverontreiniging wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid.